+Artikel 58 Overgangsbepalingen
---+Artikel 58 1.
---+Artikel 58 2.
---+Artikel 58 3.
---+Artikel 58 4.
---+Artikel 58 5.
---+Artikel 58 6.
---+Artikel 58 7.
---+Artikel 58 8.
---+Artikel 58 9.
---+Artikel 58 10.
---+Artikel 58 11.
---+Artikel 58 12.
---+Artikel 58 13.
|
Artikel 58 Overgangsbepalingen
Overgangsbepalingen
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 58 1.
|
Onverminderd hoofdstukken II en III, leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring van EU-typegoedkeuringen of vrijstellingen vóór de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren.
|
|
Artikel 58 2.
|
De goedkeuringsinstanties mogen overeenkomstig de relevante wetgeving die geldt op 5 oktober 2016 EU-typegoedkeuringen blijven verlenen tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor de EU-typegoedkeuring van motoren, en overeenkomstig die wetgeving vrijstellingen blijven verlenen tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor het in de handel brengen van motoren. De lidstaten mogen overeenkomstig de relevante wetgeving die geldt op 5 oktober 2016 het in de handel brengen van motoren blijven toestaan tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor het in de handel brengen van motoren.
|
|
Artikel 58 3.
|
In afwijking van deze verordening kunnen motoren waarvoor krachtens de op 5 oktober 2016 geldende toepasselijke wetgeving EU-typegoedkeuring is verleend of die voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en zijn aangenomen als CCR-Fase II in het kader van de Herziene Rijnvaartakte, blijven in de handel worden gebracht tot de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren. Nationale autoriteiten verbieden, beperken of verhinderen in die gevallen niet het in de handel brengen van motoren die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn.
|
|
Artikel 58 4.
|
Motoren die op 5 oktober 2016 niet binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 97/68/EG vielen, kunnen op basis van eventuele geldige nationale wetgeving blijven in de handel worden gebracht tot de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren.
|
|
Artikel 58 5.
|
Onverminderd artikel 5, lid 3, artikel 18, lid 2, en, voor zover van toepassing, Richtlijn 2008/57/EG en Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie (
8
) kunnen overgangsmotoren en, in voorkomend geval, de niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin die overgangsmotoren zijn gemonteerd, blijven in de handel worden gebracht tijdens de overgangsperiode, op voorwaarde dat de machine waarin de overgangsmotor is gemonteerd uiterlijk 18 maanden na het begin van de overgangsperiode is geproduceerd. Voor motoren van subcategorieën van categorie NRE waarvoor de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren 1 januari 2020 is, staan de lidstaten de verlenging toe van de overgangsperiode en van de in de eerste alinea vermelde periode van 18 maanden met een extra periode van 12 maanden voor OEM’s met een totale jaarlijkse productie van minder dan 100 eenheden van niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin interne verbrandingsmotoren zijn gemonteerd. Voor de berekening van die jaarlijkse totale productie worden alle door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon beheerde OEM’s als één enkele OEM beschouwd. Voor motoren van subcategorieën van categorie NRE waarvoor de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren 1 januari 2020 is, die in mobiele kranen worden gebruikt, worden de overgangsperiode en de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met 12 maanden. Voor motoren van de categorie NRS met een vermogen van minder dan 19 kW in sneeuwblazers worden de overgangsperiode en de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met 24 maanden. Voor motoren van alle subcategorieën waarvoor de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren op 1 januari 2019 is, met uitzondering van de in de vierde alinea bedoelde motoren, worden de overgangsperiode en de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met 12 maanden. Voor motoren van alle subcategorieën waarvoor de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren 1 januari 2020 is, met uitzondering van de in de tweede en derde alinea bedoelde motoren, wordt de overgangsperiode verlengd met negen maanden en wordt de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met zes maanden.
|
|
Artikel 58 6.
