+2. Kapitaalpositie
---+19. Overeenkomstig artikel 32, lid 4, onder a) en b), van Richtlijn 2014/59/EU moet een instelling …
---+20. Bij de beoordeling van de activa en passiva van de instelling in de nabije toekomst en bij de …
---+21. Additionele elementen waar rekening mee moet worden gehouden wanneer de in punt 19 …
---+22. Met betrekking tot punt 19, onder b), wordt het extreme geval van een ontoereikende …
|
2. Kapitaalpositie
2. Kapitaalpositie
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
19. Overeenkomstig artikel 32, lid 4, onder a) en b), van Richtlijn 2014/59/EU moet een instelling …
|
Overeenkomstig artikel 32, lid 4, onder a) en b), van Richtlijn 2014/59/EU moet een instelling worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen als zij, of als er objectieve elementen bestaan ter ondersteuning van de vaststelling dat zij in de nabije toekomst: - a. de voor het behouden van de vergunning in acht te nemen eigenvermogensvereisten, met inbegrip van de vereisten opgelegd overeenkomstig artikel 104, lid 1, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU, op zodanige wijze overtreedt dat intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit gerechtvaardigd zou zijn onder meer, doch niet uitsluitend omdat de instelling verliezen heeft geleden of waarschijnlijk verliezen zal lijden die haar eigen vermogen geheel of aanmerkelijk uitputten; of
- b. activa heeft die geringer zijn dan haar passiva.
|
|
20. Bij de beoordeling van de activa en passiva van de instelling in de nabije toekomst en bij de …
|
Bij de beoordeling van de activa en passiva van de instelling in de nabije toekomst en bij de beoordeling of de instelling in de nabije toekomst aan de eigenvermogensvereisten zal voldoen, wordt de vaststelling gebaseerd op objectieve elementen, onder andere: - a. de hoogte en samenstelling van het eigen vermogen van een instelling en of zij voldoet aan de aan de instelling opgelegde minimale en additionele eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104, lid 1, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU;
- b. de resultaten van een toetsing van de kwaliteit van activa, met inbegrip van een nationale of Unie- of GTM-brede toetsing (gemeenschappelijk toezichtsmechanisme - GTM), die wijzen op een significante daling van de waarde van de activa die leidt tot overtreding van de eigenvermogensvereisten, indien beschikbaar;
- c. de resultaten van een waardering die is verricht om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, overeenkomstig artikel 36, lid 4, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU, voor zover beschikbaar; of
- d. de resultaten van een andere, voor de instelling specifieke beoordeling van de waarde van haar activa en passiva, verricht door een onafhankelijke taxateur of afwikkelingsautoriteit of door een andere persoon, voor zover de toegepaste waarderingsmethode in overeenstemming is met artikel 36 van Richtlijn 2014/59/EU, ter ondersteuning van een vaststelling dat de activa van de instelling geringer zijn, of in de nabije toekomst waarschijnlijk geringer zullen zijn, dan haar passiva. Elementen van de waarderingsresultaten kunnen worden gebruikt om vast te stellen of de instelling de in Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 uiteengezette eigenvermogensvereisten overtreedt of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal overtreden op zodanige wijze dat intrekking van de vergunning gerechtvaardigd zou zijn, indien beschikbaar.
|
|
21. Additionele elementen waar rekening mee moet worden gehouden wanneer de in punt 19 …
|
Additionele elementen waar rekening mee moet worden gehouden wanneer de in punt 19 gespecificeerde vaststelling wordt gemaakt, indien ze relevant zijn voor de kenmerken van de instelling, zijn: - a. bedreigingen van de kapitaalpositie en levensvatbaarheid van de instelling als gevolg van een significante, niet-tijdelijke stijging van de financieringskosten van de instelling tot een niveau dat onhoudbaar is voor de instelling;
- b. de waarschijnlijke verwezenlijking van aanzienlijke posten buiten de balanstelling (d.w.z. voorwaardelijke verplichtingen) van de instelling in de nabije toekomst, waardoor substantiële verliezen kunnen worden geleden die de kapitaalpositie en levensvatbaarheid van de instelling bedreigen;
- c. significante ongunstige ontwikkelingen in de macro-economische omstandigheden die een gevaar zouden kunnen vormen voor de kapitaalpositie en levensvatbaarheid van de instelling, met inbegrip van relevante ontwikkelingen in rentetarieven, de waarde van onroerend goed of de economische groei. Dergelijke ontwikkelingen zouden aanmerkelijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bedrijfsmodel van de instelling en de vooruitzichten voor haar winstgevendheid, kapitaalpositie en levensvatbaarheid;
- d. een substantiële verslechtering van de marktperceptie van een instelling, tot uitdrukking komend in indicatoren die erop wijzen dat de solvabiliteit van de instelling sterk is afgenomen en dat haar kapitaalpositie en levensvatbaarheid worden bedreigd, blijkend uit onder andere een instortende verhouding koers-boekwaarde of een snel stijgend niveau van de economische leverage (d.w.z. de economische leverage gemeten als de verhouding van de totale activa en de marktwaarde van het eigen vermogen). De ontwikkeling van beide ratio's kan worden vergeleken met die van de vergelijkbare groep van de instelling, naar behoren rekening houdend met mogelijke verstoringen als gevolg van verschillen in de verslagleggingsstandaarden; of
- e. een substantiële niet-tijdelijke verslechtering van de absolute en relatieve ontwikkeling van marktindicatoren, waaronder, indien beschikbaar, op eigen vermogen gebaseerde indicatoren (bijvoorbeeld aandelenkoers en de verhouding boekwaarde-marktwaarde aandelen) of op vreemd vermogen gebaseerde indicatoren (bijvoorbeeld kredietverzuimswaps of spreads voor achtergestelde schulden), die erop wijst dat een instelling waarschijnlijk verliezen zal lijden die een gevaar zouden kunnen vormen voor haar kapitaalpositie en levensvatbaarheid.
|
|
22. Met betrekking tot punt 19, onder b), wordt het extreme geval van een ontoereikende …
|
Met betrekking tot punt 19, onder b), wordt het extreme geval van een ontoereikende kapitaalpositie geacht zich voor te doen wanneer de instelling over onvoldoende activa beschikt om haar passiva te dekken. De waarschijnlijkheid van een dergelijke situatie kan worden beoordeeld op basis van de omstandigheden en gebeurtenissen die zijn genoemd in de punten 20 en 21.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|