+8. Wijzigingen van de Richtsnoeren EBA/GL/2018/08 en EBA/GL/2018/09 betreffende STS-criteria voor ABCP- en niet-ABCP-securitisatie
---+103. Richtsnoer EBA/GL/2018/09 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …
---+104. Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …
|
8. Wijzigingen van de Richtsnoeren EBA/GL/2018/08 en EBA/GL/2018/09 betreffende STS-criteria voor ABCP- en niet-ABCP-securitisatie
8. Wijzigingen van de Richtsnoeren EBA/GL/2018/08 en EBA/GL/2018/09 betreffende STS-criteria voor ABCP- en niet-ABCP-securitisatie
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
103. Richtsnoer EBA/GL/2018/09 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …
|
Richtsnoer EBA/GL/2018/09 wordt als volgt gewijzigd: - a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Deze richtsnoeren zijn gericht tot bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die zijn aangewezen als bevoegde autoriteiten krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402, alsook tot financiële instellingen als bedoeld in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die onderworpen zijn aan regulering en toezicht ingevolge Verordening (EU) 2017/2402, met inbegrip van externe partijen die de inachtneming van de STS-criteria verifiëren, tevens overeenkomstig artikel 2, lid 5, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 aangewezen bevoegde autoriteiten die geen bevoegde autoriteiten vormen uit hoofde van artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, worden aangemoedigd om deze richtsnoeren toe te passen.” - b. Punt 22 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 20, lid 10, vierde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen blootstellingen als vergelijkbaar te worden beschouwd als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: - a. de blootstellingen behoren tot een van de activacategorieën die worden genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), i) t/m iii) of v) t/m vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
- b. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), iv), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en tot hetzelfde type debiteur als bedoeld in artikel 2, lid 3, punt a), van die verordening;
- c. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), viii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en soortgelijke kenmerken vertonen met betrekking tot om het even welke homogeniteitsfactor als bedoeld in artikel 2, lid 6, van die verordening.”
- c. Punt 26 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Wijzigingen van dergelijke afsluitstandaarden dienen als materieel te worden beschouwd wanneer het gaat om een van de volgende soorten wijzigingen van de afsluitstandaarden: - a. wijzigingen die gevolgen hebben voor de vereiste van soortgelijke afsluitstandaarden, zoals nader gespecificeerd in artikel 1, eerste alinea, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
- b. wijzigingen die materiële gevolgen hebben voor het algemene kredietrisico of de gemiddelde verwachte prestaties van de pool van onderliggende blootstellingen, zonder dat dit leidt tot wezenlijk verschillende benaderingen voor de beoordeling van het kredietrisico dat verbonden is aan de onderliggende blootstellingen.”
- d. Punt 39 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 20, lid 11, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen de in de punten a) tot en met c) van dat lid genoemde situaties te worden beschouwd als definities van aangetaste kredietwaardigheid. Andere mogelijke situaties van aangetaste kredietwaardigheid die niet in de punten a) tot en met c) zijn vervat, dienen te worden geacht niet onder deze vereiste te vallen.” - e. Punt 44 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 20, lid 11, punt c), van Verordening (EU) 2017/2402 mogen de debiteurs of garantiegevers van blootstellingen met aangetaste kredietwaardigheid niet worden geacht “een kredietbeoordeling of een kredietscore [te hebben] waaruit blijkt dat het risico dat contractueel overeengekomen betalingen niet worden gedaan significant hoger is dan voor vergelijkbare, niet-gesecuritiseerde blootstellingen [van andere debiteurs of garantiegevers met aangetaste kredietwaardigheid] in het bezit van de initiator”, wanneer beide volgende voorwaarden van toepassing zijn: - a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen en de vergelijkbare blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
- b. als gevolg van de in punt a) bedoelde soortgelijkheid kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat de onderliggende blootstellingen gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de vergelijkbare blootstellingen.”
- f. Punt 45 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer een van de volgende situaties van toepassing is: - a. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen die volgens de relevante boekhoudbeginselen worden ingedeeld als dubieus, aangetast of niet-renderend of een soortgelijke categorie;
- b. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen aan debiteurs of garantiegevers waarvan de kredietkwaliteit op basis van kredietratings of andere kredietkwaliteitsdrempels significant slechter is dan de kredietkwaliteit van debiteurs of garantiegevers van vergelijkbare blootstellingen die de initiator initieert in het kader van zijn reguliere kredietverstrekking en kredietrisicostrategie.”
