6. Indien een lidstaat een specifiek risico van witwassen of terrorismefinanciering van een derde land vaststelt dat de Commissie overeenkomstig de in lid 2 bedoelde criteria heeft vastgesteld, maar dat niet wordt aangepakt met de in lid 5 bedoelde tegenmaatregelen, dan kan hij van de op zijn grondgebied gevestigde meldingsplichtige entiteiten verlangen dat zij specifieke aanvullende tegenmaatregelen toepassen om de specifieke risico’s van dat derde land te beperken. Het vastgestelde risico en de overeenkomstige tegenmaatregelen worden binnen vijf dagen na de toepassing van die tegenmaatregelen ter kennis van de Commissie gebracht.