|
+Artikel 458 2. |
Artikel 458 2.Indien de overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen autoriteit veranderingen constateert in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico in het financiële stelsel met mogelijk ernstige negatieve gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie in een welbepaalde lidstaat, die naar het oordeel van die autoriteit niet even doeltreffend met andere macroprudentiële instrumenten uit hoofde van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU kunnen worden ondervangen dan met strengere nationale maatregelen, stelt zij de Commissie en het ESRB daar dienovereenkomstig van in kennis. Het ESRB zendt de kennisgeving onverwijld toe aan het Europees Parlement, de Raad en de EBA. De kennisgeving gaat vergezeld van de onderstaande documenten en bevat, naargelang het geval, relevante kwantitatieve of kwalitatieve aanwijzingen betreffende:
a)
de veranderingen in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico;
b)
de redenen waarom die veranderingen de financiële stabiliteit op nationaal niveau of de reële economie in gevaar kunnen brengen;
c)
een uitleg over de vraag waarom de autoriteit van oordeel is dat de macroprudentiële instrumenten uit hoofde van de artikelen 124 en 164 van deze verordening en van de artikelen 133 en 136 van Richtlijn 2013/36/EU minder geschikt en doeltreffend voor het ondervangen van die risico's zouden zijn dan de in punt d) van dit lid bedoelde ontwerpen van nationale maatregelen;
d)
de ontwerpen van nationale maatregelen die ten doel hebben om voor instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend of voor subgroepen van die instellingen, de veranderingen in de intensiteit van het risico te limiteren, en die betrekking hebben op:
i)
het in artikel 92 bepaalde niveau van het eigen vermogen;
ii)
de vereisten voor grote blootstellingen, vastgelegd in artikel 392 en in de artikelen 395 tot en met 403;
iii)
de in deel zes vastgestelde liquiditeitsvereisten;
iv)
risicogewichten ter bestrijding van zeepbellen in activa in de sector niet-zakelijk onroerend goed en zakelijk onroerend goed;
v)
de in deel acht vastgestelde openbaarmakingsvereisten;
vi)
het in artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde niveau van de kapitaalconserveringsbuffer, of
vii)
blootstellingen binnen de financiële sector;
e)
een uiteenzetting van de redenen waarom de ontwerpmaatregelen door de overeenkomstig lid 1 aangewezen autoriteit geschikt, doeltreffend en evenredig voor het ondervangen van de dreiging worden geacht; en
f)
een beoordeling van het vermoedelijke positieve of negatieve effect van de ontwerpmaatregelen op de interne markt op grond van informatie waarover de betrokken lidstaat beschikt. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|