+4. Richtsnoeren betreffende de criteria voor de vaststelling van het minimumgeldbedrag van de BAV of andere vergelijkbare waarborg
---+Richtsnoer 1: Beroepsaansprakelijkheidsverzekering en vergelijkbare waarborg
---+Richtsnoer 2: Criteria en indicatoren
---+Richtsnoer 3: Formule
---+Richtsnoer 4: Publicatie
---+Richtsnoer 5: Berekening van het risicoprofielcriterium
---+Richtsnoer 6: Berekening van het activiteitstypecriterium
---+Richtsnoer 7: Berekening van het activiteitsomvangscriterium
---+Richtsnoer 8: Vergelijkbare-waarborgcriterium
---+Richtsnoer 9: Toetsing

4. Richtsnoeren betreffende de criteria voor de vaststelling van het minimumgeldbedrag van de BAV of andere vergelijkbare waarborg

4. Richtsnoeren betreffende de criteria voor de vaststelling van het minimumgeldbedrag van de BAV of andere vergelijkbare waarborg

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Richtsnoer 1: Beroepsaansprakelijkheidsverzekering en vergelijkbare waarborg

1.1 Bevoegde autoriteiten beschouwen de BAV en vergelijkbare waarborgen als elkaar wederzijds uitsluitend en eisen van ondernemingen die een vergunning of registratie aanvragen dat zij beschikken over ofwel een BAV ofwel een vergelijkbare waarborg.

1.2 Bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de BAV of vergelijkbare waarborg waarover ondernemingen beschikken ten behoeve van artikel 5, leden 2 en 3, van PSD2, hun aansprakelijkheden als volgt dekt:

  • (a) in het geval van ondernemingen die een vergunning aanvragen voor het aanbieden van BID, de aansprakelijkheden die worden gespecificeerd in de artikelen 73, 89, 90 en 92 van PSD2;
  • (b) in het geval van ondernemingen die een registratie aanvragen voor het aanbieden van RID, aansprakelijkheden tegenover de aanbieders van rekeninghoudende betalingsdienstaanbieders (RBDA's) of betalingsdienstgebruikers als gevolg van niet-toegestane of frauduleuze toegang tot of niet-toegestaan of frauduleus gebruik van betaalrekeninginformatie;
  • (c) in het geval van ondernemingen die een vergunning aanvragen voor het aanbieden van BID en RID, de aansprakelijkheden die worden genoemd in de punten (a) en (b) van dit richtsnoer.

1.3 Bevoegde autoriteiten zorgen er ook voor dat het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg de kosten en uitgaven dekt van betalingsdienstgebruikers en RBDA's die ondernemingen verzoeken verliezen terug te betalen die voortvloeien uit een of meer van de aansprakelijkheden als bedoeld in artikel 5, leden 2 en 3, van PSD2.

1.4 Bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg de ondernemingen in staat stelt op effectieve wijze te voldoen aan hun aansprakelijkheden in verband met hun activiteiten, door te verifiëren dat de BAV of vergelijkbare waarborg geen eigen risico of drempel heeft die nadelig kan zijn voor terugbetalingen naar aanleiding van verzoeken om terugbetaling van betalingsdienstgebruikers en RBDA's, en dat deze geldig is op het moment dat de aansprakelijkheid zich voordoet.

1.5 Bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg geldt voor de grondgebieden waar ondernemingen diensten aanbieden, ongeacht de landen waar hun gebruikers zijn gevestigd of de plaats waar de diensten worden verleend.

Richtsnoer 2: Criteria en indicatoren

2. 1 Wanneer bevoegde autoriteiten het minimumgeldbedrag vaststellen van de BAV of de vergelijkbare waarborg waarover ondernemingen moeten beschikken, gebruiken zij daarvoor de volgende criteria en indicatoren:

