+Preamble: 1
|
Preamble: 1
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 325 terquinquagies, lid 8, eerste alinea, punt b), en artikel 325 terquinquagies, lid 8, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1)
|
Instellingen mogen alleen interne modellen voor marktrisico gebruiken als deze voldoen aan de vereisten die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 575/2013. instellingen moeten niet alleen aan deze vereisten voldoen wanneer zij toestemming vragen voor het gebruik van deze interne modellen, maar ook wanneer zij deze modellen gebruiken en wanneer zij een verzoek indienen voor materiële uitbreidingen of wijzigingen van dergelijke interne modellen. Daarom is het passend te bepalen dat bevoegde autoriteiten, wanneer zij nagaan of instellingen aan deze vereisten voldoen, dezelfde criteria en dezelfde beoordelingsmethodiek op elk van deze fasen toepassen. Omwille van de efficiëntie en ter vermindering van de regeldruk mogen de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van de naleving door instellingen die al toestemming hebben gekregen om dergelijke alternatieve interne modellen toe te passen, echter niet worden verplicht om deze toestemming opnieuw te beoordelen. Zij moeten alleen de naleving beoordelen van de regels die relevant zijn voor de scope van de betreffende beoordeling, en in elke zaak voortbouwen op de conclusies van eerdere beoordelingen.
|
|
(2)
|
Om ervoor te zorgen dat instellingen doorlopend voldoen aan de vereisten die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten de bevoegde autoriteiten de algehele kwaliteit van de door een instelling toegepaste oplossingen, systemen en benaderingen evalueren en voortdurende verbeteringen en aanpassingen aan veranderde omstandigheden eisen.
|
|
(3)
|
Om te zorgen voor harmonisatie en vergelijkbaarheid van toezichtpraktijken tussen verschillende rechtsgebieden, moeten de bevoegde autoriteiten bij hun beoordeling of instellingen voldoen aan de vereisten die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan prescriptieve beoordelingstechnieken. De bevoegde autoriteiten moeten echter rekening kunnen houden met de aard, omvang en complexiteit van de structuur en het bedrijfsmodel van een instelling, de complexiteit van de alternatieve interne modellen, de aard van de financiële producten waarop deze modellen betrekking hebben, de kwaliteit van informatie die door de betrokken instelling wordt verstrekt en de middelen waarover deze autoriteiten beschikken. Derhalve moeten de bevoegde autoriteiten, wanneer zij beoordelen of een instelling voldoet aan de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten, een zekere discretionaire bevoegdheid krijgen, zodat zij aanvullende controles kunnen uitvoeren en de meest geschikte methoden kunnen toepassen om na te gaan of aan bepaalde vereisten wordt voldaan. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen die beoordeling op een evenredige manier uit te voeren, en gezien het brede scala aan financiële producten dat beschikbaar is voor handelsactiviteiten, is het bovendien noodzakelijk om categorieën van financiële producten van toenemende complexiteit vast te stellen, waarop de bevoegde autoriteiten hun beoordeling moeten baseren.
|
|
(4)
|
Om ervoor te zorgen dat er voldoende interne kennis is van het alternatieve interne model, met inbegrip van uitbestede activiteiten, moet worden bepaald dat, ondanks de eventuele uitbesteding van bepaalde risico-instrumenten, IT-systemen en oplossingen voor risicobeheersing, alle essentiële taken, activiteiten of functies die verband houden met het interne model, moeten worden uitgevoerd door de afdeling risicobeheersing als bedoeld in artikel 325 duosexagies, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Om dezelfde redenen moet in deze regels ook worden vastgelegd dat de afdeling risicobeheersing passende controles en kwaliteits- en validatietests uitvoert voor elke uitbestede oplossing, dat er in alle gevallen volledige documentatie over die controles en tests beschikbaar is en dat de bevoegde autoriteiten alle tools en IT-oplossingen die van externe leveranciers zijn verkregen, beoordelen op een manier die vergelijkbaar is met gevallen waarin deze volledig via interne processen zijn ontwikkeld.