|
Behoudens lid 5 van dit artikel voldoen overgangsmotoren ten minste aan een van de volgende voorschriften:
a)
zij zijn in overeenstemming met motortypen of motorfamilies waarvoor de EU-typegoedkeuring krachtens artikel 30, lid 2, onder a), niet langer geldig is, en vallen op de productiedata van de motoren onder een geldige EU-typegoedkeuring die voldoet aan de meest recente toepasselijke emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is op 5 oktober 2016;
b)
zij behoren tot een vermogensgroep die op 5 oktober 2016 niet onderworpen was aan typegoedkeuring die verband houdt met grenswaarden inzake verontreinigende emissies op het niveau van de Unie, of
c)
zij worden gebruikt of zijn bestemd voor gebruik in een toepassing die op 5 oktober 2016 niet onderworpen was aan typegoedkeuring die verband houdt met grenswaarden inzake verontreinigende emissies op het niveau van de Unie.
|
|
Artikel 58 7.
|
De periode voor het in de handel brengen van overgangsmotoren wordt beperkt tot:
a)
24 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, eerste alinea, genoemde geval;
b)
36 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, tweede en derde alinea, genoemde geval;
c)
48 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, vierde alinea, genoemde geval;
▼M1
d)
36 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, vijfde alinea, genoemde geval;
▼M2
e)
33 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, zesde alinea, genoemde geval.
▼B
|
|
Artikel 58 8.
|
Fabrikanten zorgen ervoor dat overgangsmotoren die tijdens de overgangsperiode in de handel zijn gebracht, van het in artikel 32, lid 2, onder d)m bedoelde opschrift zijn voorzien.
|
|
Artikel 58 9.
|
Niettegenstaande artikel 5, lid 3, artikel 18, lid 2, en artikel 22 kunnen de lidstaten gedurende een termijn die uiterlijk verstrijkt op 17 september 2026 het in de handel brengen toestaan van motoren van de categorie RLL met een maximaal nettovermogen van meer dan 2 000 kW die niet aan de in bijlage II genoemde emissiegrenswaarden voldoen en worden gemonteerd in locomotieven die uitsluitend op een technisch geïsoleerd 1 520 mm-spoorwegnet rijden. Gedurende die termijn voldoen de in de handel gebrachte motoren ten minste aan de grenswaarden waaraan zij moesten voldoen om op 31 december 2011 in de handel te worden gebracht. De goedkeuringsinstanties van de lidstaten verlenen EU-typegoedkeuring voor en staan het in de handel brengen van dergelijke motoren toe.
|
|
Artikel 58 10.
|
Niettegenstaande artikel 5, lid 3, en artikel 18, lid 2, staan de lidstaten het in de handel brengen van ruilmotoren toe voor een termijn van ten hoogste 15 jaar vanaf de toepasselijke data voor het in de handel brengen van fase V-motoren als bedoeld in bijlage III, op voorwaarde dat de motoren behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRS met een referentievermogen van ten minste 19 kW, of behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRG, indien de ruilmotor en de oorspronkelijke motor tot een motorcategorie of een vermogensgroep behoren waarvoor op 31 december 2016 geen typegoedkeuringsverplichting op het niveau van de Unie gold.
|
|
Artikel 58 11.
|
Niettegenstaande artikel 5, lid 3, en artikel 18, lid 2, staan de lidstaten het in de handel brengen van ruilmotoren toe voor een termijn van ten hoogste 20 jaar vanaf de toepasselijke data voor het in de handel brengen van fase V-motoren als bedoeld in bijlage III, op voorwaarde dat de motoren:
a)
behoren tot de categorie NRE met een referentievermogen van ten minste 19 kW en ten hoogste 560 kW en voldoen aan een emissiefase die niet meer dan 20 jaar voor het in de handel brengen van deze motoren is verstreken en die minstens even streng is als de emissiegrenswaarden waaraan de te vervangen motor moest voldoen toen die oorspronkelijk in de handel werd gebracht;
b)
behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRE en met een referentievermogen van meer dan 560 kW, indien de ruilmotor en de basismotor tot een motorcategorie of een vermogensgroep behoren waarvoor op 31 december 2016 geen typegoedkeuringsverplichting op het niveau van de Unie gold.
|
|
Artikel 58 12.
|
De lidstaten kunnen besluiten om, voor een termijn die uiterlijk verstrijkt op 17 september 2026, de bepalingen van deze verordening niet toe te passen op motoren die gemonteerd zijn in machines voor de katoenpluk.
|
|
Artikel 58 13.
|
Fabrikanten dragen er zorg voor dat ruilmotoren van het in artikel 32, lid 2, onder e), bedoelde opschrift zijn voorzien.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|