  • a. het risicoprofielcriterium:
i. ii. iii.de waarde van verzoeken om terugbetaling die de onderneming heeft ontvangen voor de in artikel 5, leden 2 en 3, van PSD2 bedoelde aansprakelijkheden; het aantal betalingstransacties dat is geïnitieerd door een onderneming die BID aanbiedt; het aantal betaalrekeningen waartoe een onderneming die RID aanbiedt, toegang heeft;
  • b. het activiteitstypecriterium:
i. ii. iii.of de onderneming uitsluitend BID of uitsluitend RID aanbiedt of beide; of de onderneming andere betalingsdiensten aanbiedt als bedoeld in bijlage I bij PSD2; of de onderneming zich bezighoudt met andere activiteiten dan betalingsdiensten;
  • c. het activiteitsomvangscriterium:
d. heti. ii. vergelijkbare-waarborgcriterium: i. ii.voor ondernemingen die BID aanbieden, de waarde van de geïnitieerde transacties; voor ondernemingen die RID aanbieden, het aantal cliënten dat gebruikmaakt van de RID; specifieke kenmerken van de vergelijkbare waarborg; triggers voor de tenuitvoerlegging van de vergelijkbare waarborg.
Richtsnoer 3: Formule

3.1 Bevoegde autoriteiten gebruiken de volgende formule om het minimumgeldbedrag te berekenen van de BAV of de vergelijkbare waarborg waarover ondernemingen moeten beschikken:

Minimumgeldbedrag Bedrag dat het Bedrag dat het Bedrag dat het van BAV risicoprofiel- activiteitstype- activiteitsomvangs- of vergelijkbare = criterium + criterium + criterium

waarborg weerspiegelt weerspiegelt weerspiegelt

3.2 Om het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg te berekenen, vullen bevoegde autoriteiten voor de indicatoren onder elk criterium de waarden in die worden gespecificeerd in de richtsnoeren 5 tot en met 7. Zij berekenen het bedrag dat elk criterium afzonderlijk weerspiegelt, door de bedragen van de indicatoren bij elkaar op te tellen, en gebruiken de uitkomsten daarvan in de formule.

3.3 Waarden in deze richtsnoeren luiden in euro's. In lidstaten met een andere officiële valuta dan de euro kunnen bevoegde autoriteiten de bedragen die de criteria weerspiegelen, omrekenen naar het equivalent in de nationale valuta.

3.4 Het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg dat wordt berekend door bevoegde autoriteiten, en derhalve ook door ondernemingen die een vergunning of registratie aanvragen, wordt uitgedrukt in een bedrag per jaar.

Richtsnoer 4: Publicatie

4.1 Bevoegde autoriteiten stellen de criteria, de indicatoren en de formule openbaar beschikbaar in hun rechtsgebied, zodat ondernemingen in staat zijn het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg te berekenen voordat zij een vergunning of registratie aanvragen.

Richtsnoer 5: Berekening van het risicoprofielcriterium

Waarde van ontvangen verzoeken om terugbetaling

5.1 Wanneer bevoegde autoriteiten de waarde van de indicator 'ontvangen verzoeken om terugbetaling’ berekenen, gebruiken zij de totale waarde van alle verzoeken om terugbetaling die de gebruikers van de betalingsdienst van de onderneming en RBDA's in de voorgaande 12 kalendermaanden hebben ingediend wegens verliezen als gevolg van een of meer van de in artikel 5, leden 2 en 3, van PSD2 bedoelde aansprakelijkheden.

5.2 Als in de voorgaande 12 maanden geen verzoeken om terugbetaling bij de onderneming zijn ingediend, stellen bevoegde autoriteiten de waarde voor deze indicator in de formule op 0.

5.3 Voor ondernemingen die in de voorgaande 12 maanden op geen enkel tijdstip diensten hebben aangeboden, gebruiken bevoegde autoriteiten de totale waarde van alle verzoeken om terugbetaling die de onderneming heeft geprognosticeerd ten behoeve van haar vergunnings-/registratieaanvraag.

5.4 Als de onderneming geen prognoses verstrekt betreffende verzoeken om terugbetaling, of als het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de geprognosticeerde totale waarde van verzoeken om terugbetaling lager is dan 50 000 EUR, stellen bevoegde autoriteiten de waarde voor deze indicator in de formule op 50 000.

