|
+15.6 Retentiebeleid |
15.6 Retentiebeleid285.De retentieperiode die wordt toegepast op variabele beloning die in instrumenten wordt uitbetaald, dient op een voldoende lange duur te worden vastgesteld om stimulansen af te stemmen op de belangen van de instelling op langere termijn. 286.De instelling dient te kunnen uitleggen hoe het retentiebeleid zich verhoudt tot andere risicoafstemmingsmaatregelen en hoe hierin onderscheid wordt gemaakt tussen direct uitgekeerde instrumenten en uitgestelde instrumenten. 287.Wanneer instellingen de retentieperiode vaststellen, dienen zij de totale duur van het uitstel en de geplande retentieperiode in aanmerking te nemen, evenals de invloed van de categorie aangewezen personeelsleden op het risicoprofiel van de instelling en de lengte van de voor deze categorie personeelsleden relevante bedrijfscyclus. 288.In gevallen waarin prestatiegerelateerde risico’s zich kunnen voordoen na afloop van de uitstelperiode en standaard retentieperiode, dient, ten minste voor de personeelsleden met de grootste invloed op het risicoprofiel van de instelling, te worden overwogen een langere retentieperiode toe te passen dan die welke over het algemeen voor alle aangewezen personeelsleden wordt toegepast. 289.Voor toegekende instrumenten dient een retentieperiode van ten minste een jaar te worden vastgesteld. Er dienen met name langere perioden te worden vastgesteld wanneer risicoaanpassingen achteraf voornamelijk afhankelijk zijn van veranderingen in de waarde van toegekende instrumenten. Wanneer de uitstelperiode ten minste vijf jaar is, kan een retentieperiode voor het uitgestelde deel van ten minste zes maanden worden opgelegd aan aangewezen personeelsleden, met uitzondering van leden van het leidinggevend orgaan en hogere leidinggevenden, voor wie een retentieperiode van ten minste een jaar wordt vastgesteld. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|