1. Een moederonderneming zorgt ervoor dat de in afdeling 1 van dit hoofdstuk bedoelde vereisten inzake interne procedures, risicobeoordeling en personeel van toepassing zijn op alle bijkantoren en dochterondernemingen van de groep in de lidstaten en, voor groepen waarvan het hoofdkantoor in de Unie is gevestigd, in derde landen. Daartoe verricht een moederonderneming een risicobeoordeling op groepsniveau, rekening houdend met de door alle bijkantoren en dochterondemingen van de groep uitgevoerde bedrijfsbrede risicobeoordeling, en stelt zij op groepsniveau geldende gedragslijnen, procedures en controles vast, met inbegrip van gedragslijnen, procedures en controles inzake gegevensbescherming en inzake het delen van informatie binnen de groep ten behoeve van AML/CFT en om ervoor te zorgen dat werknemers binnen de groep op de hoogte zijn van de vereisten die voortvloeien uit deze verordening. Meldingsplichtige entiteiten binnen de groep, voeren die op groepsniveau geldende gedragslijnen, procedures en controles uit, rekening houdend met hun specifieke kenmerken en de risico’s waaraan zij zijn blootgesteld.
De op groepsniveau geldende gedragslijnen, procedures en controles en de op groepsniveau geldende risicobeoordelingen bedoeld in de eerste alinea, omvatten alle in respectievelijk de artikelen 9 en 10 genoemde elementen.
Indien een groep vestigingen heeft in meer dan één lidstaat en, voor groepen met hoofdkantoor in de Unie, in derde landen, houden moederondernemingen voor de toepassing van de eerste alinea rekening met de informatie die wordt bekendgemaakt door de autoriteiten van alle lidstaten of derde landen waar de groep vestigingen heeft.