- g. Punt 46 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 20, lid 12, van Verordening (EU) 2017/2402 mogen verdere voorschotten en opnemingen in het kader van één blootstelling, dan wel de herstructurering van dezelfde blootstelling aan een bepaalde kredietnemer, niet worden geacht aanleiding te geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.” - h. Na punt 46 wordt een nieuw punt 46 bis toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
“Voor de toepassing van artikel 20, lid 12, van Verordening (EU) 2017/2402 moet de voorgenomen overdracht van een andere, afzonderlijke blootstelling aan dezelfde kredietnemer in de SSPE aanleiding geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.” - i. Punt 47 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“De betaling waarvan sprake in de vereiste dat “ten minste één betaling” moet zijn gedaan op het moment van de overdracht, moet voor de toepassing van artikel 20, lid 12, van Verordening (EU) 2017/2402 een huur, hoofdsom of rentebetaling zijn of enige andere normale vorm van betaling waarin is voorzien in de contractuele overeenkomst inzake de blootstelling.” - j. Na punt 50 wordt een nieuw punt 50 bis toegevoegd, dat als volgt komt te luiden: “Vereisten inzake risicobehoud
Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen de overeenkomstig artikel 29, lid 5, van die verordening aangewezen bevoegde autoriteiten en de in artikel 29, leden 2 tot en met 4, van die verordening bedoelde bevoegde autoriteiten – voor zover het om verschillende autoriteiten gaat – nauw met elkaar samen te werken overeenkomstig artikel 36 van de verordening.” - k. Punt 57 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten de rentevoeten die worden beschouwd als een adequate referentiegrondslag voor referentierentebetalingen, al het volgende omvatten: - a. interbancaire rentevoeten, waaronder de Libor, Euribor en andere erkende benchmarks;
- b. andere gangbare referentierentevoeten, zoals €STR, SONIA, SOFR en TONA;
- c. rentevoeten vastgelegd door monetaire autoriteiten, inclusief de federal funds rates en de disconteringsvoeten van centrale banken;
- d. sectorale rentevoeten die een weerspiegeling vormen van de financieringskosten van een kredietverstrekker, met inbegrip van de standard variable rates en binnenlandse rentevoeten die de marktkosten van de financiering van een bank of een subgroep van instellingen rechtstreeks weerspiegelen, voor zover beleggers voldoende gegevens verkrijgen zodat ze de verhouding tussen de sectorale rentevoeten en andere marktrentevoeten kunnen beoordelen.”
- l. Na punt 66 wordt een nieuw punt 66 bis toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
“Voor de toepassing van artikel 21, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 mag er, eenmaal de rangorde van de aflossing is teruggevallen in sequentiële betalingen, niet verder worden teruggegrepen op niet-sequentiële aflossing overeenkomstig de transactiedocumentatie.” - m. Punt 76 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 22, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten onder “blootstellingen die substantieel vergelijkbaar zijn” blootstellingen worden verstaan waarbij aan de twee volgende voorwaarden is voldaan: - a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
- b. als gevolg van de in punt a) bedoelde gelijkenis kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat zij gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de gesecuritiseerde blootstellingen.”
- n. Na punt 78 wordt een nieuw punt 78 bis toegevoegd3 , dat als volgt komt te luiden:
“Voor securitisaties die meerdere reeksen effecten uitgeven, waaronder master trusts , dient voorafgaand aan de uitgifte een nieuwe verificatie te worden verricht indien er sinds de vorige verificatie een jaar is verstreken.” - o. Punt 79 wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2402 wordt een partij als passend en onafhankelijk beschouwd indien zij aan de twee volgende voorwaarden voldoet: - a. zij heeft de nodige ervaring en bekwaamheid om de verificatie uit te voeren;
- b. zij is geen:
- i. ratingbureau,
- ii. derde partij die nagaat of de STS-criteria worden nageleefd overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EU) 2017/2402,
- iii. met de initiator, sponsor, belegger of SSPE gelieerde entiteit.”