|
|
(5)
|
Governance- en operationele aspecten spelen een centrale rol bij de goede werking van het alternatieve interne model. De methodiek aan de hand waarvan wordt nagegaan of een instelling voldoet aan de vereisten die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 575/2013 (“beoordelingsmethode”), moet daarom een uitgebreide beoordeling bevatten van die governance- en operationele aspecten, waaronder de opzet van de tradingafdeling, de rol van de directie en het leidinggevend orgaan, de afdeling risicobeheersing en de onafhankelijke toetsing van het alternatieve interne model zelf.
|
|
(6)
|
Bij de beoordelingsmethodiek met betrekking tot governanceaspecten moet er rekening mee worden gehouden dat bepaalde instellingen die toestemming vragen om de alternatieve internemodellenbenadering te mogen toepassen, al voordat Verordening (EU) nr. 575/2013 werd gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad (2) toestemming hadden gekregen om een intern model toe te passen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico. Daarom moeten beoordelingsregels worden vastgesteld die vergelijkbaar zijn met die welke in het verleden zijn vastgesteld voor de aspecten die niet zijn gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/876, en moeten nieuwe regels worden ingevoerd die betrekking hebben op nieuwe bepalingen die bij die verordening zijn ingevoerd, waaronder de vereisten voor de tradingafdeling die zijn vastgesteld in artikel 104 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013.
|
|
(7)
|
Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de naleving van de vereisten voor het valideren en toetsen van alternatieve interne modellen te beoordelen, moeten instellingen de interne validatie van het model ten minste jaarlijks uitvoeren. De initiële validatie moet weliswaar betrekking hebben op alle methodieken die in het gehele interne model worden toegepast, maar met het oog op de beperkte personele en financiële middelen is het passend om te bepalen dat de jaarlijkse validatie zich ten minste moet richten op de belangrijkste problemen die bij eerdere interne validaties of eerdere interne controles aan het licht zijn gekomen, en op eventuele wijzigingen of nieuwe methodieken die in het alternatieve interne model zijn geïntroduceerd.
|
|
(8)
|
Handelsactiviteiten en financiële markten evolueren voortdurend en snel. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen met deze kenmerken rekening te houden bij de beoordeling van de vraag of instellingen voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet de beoordelingsmethodiek kwalitatieve en procedurele normen bevatten met betrekking tot de formele goedkeuring door de instelling van nieuwe financiële instrumenten en producten, en de invoering ervan in het handelsgebied. Normen voor een formeel goedkeuringsbeleid voor nieuwe producten zijn nodig om ervoor te zorgen dat de introductie van nieuwe financiële instrumenten en producten, die mogelijk extra risicofactoren met zich brengen of die veranderingen in de methodiek van de interne risicometingsmodellen vereisen, volledig verenigbaar is met de uitgebreide controle en validatie.
|
|
(9)
|
De datakwaliteit en de nauwkeurigheid van de risicoschatting en de deugdelijkheid van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico hangen sterk af van de betrouwbaarheid van de IT-systemen die voor dat doeleinde worden gebruikt. Evenzo kunnen de continuïteit en consistentie van de risicobeheersingsprocessen en de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico alleen worden gewaarborgd wanneer de daarvoor gebruikte IT-systemen veilig en betrouwbaar zijn en de IT-infrastructuur voldoende robuust is. Daarom is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van de interne modellen voor marktrisico ook controleren of de IT-systemen van de instelling betrouwbaar zijn en of de voor de interne modellen gebruikte IT-infrastructuur robuust is.