Aantal betalingstransacties dat is geïnitieerd door ondernemingen die BID aanbieden

5.5 Bevoegde autoriteiten berekenen de waarde van de indicator ‘aantal geïnitieerde betalingstransacties’ als de som van de volgende elementen, waarbij N staat voor het aantal betalingstransacties dat de onderneming in de voorgaande 12 maanden heeft geïnitieerd:

  • (a) 40% van het gedeelte van N tot en met 10 000 geïnitieerde betalingen;

plus

  • (b) 25% van het gedeelte van N boven 10 000 geïnitieerde betalingen tot en met 100 000 geïnitieerde betalingen;

plus

  • (c) 10% van het gedeelte van N boven 100 000 geïnitieerde betalingen tot en met 1 miljoen geïnitieerde betalingen;

plus

  • (d) 5% van het gedeelte van N boven 1 miljoen geïnitieerde betalingen tot en met 10 miljoen geïnitieerde betalingen;

plus

  • (e) 0,025% van het gedeelte van N boven 10 miljoen geïnitieerde betalingen. 5.6 Voor ondernemingen die in de voorgaande 12 maanden op geen enkel tijdstip diensten hebben aangeboden, gebruiken bevoegde autoriteiten het aantal geïnitieerde betalingstransacties dat de onderneming heeft geprognosticeerd ten behoeve van haar vergunningsaanvraag.

5.7 Als de onderneming geen prognoses verstrekt betreffende het aantal geïnitieerde betalingstransacties, of als het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het geprognosticeerde aantal geïnitieerde betalingstransacties lager is dan 50 000, stellen bevoegde autoriteiten de waarde voor deze indicator in de formule op 50 000.

Aantal betaalrekeningen waartoe een onderneming die RID aanbiedt, toegang heeft

5.8 Bevoegde autoriteiten berekenen de waarde van de indicator ‘aantal betaalrekeningen waartoe een onderneming toegang heeft’ als de som van de volgende elementen, waarbij N staat voor het aantal verschillende betaalrekeningen waartoe een onderneming die RID aanbiedt, in de voorgaande 12 maanden toegang heeft gehad:

  • (a) 40% van het gedeelte van N tot en met 10 000 rekeningen;

plus

  • (b) 25% van het gedeelte van N boven 10 000 rekeningen tot en met 100 000 rekeningen;

plus

  • (c) 10% van het gedeelte van N boven 100 000 rekeningen tot en met 1 miljoen rekeningen;

plus

  • (d) 5% van het gedeelte van N boven 1 miljoen rekeningen tot en met 10 miljoen rekeningen;

plus

  • (e) 0,025% van het gedeelte van N boven 10 miljoen rekeningen.

5.9 Voor ondernemingen die in de voorgaande 12 maanden op geen enkel tijdstip diensten hebben aangeboden, gebruiken bevoegde autoriteiten het aantal betaalrekeningen waarvan de onderneming ten behoeve van haar registratie- of vergunningsaanvraag heeft geprognosticeerd dat zij er toegang toe zal hebben.

5.10 Als de onderneming geen prognoses verstrekt betreffende het aantal betaalrekeningen waartoe zij toegang zal hebben, of als het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het geprognosticeerde aantal betaalrekeningen lager is dan 50 000, stellen bevoegde autoriteiten de waarde voor deze indicator in de formule op 50 000.

Richtsnoer 6: Berekening van het activiteitstypecriterium

6.1 Bevoegde autoriteiten stellen de waarde van deze indicator in de formule op 0 voor ondernemingen die uitsluitend een vergunning aanvragen voor het aanbieden van BID.

6.2 Bevoegde autoriteiten stellen de waarde van deze indicator in de formule op 0 voor ondernemingen die uitsluitend registratie aanvragen voor het aanbieden van RID.

6.3 Als een onderneming een vergunning aanvraagt voor het aanbieden van zowel BID als RID, berekenen bevoegde autoriteiten het minimumgeldbedrag voor elke dienst afzonderlijk en tellen zij de uitkomsten daarvan op om het minimumgeldbedrag voor beide diensten te verkrijgen. Bovendien zorgen bevoegde autoriteiten ervoor dat de BAV of vergelijkbare waarborgregeling zowel de aangeboden BID als RID dekt en de verschillende aansprakelijkheden weerspiegelt die worden genoemd in respectievelijk de leden 2 en 3 van artikel 5 van PSD2.

6.4 Als een onderneming naast BID of RID, of beide, een andere betalingsdienst aanbiedt als bedoeld in de punten 1 tot en met 6 van bijlage I bij PSD2, berekenen bevoegde autoriteiten het minimumgeldbedrag van de BAV of vergelijkbare waarborg voor het aanbieden van BID of RID of beide, onverminderd de vereisten ten aanzien van de berekening van het aanvangskapitaal overeenkomstig artikel 7 van PSD2 en/of het eigen vermogen overeenkomstig artikel 9 van PSD2.