- p. Punt 80 wordt vervangen door:
“De verificatie uit hoofde van artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2402 dient te worden verricht aan de hand van een passende statistische methode en op basis van een willekeurige steekproef van de onderliggende blootstellingen van de securitisatie. De omvang van de steekproef moet kunnen waarborgen dat de waarschijnlijkheid (het betrouwbaarheidsniveau) van een gegronde verwerping van de hypothese dat de volledige pool van onderliggende blootstellingen van de securitisatie geen uitzonderingen op de vereiste vertoont, ten minste 95 % bedraagt (d.w.z. de kans op een zogenaamde type II-fout waarbij ten onrechte een volledige pool zonder uitzonderingen wordt aanvaard, is gelijk aan 5 %). 80 bis. De steekproef dient in ieder geval minstens vijftig onderliggende blootstellingen te omvatten. In het geval van securitisaties waarbij de pool van onderliggende blootstellingen uit minder dan vijftig onderliggende blootstellingen bestaat, dient de steekproef alle onderliggende blootstellingen te omvatten. 80 ter. De verificatie moet worden uitgevoerd in de vorm van een verslag over overeengekomen procedures.” - q. Punt 83 wordt vervangen door:
“Indien het model van de kasstroom van de passiva door externe dienstverleners is uitgewerkt, dient voor de toepassing van artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2402 de initiator verantwoordelijk te blijven voor het ter beschikking stellen van de informatie aan potentiële beleggers.” - r. Punt 84 wordt vervangen door:
“Deze vereiste mag alleen van toepassing zijn indien de in de eerste alinea bedoelde informatie over de energieprestatiecertificaten beschikbaar is, of indien de in de tweede alinea bedoelde informatie over de belangrijkste ongunstige effecten op de duurzaamheidsfactoren van de activa die met de onderliggende blootstellingen worden gefinancierd beschikbaar is voor de initiator en de initiator besluit die tweede alinea toe te passen, en voor zover de desbetreffende informatie in diens interne database of IT-systemen is opgenomen. Wanneer dergelijke informatie uitsluitend beschikbaar is voor een deel van de onderliggende blootstellingen, mag de vereiste alleen van toepassing zijn voor het deel van de onderliggende blootstellingen waarover informatie beschikbaar is.” - s. Er wordt een punt 85 toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
“Naleving van de openbaarmakingsvereisten uit hoofde van artikel 7 Voor de toepassing van artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen de overeenkomstig artikel 29, lid 5, van die verordening aangewezen bevoegde autoriteiten en de in artikel 29, leden 2 tot en met 4, van die verordening bedoelde bevoegde autoriteiten – voor zover het om verschillende autoriteiten gaat – nauw met elkaar samen te werken overeenkomstig artikel 36 van de verordening.”
3 Dit strekt tot follow-up van de toelichting in de feedbackverklaring op blz. 77 van de richtsnoeren betreffende niet-ABCP-securitisatie, waarin staat te lezen dat een dergelijke verduidelijking in de wettekst van de richtsnoeren had moeten worden opgenomen maar in de definitieve tekst van de richtsnoeren is weggelaten.
|
|
104. Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd: a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt …
|
Richtsnoer EBA/GL/2018/08 wordt als volgt gewijzigd: - a. Punt 8 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Deze richtsnoeren zijn gericht tot bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die zijn aangewezen als bevoegde autoriteiten krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402, alsook tot financiële instellingen als bedoeld in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 die onderworpen zijn aan regulering en toezicht ingevolge Verordening (EU) 2017/2402, met inbegrip van externe partijen die de inachtneming van de STS-criteria verifiëren, tevens overeenkomstig artikel 2, lid 5, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Krachtens artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 aangewezen bevoegde autoriteiten die geen bevoegde autoriteiten vormen uit hoofde van artikel 4, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, worden aangemoedigd om deze richtsnoeren toe te passen.” - b. Punt 29 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 9, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen de in de punten a) tot en met c) van dat lid genoemde situaties te worden beschouwd als definities van aangetaste kredietwaardigheid. Andere mogelijke situaties van aangetaste kredietwaardigheid die niet in de punten a) tot en met c) zijn vervat, dienen te worden geacht niet onder deze vereiste te vallen.” - c. Punt 34 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 9, punt c), van Verordening (EU) 2017/2402 mogen de debiteurs of garantiegevers van blootstellingen met aangetaste kredietwaardigheid niet worden geacht “een kredietbeoordeling of een kredietscore [te hebben] waaruit blijkt dat het risico dat contractueel overeengekomen betalingen niet worden gedaan significant hoger is dan voor vergelijkbare, niet-gesecuritiseerde blootstellingen [van andere debiteurs of garantiegevers met aangetaste kredietwaardigheid] in het bezit van de initiator”, wanneer beide volgende voorwaarden van toepassing zijn: - a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen en de vergelijkbare blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
- b. als gevolg van de in punt a) bedoelde soortgelijkheid kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat de onderliggende blootstellingen gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de vergelijkbare blootstellingen.”
- d. Punt 35 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer een van de volgende situaties van toepassing is: - a. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen die volgens de relevante boekhoudbeginselen worden ingedeeld als dubieus, aangetast of niet-renderend of een soortgelijke categorie;
- b. de onderliggende blootstellingen omvatten geen blootstellingen aan debiteurs of garantiegevers waarvan de kredietkwaliteit op basis van kredietratings of andere kredietkwaliteitsdrempels significant slechter is dan de kredietkwaliteit van debiteurs of garantiegevers van vergelijkbare blootstellingen die de initiator initieert in het kader van zijn reguliere kredietverstrekking en kredietrisicostrategie.”
