|
Omstandigheden die verband houden met de waardering van de activa en passiva van de onderneming 1.1. Voordat er gebruik gemaakt wordt van het instrument van bail-in of de bevoegdheid om kapitaalinstrumenten op het moment van niet-levensvatbaarheid af te schrijven of om te zetten, moet er een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van de instelling verricht worden, overeenkomstig artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g), van de Richtlijn. 1.2. Deze waardering is bedoeld om de beslissing door de afwikkelingsautoriteit over de mate waarin de aandelen of andere eigendomsinstrumenten ingetrokken of verwaterd moeten worden en de mate waarin er verliezen opgenomen moeten worden op het moment van de afwikkeling te ondersteunen. 1.3. Ook moet er een onafhankelijke waardering achteraf verricht worden overeenkomstig artikel 74, lid 2, van de Richtlijn, om te bepalen of de feitelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers kregen als gevolg van de afwikkeling slechter was dan de behandeling die ze hadden gekregen indien de onderneming in een normaal faillissement was gegaan (de waardering achteraf). Ook moet er een inschatting gemaakt worden van de verwachte feitelijke behandeling die elke categorie aandeelhouders of schuldeisers had ontvangen indien de onderneming afgewikkeld zou worden volgens de normale insolventieprocedure, naast de uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn verrichte waardering, zoals voorgeschreven door artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn. 1.4. De gepaste behandeling van aandeelhouders en andere eigendomsinstrumenten moet gebaseerd worden op de geschatte netto activawaarde van de instelling uit hoofde van de waardering ingevolge artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn en de verrichte inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8, van diezelfde richtlijn. - a. Intrekking of overdracht
1.5. De afwikkelingsautoriteiten moeten de aandelen of andere eigendomsinstrumenten integraal intrekken of overdragen indien de netto activawaarde van de instelling nul of negatief is op basis van zowel de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn als de verrichte inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn. 1.6. Indien de netto activawaarde van de instelling daarentegen positief is op basis van zowel de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn als de verrichte inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn, kan er slechts ten dele overgegaan worden tot de intrekking of overdracht en moeten de aandeelhouders op zijn minst de netto activawaarde overhouden van de inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8. 1.7. Indien de netto activawaarde van de instelling uit hoofde van de waardering ingevolge artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn nul of negatief is, zal het nodig zijn om op zijn minst gedeeltelijk, vorderingen af te schrijven die hoger in rang zijn in de insolventieprocedure dan aandelen of andere eigendomsinstrumenten. Andere crediteuren afschrijven terwijl aandeelhouders een deel van de waarde behouden zou inconsistent zijn met zowel de volgorde van afschrijving in artikel 48 van de Richtlijn als de krachtens de afwikkelingsbeginselen van artikel 34 van de Richtlijn vereiste naleving van de rangorde van vorderingen in de insolventieprocedure. 1.8. Indien aandelen of ander eigendomsinstrumenten een positieve waarde hebben volgens de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn, maar een waarde van nul op basis van de inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8, beschikken de afwikkelingsautoriteiten over een bredere set van opties, onder meer: a) volledige intrekking of overdracht; b) gedeeltelijke intrekking of overdracht4 ; of c) verwatering. Om in dat geval consistent te zijn met de crediteurenhiërarchie, de volgorde van de afschrijvingen van artikel 48 en met de afwikkelingsbeginselen uit artikel 34, moeten de afwikkelingsautoriteiten zorgvuldig oordelen welke optie het beste overeenstemt met de beginselen en waarborgen van de Richtlijn en het beste de afwikkelingsdoelstellingen verwezenlijkt. 1.9. Afwikkelingsautoriteiten moeten bij het nemen van hun maatregelen erop toezien dat ze geen maatregelen nemen die ervoor zorgen dat aandeelhouders een groter verlies zouden lijden dan bij een afwikkeling volgens de normale insolventieprocedure.5 . 1.10. Indien aandelen of andere eigendomsinstrumenten niet volledig ingetrokken of overgedragen worden, moeten ze sterk verwaterd worden door omzetting van passiva in eigen vermogen. 1.11. In deze richtsnoeren wordt onder sterke verwatering verstaan dat zowel het belang van de aandeelhouder in het eigendom van de instelling als de waarde van de eigendomsinstrumenten verminderd moeten worden, tenzij dit een inbreuk zou vormen op de waarborg van artikel 73 van de Richtlijn. Deze situatie zal zich enkel voordoen indien de afwikkeling naar verwachting minder waardebehoud zal opleveren voor de schuldeisers van de bank dan bij de normale insolventieprocedure. 