|
|
(10)
|
Een van de vernieuwingen van het nieuwe marktrisicoraamwerk dat is vastgelegd in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter, van Verordening (EU) nr. 575/2013, is het bepalen van de eigenvermogensvereisten aan de hand van “expected shortfall”-maatstaven. Er moet voor worden gezorgd dat instellingen actief toezien op de nauwkeurigheid van deze cijfers. Daarom is het passend voor te schrijven dat instellingen hun “expected shortfall”-maatstaven direct aan backtesting onderwerpen als onderdeel van het interne backtestingprogramma zoals vereist door artikel 325 tersexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aangezien er onder marktdeelnemers nog geen gevestigde methodiek is voor backtesting van een “expected shortfall”-maatstaf, moet er geen specifieke methodiek worden voorgeschreven en moet het instellingen vrij worden gelaten om rekening te houden met de ontwikkeling van nieuwe technieken en beste praktijken op dat gebied, in overeenstemming met de kwalitatieve vereisten van artikel 325 duosexagies van die verordening.
|
|
(11)
|
Er kan alleen van worden uitgegaan dat interne risicometingsmodellen op integere wijze worden toegepast, als bedoeld in artikel 325 duosexagies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wanneer is voldaan aan alle wettelijke vereisten. Daarnaast zijn verschillende bouwstenen van de Bazelhervormingen op het gebied van marktrisico geïmplementeerd in Unierecht door middel van gedelegeerde handelingen, waaronder Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2058 van de Commissie (3), Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2059 van de Commissie (4), Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2060 van de Commissie (5), Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1577 van de Commissie (6), Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1578 van de Commissie (7) en Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/397 van de Commissie (8). Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteiten moeten nagaan of instellingen voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met die gedelegeerde handelingen. Om te zorgen voor een alomvattende beoordeling van de vraag of interne modellen voor marktrisico de voorschriften naleven, moeten technieken worden gespecificeerd waarmee de bevoegde autoriteiten kunnen beoordelen of instellingen voldoen aan de aspecten die zowel door Verordening (EU) nr. 575/2013 als door deze gedelegeerde verordeningen worden bestreken. De bevoegde autoriteiten moeten daarom de specifieke documentatie onderzoeken die instellingen moeten overleggen.
|
|
(12)
|
De vereisten inzake backtesting en winst- en verliestoerekening (“profit-and-loss attribution”) vormen een solide basis voor een kritische monitoring van de prestaties van het interne risicometingsmodel. Daarom moeten beoordelingsregels worden vastgesteld om de resultaten van die tests in aanmerking te nemen. Met betrekking tot backtesting moet ervoor worden gezorgd dat overschrijdingen kritisch worden geanalyseerd om mogelijke tekortkomingen in het model te identificeren, en dat instellingen monitoren of de veranderingen in de waarde van portefeuilles worden veroorzaakt door modelleerbare of door niet-modelleerbare risicofactoren. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten in het licht van de resultaten van de “profit-and-loss attribution”-toets (PLAT) de nauwkeurigheid van de door de instelling gehanteerde prijsfuncties beoordelen, aangezien die nauwkeurigheid essentieel is voor een deugdelijke berekening van de eigenvermogensvereisten.
|
|
(13)
|
Met het oog op een consistente toepassing van de vereisten van artikel 325 unsexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten deze vereisten nader worden gespecificeerd. De vraag of instellingen aan die vereisten voldoen, moet worden beoordeeld aan de hand van de brede risicofactorcategorieën als bedoeld in tabel 2 van artikel 325 septquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013. Daarom moet voor elk van deze categorieën worden vastgelegd hoe de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen of het basisrisico in beeld wordt gebracht en of de behandeling van curves en oppervlakken in het interne risicometingsmodel deugdelijk is.
