6. Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde respondentinstellingen uit een derde land, moeten kredietinstellingen en financiële instellingen:
|
a)
|
afzien van het aangaan van nieuwe zakelijke relaties met de respondentinstelling uit een derde land, tenzij zij op basis van de uit hoofde van artikel 36 of 37 verzamelde informatie tot de conclusie komen dat de risicobeperkende maatregelen die worden toegepast op de zakelijke relatie met de respondentinstelling uit een derde land en de maatregelen die binnen de respondentinstelling van een derde land van kracht zijn, de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering in verband met die zakelijke relatie adequaat kunnen beperken;
|
|
b)
|
voor lopende zakelijke relaties met de respondentinstelling uit een derde land:
|
i)
|
de informatie over de respondentinstelling evalueren en actualiseren op grond van artikel 36 of artikel 37;
|
|
ii)
|
de zakelijke relatie beëindigen, tenzij zij op basis van de uit hoofde van punt i) verzamelde informatie tot de conclusie komen dat de risicobeperkende maatregelen die worden toegepast op de zakelijke relatie met de respondentinstelling uit een derde land en de maatregelen die binnen de respondentinstelling van een derde land van kracht zijn, de risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering in verband met die zakelijke relatie adequaat kunnen beperken;
|
|
|
c)
|
de respondentinstelling in kennis stellen van de conclusies die zij hebben getrokken met betrekking tot de risico’s van de correspondentrelatie naar aanleiding van de aanbeveling van de AMLA en de op grond van punt a) of punt b) genomen maatregelen.
|
Indien de AMLA een aanbeveling op grond van lid 5 heeft ingetrokken, evalueren de kredietinstellingen en financiële instellingen hun beoordeling of de respondentinstellingen uit een derde land aan een van de in lid 3 vastgelegde voorwaarden voldoen.