6.5 Als een onderneming zich ook bezighoudt met andere activiteiten dan het aanbieden van betalingsdiensten als bedoeld in bijlage I bij PSD2 (niet met betalingsdiensten verband houdende werkzaamheden), tellen bevoegde autoriteiten in de formule een waarde van 50 000 op bij de vereiste waarden voor het type activiteit dat de onderneming wil aanbieden.

6.6 Als een onderneming die zich bezighoudt met andere, niet met betalingsdiensten verband houdende werkzaamheden, echter kan aantonen dat deze bezigheden geen gevolgen hebben voor het aanbieden van BID/RID, hetzij omdat zij beschikt over een waarborg die de aansprakelijkheden dekt die voortvloeien uit de andere, niet met betalingsdiensten verband houdende werkzaamheden, hetzij omdat de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 11, lid 5, van PSD2, de onderneming heeft verzocht een aparte entiteit op te zetten voor de betalingsdienstverlening, stellen bevoegde autoriteiten de waarde in de formule op 0.

Richtsnoer 7: Berekening van het activiteitsomvangscriterium

7.1 Bevoegde autoriteiten berekenen het bedrag dat de omvang van de activiteit weerspiegelt voor een onderneming die BID aanbiedt, als de som van de volgende elementen, waarbij N staat voor de totale waarde van alle transacties die de onderneming in de voorgaande 12 maanden heeft geïnitieerd:

  • (a) 40% van het gedeelte van N tot en met 500 000 EUR

plus

  • (b) 25% van het gedeelte van N boven 500 000 EUR tot en met 1 miljoen EUR;

plus

  • (c) 10% van het gedeelte van N boven 1 miljoen EUR tot en met 5 miljoen EUR;

plus

  • (d) 5% van het gedeelte van N boven 5 miljoen EUR tot en met 10 miljoen EUR;

plus

  • (e) 0,025% van het gedeelte van N boven 10 miljoen EUR.

7.2 Bevoegde autoriteiten berekenen het bedrag dat de omvang van de activiteit weerspiegelt voor een onderneming die RID aanbiedt, als de som van de volgende elementen, waarbij N staat voor het aantal gebruikers van de RID (cliënten) dat in de voorgaande 12 maanden gebruik heeft gemaakt van de RID, waarbij elke cliënt afzonderlijk in aanmerking wordt genomen:

  • (a) 40% van het gedeelte van N tot en met 100 cliënten;

plus

  • (b) 25% van het gedeelte van N boven 100 cliënten tot en met 10 000 cliënten;

plus

  • (c) 10% van het gedeelte van N boven 10 000 cliënten tot en met 100 000 cliënten;

plus

  • (d) 5% van het gedeelte van N boven 100 000 cliënten tot en met 1 miljoen cliënten;

plus

  • (e) 0,025% van het gedeelte van N boven 1 miljoen cliënten. 7.3 Voor ondernemingen die in de voorgaande 12 maanden geen diensten hebben aangeboden, gebruiken bevoegde autoriteiten in het geval van een onderneming die BID aanbiedt, de waarde van alle geïnitieerde transacties, en in het geval van een onderneming die RID aanbiedt, het aantal cliënten als geprognosticeerd door de onderneming ten behoeve van haar vergunning/registratie.

7.4 Als de onderneming geen prognoses verstrekt betreffende – in het geval van een onderneming die BID aanbiedt – de waarde van alle geïnitieerde transacties of – in het geval van een onderneming die RID aanbiedt – het aantal cliënten, of als het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van – in het geval van een onderneming die BID aanbiedt – de geprognosticeerde waarde van alle geïnitieerde transacties of – in het geval van een onderneming die RID aanbiedt – het aantal cliënten, lager is dan 50 000, stellen bevoegde autoriteiten de waarde voor deze indicatoren in de formule op 50 000.

Richtsnoer 8: Vergelijkbare-waarborgcriterium

8.1 Bevoegde autoriteiten eisen dat ondernemingen beschikken over ofwel een BAV ofwel een vergelijkbare waarborg.

Richtsnoer 9: Toetsing

9.1 Bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat ondernemingen ten minste eenmaal per jaar het minimumgeldbedrag van hun BAV of vergelijkbare waarborg toetsen en zo nodig herberekenen.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/