+104. Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …

104. Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …

Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Deze richtsnoeren zijn gericht tot bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die zijn aangewezen als bevoegde autoriteiten krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402, alsook tot financiële instellingen als bedoeld in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die onderworpen zijn aan regulering en toezicht ingevolge Verordening (EU) 2017/2402, met inbegrip van externe partijen die de inachtneming van de STS-criteria verifiëren, tevens overeenkomstig artikel 2, lid 5, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 aangewezen bevoegde autoriteiten die geen bevoegde autoriteiten vormen uit hoofde van artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, worden aangemoedigd om deze richtsnoeren toe te passen.”

  • b. Punt 29 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 9, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen de in de punten a) tot en met c) van dat lid genoemde situaties te worden beschouwd als definities van aangetaste kredietwaardigheid. Andere mogelijke situaties van aangetaste kredietwaardigheid die niet in de punten a) tot en met c) zijn vervat, dienen te worden geacht niet onder deze vereiste te vallen.”

  • c. Punt 34 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 9, punt c), van Verordening (EU) 2017/2402 mogen de debiteurs of garantiegevers van blootstellingen met aangetaste kredietwaardigheid niet worden geacht “een kredietbeoordeling of een kredietscore [te hebben] waaruit blijkt dat het risico dat contractueel overeengekomen betalingen niet worden gedaan significant hoger is dan voor vergelijkbare, niet-gesecuritiseerde blootstellingen [van andere debiteurs of garantiegevers met aangetaste kredietwaardigheid] in het bezit van de initiator”, wanneer beide volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen en de vergelijkbare blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
  • b. als gevolg van de in punt a) bedoelde soortgelijkheid kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat de onderliggende blootstellingen gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de vergelijkbare blootstellingen.”
  • d. Punt 35 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer een van de volgende situaties van toepassing is:

  • a. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen die volgens de relevante boekhoudbeginselen worden ingedeeld als dubieus, aangetast of niet-renderend of een soortgelijke categorie;
  • b. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen aan debiteurs of garantiegevers waarvan de kredietkwaliteit op basis van kredietratings of andere kredietkwaliteitsdrempels significant slechter is dan de kredietkwaliteit van debiteurs of garantiegevers van vergelijkbare blootstellingen die de initiator initieert in het kader van zijn reguliere kredietverstrekking en kredietrisicostrategie.”
  • e. Punt 36 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 mogen verdere voorschotten en opnemingen in het kader van één blootstelling, dan wel de herstructurering van dezelfde blootstelling aan een bepaalde kredietnemer, niet worden geacht aanleiding te geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.”

  • f. Na punt 36 wordt een nieuw punt 36 bis toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 moet de voorgenomen overdracht van een andere, afzonderlijke blootstelling aan dezelfde kredietnemer in de SSPE aanleiding geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.”

  • g. Punt 37 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“De betaling waarvan sprake in de vereiste dat “ten minste één betaling” moet zijn gedaan op het moment van de overdracht, moet voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 een huur, hoofdsom of rentebetaling zijn of enige andere normale vorm van betaling waarin is voorzien in de contractuele overeenkomst inzake de blootstelling.”

  • h. Punt 51 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 14, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten onder “blootstellingen die substantieel vergelijkbaar zijn” blootstellingen worden verstaan waarbij aan de twee volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
  • b. als gevolg van de in punt a) bedoelde gelijkenis kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat zij gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de gesecuritiseerde blootstellingen.”
  • i. Punt 57 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 16, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten de rentevoeten die worden beschouwd als een adequate referentiegrondslag voor referentierentebetalingen, al het volgende omvatten:

  • a. interbancaire rentevoeten, waaronder de Libor, Euribor en andere erkende benchmarks;
  • b. andere gangbare referentierentevoeten, zoals €STR, SONIA, SOFR en TONA;
  • c. rentevoeten vastgelegd door monetaire autoriteiten, inclusief de federal funds rates en de disconteringsvoeten van centrale banken;
  • d. sectorale rentevoeten die een weerspiegeling vormen van de financieringskosten van een kredietverstrekker, met inbegrip van de standard variable rates en binnenlandse rentevoeten die de marktkosten van de financiering van een bank of een subgroep van instellingen rechtstreeks weerspiegelen, voor zover beleggers voldoende gegevens verkrijgen zodat ze de verhouding tussen de sectorale rentevoeten en andere marktrentevoeten kunnen beoordelen.”
  • j. Punt 65 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 24, lid 18, vierde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen blootstellingen als vergelijkbaar te worden beschouwd als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de blootstellingen behoren tot een van de activacategorieën die worden genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), i) t/m iii) of v) t/m vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
  • b. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), iv), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en tot hetzelfde type debiteur als bedoeld in artikel 2, lid 3, punt a), van die verordening;
  • c. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), viii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en soortgelijke kenmerken vertonen met betrekking tot om het even welke homogeniteitsfactor als bedoeld in artikel 2, lid 6, van die verordening.”
  • k. Punt 69 van de richtsnoeren wordt vervangen door:

“Wijzigingen van dergelijke afsluitstandaarden dienen als materieel te worden beschouwd wanneer het gaat om een van de volgende soorten wijzigingen van de afsluitstandaarden:

  • a. wijzigingen die gevolgen hebben voor de vereiste van soortgelijke afsluitstandaarden, zoals nader gespecificeerd in artikel 1, eerste alinea, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
  • b. wijzigingen die materiële gevolgen hebben voor het algemene kredietrisico of de gemiddelde verwachte prestaties van de pool van onderliggende blootstellingen, zonder dat dit leidt tot wezenlijk verschillende benaderingen voor de beoordeling van het kredietrisico dat verbonden is aan de onderliggende blootstellingen.”
  • l. Punt 82 wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 wordt een partij als passend en onafhankelijk beschouwd indien zij aan de twee volgende voorwaarden voldoet:

  • a. zij heeft de nodige ervaring en bekwaamheid om de verificatie uit te voeren;
  • b. zij is geen:
  • i. ratingbureau,
  • ii. derde partij die nagaat of de STS-criteria worden nageleefd overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EU) 2017/2402,
  • iii. met de initiator, sponsor, belegger of SSPE gelieerde entiteit.”

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/