- e. Punt 36 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 mogen verdere voorschotten en opnemingen in het kader van één blootstelling, dan wel de herstructurering van dezelfde blootstelling aan een bepaalde kredietnemer, niet worden geacht aanleiding te geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.” - f. Na punt 36 wordt een nieuw punt 36 bis toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 moet de voorgenomen overdracht van een andere, afzonderlijke blootstelling aan dezelfde kredietnemer in de SSPE aanleiding geven tot een nieuwe “ten minste één betaling”-vereiste met betrekking tot een dergelijke blootstelling.” - g. Punt 37 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“De betaling waarvan sprake in de vereiste dat “ten minste één betaling” moet zijn gedaan op het moment van de overdracht, moet voor de toepassing van artikel 24, lid 10, van Verordening (EU) 2017/2402 een huur, hoofdsom of rentebetaling zijn of enige andere normale vorm van betaling waarin is voorzien in de contractuele overeenkomst inzake de blootstelling.” - h. Punt 51 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 14, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten onder “blootstellingen die substantieel vergelijkbaar zijn” blootstellingen worden verstaan waarbij aan de twee volgende voorwaarden is voldaan: - a. de meest relevante factoren die de verwachte prestaties van de onderliggende blootstellingen bepalen, zijn van soortgelijke aard;
- b. als gevolg van de in punt a) bedoelde gelijkenis kon redelijkerwijs worden verwacht, op grond van aanwijzingen als vroegere prestaties of toepasselijke modellen, dat zij gedurende de looptijd van de transactie – of over maximaal vier jaar indien de looptijd van de transactie meer dan vier jaar bedraagt – niet significant slechter zouden presteren dan de gesecuritiseerde blootstellingen.”
- i. Punt 57 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 16, van Verordening (EU) 2017/2402 moeten de rentevoeten die worden beschouwd als een adequate referentiegrondslag voor referentierentebetalingen, al het volgende omvatten: - a. interbancaire rentevoeten, waaronder de Libor, Euribor en andere erkende benchmarks;
- b. andere gangbare referentierentevoeten, zoals €STR, SONIA, SOFR en TONA;
- c. rentevoeten vastgelegd door monetaire autoriteiten, inclusief de federal funds rates en de disconteringsvoeten van centrale banken;
- d. sectorale rentevoeten die een weerspiegeling vormen van de financieringskosten van een kredietverstrekker, met inbegrip van de standard variable rates en binnenlandse rentevoeten die de marktkosten van de financiering van een bank of een subgroep van instellingen rechtstreeks weerspiegelen, voor zover beleggers voldoende gegevens verkrijgen zodat ze de verhouding tussen de sectorale rentevoeten en andere marktrentevoeten kunnen beoordelen.”
- j. Punt 65 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 24, lid 18, vierde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 dienen blootstellingen als vergelijkbaar te worden beschouwd als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: - a. de blootstellingen behoren tot een van de activacategorieën die worden genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), i) t/m iii) of v) t/m vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
- b. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), iv), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en tot hetzelfde type debiteur als bedoeld in artikel 2, lid 3, punt a), van die verordening;
- c. de blootstellingen behoren tot de activacategorie die wordt genoemd in artikel 1, eerste alinea, punt a), viii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851, en soortgelijke kenmerken vertonen met betrekking tot om het even welke homogeniteitsfactor als bedoeld in artikel 2, lid 6, van die verordening.”
- k. Punt 69 van de richtsnoeren wordt vervangen door:
“Wijzigingen van dergelijke afsluitstandaarden dienen als materieel te worden beschouwd wanneer het gaat om een van de volgende soorten wijzigingen van de afsluitstandaarden: - a. wijzigingen die gevolgen hebben voor de vereiste van soortgelijke afsluitstandaarden, zoals nader gespecificeerd in artikel 1, eerste alinea, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1851;
- b. wijzigingen die materiële gevolgen hebben voor het algemene kredietrisico of de gemiddelde verwachte prestaties van de pool van onderliggende blootstellingen, zonder dat dit leidt tot wezenlijk verschillende benaderingen voor de beoordeling van het kredietrisico dat verbonden is aan de onderliggende blootstellingen.”
- l. Punt 82 wordt vervangen door:
“Voor de toepassing van artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2402 wordt een partij als passend en onafhankelijk beschouwd indien zij aan de twee volgende voorwaarden voldoet: - a. zij heeft de nodige ervaring en bekwaamheid om de verificatie uit te voeren;
- b. zij is geen:
- i. ratingbureau,
- ii. derde partij die nagaat of de STS-criteria worden nageleefd overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EU) 2017/2402,
- iii. met de initiator, sponsor, belegger of SSPE gelieerde entiteit.”
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|