|
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (88/361/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 69 en op artikel 70, lid 1, Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Monetair Comité (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Overwegende dat de interne markt volgens artikel 8 A van het Verdrag een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van kapitaal, onverminderd de andere bepalingen van het Verdrag, is gewaarborgd; Overwegende dat de Lid-Staten de nodige maatregelen moeten kunnen treffen ter regulering van de liquiditeit van het bankwezen en dat die maatregelen tot dat doel beperkt moeten blijven; Overwegende dat de Lid-Staten maatregelen moeten kunnen nemen om, indien nodig, in het kader van passende communautaire procedures, tijdelijk kapitaalbewegingen op korte termijn te beletten die, zonder dat sprake is van een aanmerkelijke afwijking in de fundamentele economische factoren, het voeren van hun monetaire en deviezenbeleid ernstig zouden verstoren; Overwegende dat ter wille van de doorzichtigheid dient te worden aangegeven wat volgens de bepalingen van deze richtlijn de werkingssfeer is van de bij de Toetredingsakte van 1985 met betrekking tot het kapitaalverkeer ten behoeve van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek vastgestelde overgangsmaatregelen; Overwegende dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, krachtens respectievelijk de artikelen 61 tot en met 66 en 222 tot en met 232 van de Toetredingsakte van 1985, in afwijking van de verplichtingen van de Eerste Richtlijn van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 86/566/EEG (4), de vrijmaking van bepaalde categorieën kapitaalverkeer kunnen uitstellen; dat Richtlijn 86/566/EEG eveneens voorziet in de toepassing van een overgangsregeling ten gunste van deze twee Lid-Staten ten aanzien van hun verplichtingen tot vrijmaking van het kapitaalverkeer; dat het dienstig is dat deze beide Lid-Staten de toepassing van de uit de onderhavige richtlijn voortvloeiende nieuwe liberalisatieverplichtingen binnen dezelfde termijnen en om dezelfde economische redenen kunnen uitstellen; Overwegende dat de Helleense Republiek en Ierland, zij het in uiteenlopende mate, worden geconfronteerd met een moeilijke betalingsbalanssituatie en de druk van een grote buitenlandse schuld; dat een onmiddellijke en volledige vrijmaking van het kapitaalverkeer van beide Lid-Staten de voortzetting zou bemoeilijken van de maatregelen die zij hebben genomen om hun externe positie te verbeteren en het vermogen tot aanpassing van hun financiële systeem aan de eisen van een geïntegreerde financiële markt in de Gemeenschap te versterken; dat aan deze twee Lid-Staten, overeenkomstig artikel 8 C van het Verdrag, een op hun specifieke situatie afgestemde, langere termijn dient te worden toegestaan voor het nakomen van de verplichtingen die uit de onderhavige richtlijn voortvloeien; Overwegende dat de volledige liberalisatie van het kapitaalverkeer in bepaalde Lid-Staten en met name in grensgebieden mede aanleiding kan geven tot moeilijkheden op de markt van tweede woningen; dat de toepassing van deze richtlijn de bestaande nationale wettelijke bepalingen inzake deze aankopen onverlet moet laten; Overwegende dat gebruik moet worden gemaakt van de termijn die is vastgesteld voor de toepassing van deze richtlijn om de Commissie in staat te stellen voorstellen te doen ten einde risico's van distorsies en belastingontwijking of -fraude, die voortvloeien uit de verschillen in de nationale belastingstelsels, op te heffen of te verkleinen en de Raad de mogelijkheid te bieden zich over die voorstellen uit te spreken; Overwegende dat de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het Verdrag, moet trachten de hoogst mogelijke mate van vrijheid te bereiken op het gebied van het kapitaalverkeer tussen de ingezetenen van de Gemeenschap en de ingezetenen van derde landen; Overwegende dat omvangrijke kortlopende kapitaalbewegingen van of naar derde landen de positie van de Lid-Staten op de geld- of kapitaalmarkt ernstig kunnen verstoren of ernstige spanningen op de wisselmarkten kunnen veroorzaken; dat dergelijke ontwikkelingen nadelig kunnen blijken voor de samenhang van het Europees Monetair Stelsel, voor de goede werking van de interne markt en voor de geleidelijke verwezenlijking van de economische en monetaire unie; dat derhalve de voorwaarden moeten worden geschapen voor een gecoördineerd optreden van de Lid-Staten indien zulks nodig mocht blijken; Overwegende dat de onderhavige richtlijn in de plaats komt van Richtlijn 72/156/EEG van de Raad van 21 maart 1972 voor het reguleren van de internationale kapitaalbewegingen en het neutraliseren van de ongewenste effecten daarvan op de interne liquiditeit (5); dat Richtlijn 72/156/EEG derhalve moet worden ingetrokken, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
|