|
|
(14)
|
Door de snel veranderende en evoluerende aard van de financiële markten leveren onbetrouwbare, onnauwkeurige, onvolledige of verouderde data fouten op in de risicoschatting en in de berekening van de eigenvermogensvereisten — ook in de modellen voor marktrisico. In het kader van risicobeheersingsprocessen van een instelling kunnen dergelijke foutieve data ook slechte managementbesluiten opleveren. Om de betrouwbaarheid en hoge kwaliteit van de data en het juiste gebruik ervan in de interne processen en de processen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten te waarborgen, moeten de manier waarop data worden verzameld en opgeslagen en de procedures voor het verzamelen en opslaan ervan, goed worden gedocumenteerd, met inbegrip van een volledige beschrijving van de kenmerken, kwaliteitscontroles, automatische filters en specifieke bronnen van dagelijkse data. De bevoegde autoriteiten moeten daarom bij het beoordelen van interne modellen voor marktrisico bijzondere aandacht besteden aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de data die voor modelleringsdoeleinden worden gebruikt en aan de processen die worden toegepast om ervoor te zorgen dat deze kwaliteit en betrouwbaarheid gehandhaafd blijven.
|
|
(15)
|
Om een juiste berekening van de eigenvermogensvereisten te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van de algehele kwaliteit van de gegevens de deugdelijkheid beoordelen van de door de instelling gehanteerde benadering voor de tijdreeksen waarvoor van proxy’s wordt gebruikgemaakt. In de beoordelingsmethodiekmoet daarom worden nagegaan of wordt voldaan aan de eisen die in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gesteld aan het gebruik van proxy’s. In voorkomend geval moeten de regels die zijn vastgelegd in die beoordelingsmethodiekverschillen, afhankelijk van de vraag of de tijdreeks waarvoor een proxy is gebruikt, betrekking heeft op een risicofactor die de beoordeling van de modelleerbaarheid heeft doorstaan, of op een risicofactor waarvoor dat niet geldt.
|
|
(16)
|
Met betrekking tot het interne wanbetalingsrisicomodel, en meer in het bijzonder de artikelen 325 septsexagies, 325 octosexagies en 325 novosexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet de beoordelingsmethodiek waarborgen dat die risicomodellen nauwkeurige resultaten opleveren. De in de beoordelingsmethodiek vastgelegde regels moeten daarom betrekking hebben op alle aspecten die van invloed zijn op de uitkomst van die modellen, met inbegrip van de omvang van de posities die door deze modellen in beeld worden gebracht, de schattingen van de kansen op wanbetaling (Probability of Default — PD) en verliezen bij wanbetaling (Loss Given Default — LGD), de keuze van systematische risicofactoren voor de simulatie van wanbetaling van uitgevende instellingen en alle door de instelling gehanteerde modelleringsaannames, met inbegrip van eventuele copula-aannames voor de simulatie van de wanbetaling van meerdere uitgevende instellingen.
|
|
(17)
|
Door de risico’s die voortvloeien uit klimaatverandering en bredere milieukwesties verandert het risicobeeld voor de financiële sector en de verwachting is dat deze risico’s nog prominenter zullen worden. Gezien het belang van deze risicodeterminanten moeten de bevoegde autoriteiten nagaan dat instellingen deze risicodeterminanten in aanmerking nemen in hun stresstestprogramma’s als bedoeld in artikel 325 duosexagies, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013. In dat kader hebben instellingen al stappen ondernomen om milieurisico’s in hun stresstestprogramma’s op te nemen. Om ervoor te zorgen dat instellingen voldoende tijd hebben om deze risico’s volledig in hun stresstestprogramma’s op te nemen, moeten de bevoegde autoriteiten echter pas vanaf 1 januari 2025 beoordelen of instellingen voldoen aan alle eisen met betrekking tot klimaatverandering en bredere milieuaspecten. Evenzo moeten instellingen, in het licht van de complexiteit van de uitvoering van directe “expected shortfall”-backtesting, een langere periode krijgen voordat de bevoegde autoriteiten hun naleving op dit gebied beoordelen. Daarom moet de datum voor de toepassing van de betreffende beoordeling op 1 januari 2026 worden vastgesteld.
|
|
(18)
|
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.
|
|
(19)
|
De Europese Bankautoriteit heeft open publieke consultaties georganiseerd over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en het advies ingewonnen van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep bankwezen (9),
|
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 maart 2024.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
1. Overzicht
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|