1.12. Bij een verwatering moet de mate waarin dit gebeurt vastgesteld worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 50 van de Richtlijn en de richtsnoeren van EBA voor de omzettingskoersen. Omzettingskoersen die vastgelegd worden volgens het algemeen beginsel 2 van de EBA-richtsnoeren betreffende de koers voor de omzetting van passiva in eigen vermogen bij een bail-in zorgen doorgaans voor een sterke verwatering. Dit beginsel vereist dat de omzettingskoersen zodanig vastgelegd worden dat de aandeelhouders de eerste verliezen dragen en dat de rangorde van schuldeisers gerespecteerd wordt. Indien een bepaalde categorie schuldeisers naar verwachting slechter af zal zijn na de afwikkeling dan daarvoor volgens de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn, dient de afwikkelingsautoriteit de omzettingskoers op nul of bijna nul vast te leggen voor alle categorieën verplichtingen en instrumenten die lager in rang zijn in de insolventieprocedure. 1.13. In uitzonderlijke omstandigheden kan het gebeuren dat er van geen enkele schuldeiser verwacht wordt dat hij een bijdrage levert tot het opvangen van verliezen of de herkapitalisatie bij de afwikkeling. In dat geval moeten de omzettingskoersen voor de kapitaalinstrumenten zodanig vastgelegd worden dat de afwikkelingsdoelstellingen bereikt worden en dat de waarde van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten vóór de afwikkeling verminderd wordt. 1.14. Afwikkelingsautoriteiten mogen er alleen voor kiezen om bestaande houders van aandelen of eigendomsinstrumenten sterk te verwateren indien de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn erop wijst dat de aandelen of andere eigendomsinstrumenten een positieve nettowaarde hebben. In deze omstandigheden kan sterke verwatering ook toegepast worden in combinatie met een gedeeltelijk intrekking of gedeeltelijke overdracht van aandelen of andere eigendomsinstrumenten. 1.15. Afwikkelingsautoriteiten mogen geen gebruik maken van sterke verwatering indien de nettowaarde van de instelling nul of negatief is volgens de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn, overeenkomstig de beginselen van artikel 34 van diezelfde Richtlijn, dat aandeelhouders de eerste verliezen dragen en de rangorde van de schuldeisers gerespecteerd wordt. 1.16. Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat de netto activawaarde van de instelling positief is op basis van de waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) van de Richtlijn, maar nul euro waard is volgens de inschatting uit hoofde van artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn, dient de afwikkelingsautoriteit de optie te kiezen uit de lijst van artikel 47, lid 1, onder a) of b) van de Richtlijn, die volgens hem het beste de afwikkelingsdoelstellingen verwezenlijkt. 1.17. In bepaalde omstandigheden kan de bevoegdheid om kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 59 van de Richtlijn toegepast worden zonder ook de afwikkelingsprocedure in gang te zetten. De mate waarin kapitaalinstrumenten afgeschreven of omgezet worden, moet overeenstemmen met het bedrag dat vereist is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, zoals geraamd in overeenstemming met artikel 60, lid 1, onder b) en c). Dit bedrag kan nul zijn, bijvoorbeeld indien artikel 59 ingeroepen wordt omdat er uitzonderlijke financiële overheidssteun verleend wordt (onder meer wanneer de centrale bank noodsteun verleent tegen een vergoeding, of zich garant stelt voor nieuw uitgegeven schulden) aan een goed gekapitaliseerde instelling die niet geacht wordt te falen of waarschijnlijk te zullen falen overeenkomstig artikel 32 van de Richtlijn. 1.18. In dergelijke gevallen mogen de afwikkelingsautoriteiten het tier-1 kernkapitaal niet verminderen noch de relevante kapitaalinstrumenten afschrijven of omzetten, omdat de bank niet aan het falen is noch waarschijnlijk zal falen en dit dus niet nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. De onderstaande tabel vat de in dit hoofdstuk gemaakte punten samen: Omstandigheid die betrekking Gepaste maatregelen Ongepaste maatregelen hebben op de waarde van vorderingen van aandeelhouders Positieve netto activawaarde 1. Gedeeltelijke intrekking 1. Volledige intrekking volgens zowel de waardering 2. Gedeeltelijke overdracht 2. Volledige overdracht ingevolge artikel 36, lid 4, onder - b) tot en met g) van de Richtlijn 3. Verwatering
als de inschatting ingevolge artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn. Positieve netto activawaarde 1. Volledige of gedeeltelijke Geen (maar de volgens de waardering ingevolge intrekking omzettingskoersen moeten artikel 36, lid 4, onder b) tot en 2. Volledige of gedeeltelijk gepast zijn) met g) van de Richtlijn maar een overdracht netto activawaarde die negatief of nul is op basis van de inschatting 3. Verwatering ingevolge artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn. Netto activawaarde van nul of 1. Volledige intrekking 1. Gedeeltelijke intrekking negatief, zowel op basis van de 2. Volledige overdracht 2. Gedeeltelijke overdracht waardering uit hoofde van artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g) 3. Verwatering van de Richtlijn als de inschatting volgens artikel 36, lid 8, van diezelfde Richtlijn.
4 ‘Gedeeltelijke intrekking/overdracht’ betekent dat de verwatering (artikel 47, lid 1, onder b)) gecombineerd wordt met een 'intrekking' of 'overdracht' (artikel 47, lid 1, onder a)) zonder dat de instrumenten volledig ingetrokken of overgedragen worden (met andere woorden, de aandeelhouders en de eigenaars van andere instrumenten behouden een deel van de waarde). Een gedeeltelijke overdracht kan ook uitgevoerd worden via een aandelensplitsing om nieuwe aandelen te creëren die overgedragen worden aan houders van kapitaalinstrumenten of schuldeisers. 5 Als dat het geval is, zouden ze bijna zeker ook een positieve handelswaarde hebben , omdat bij een afwikkeling er gewoonlijk meer waarde wordt behouden dan bij insolventie.
|