8. Indien de activiteiten van een partnerschap voor informatie-uitwisseling leiden tot kennis, vermoedens of redelijke gronden om te vermoeden dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, opbrengsten van criminele activiteiten zijn of verband houden met terrorismefinanciering, kunnen meldingsplichtige entiteiten die vermoedens met betrekking tot de activiteiten van hun cliënten hebben vastgesteld, een van hen aanwijzen als verantwoordelijke om een melding te doen aan de FIE op grond van lid 1, punt a). Die melding bevat ten minste de naam en contactgegevens van alle meldingsplichtige entiteiten die hebben deelgenomen aan de activiteiten die tot de melding hebben geleid.
Indien de in de eerste alinea genoemde meldingsplichtige entiteiten in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de informatie aan elke bevoegde FIE gemeld. Hiertoe zorgen de meldingsplichtige entiteiten ervoor dat de melding wordt gedaan door een meldingsplichtige entiteit op het grondgebied van de lidstaat waar de FIE is gevestigd.
Indien de meldingsplichtige entiteiten besluiten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om één enkele melding te doen bij de FIE, op grond van de eerste alinea, vermelden zij bij hun melding dat het vermoeden resulteert uit de activiteiten van een partnerschap voor informatie-uitwisseling.