|
+14. De procedure voor risicoafstemming |
14. De procedure voor risicoafstemming213.De procedure voor risicoafstemming omvat de procedure voor de meting van prestaties en risico’s (hoofdstuk 14.1); de procedure voor toekenning (hoofdstuk 14.2) en de procedure voor uitbetaling (hoofdstuk 15). In iedere fase van de risicoafstemmingsprocedure dient de variabele beloning te worden aangepast aan alle bestaande en toekomstige risico’s die worden aangegaan. Instellingen behoren ervoor te zorgen dat stimulansen om risico’s te nemen in evenwicht zijn met stimulansen om risico’s te beheersen. 214.Instellingen dienen de tijdshorizon van de meting van risico’s en prestaties in overeenstemming te brengen met de bedrijfscyclus van de instelling in een meerjarig kader. Instellingen dienen een passende duur vast te stellen voor de opbouwperiode en de uitbetaalperioden voor beloning en maken daarbij onderscheid tussen beloning die direct wordt betaald en beloning die wordt betaald na uitstel- en retentieperioden. Bij het bepalen van de opbouw- en uitbetaalperioden dient rekening te worden gehouden met de bedrijfsactiviteit en de positie van de categorie aangewezen personeelsleden of, in uitzonderingsgevallen, van een individueel aangewezen personeelslid. 215.Binnen de procedure voor risicoafstemming dient in alle fasen een passende combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve criteria in de vorm van absolute en relatieve criteria te worden gebruikt om te waarborgen dat alle risico’s, prestaties en noodzakelijke risicoaanpassingen worden weerspiegeld. De instelling dient absolute prestatiemaatstaven vast te stellen op basis van haar strategie, met inbegrip van haar risicoprofiel en risicobereidheid. Relatieve prestatiemaatstaven dienen te worden vastgesteld om prestaties te vergelijken met die van collega’s, hetzij “intern” (d.w.z. binnen de organisatie), hetzij “extern” (d.w.z. vergelijkbare instellingen). De kwantitatieve en kwalitatieve criteria en de toegepaste procedures dienen transparant en, voor zover mogelijk, vooraf gedefinieerd te zijn. Bij zowel kwantitatieve als kwalitatieve criteria mag deels op eigen inschatting worden afgegaan. 216.Wanneer een op inschatting gebaseerde aanpak wordt gebruikt, dienen instellingen zorg te dragen voor voldoende transparantie en objectiviteit bij de inschattingen. Daartoe dienen zij:
217.Instellingen dienen de risicoafstemmingsprocedure transparant te maken voor aangewezen personeelsleden, met inbegrip van onderdelen die zijn gebaseerd op persoonlijke beoordeling in plaats van objectieve feiten of gegevens. 218.Instellingen dienen gedetailleerde informatie te verstrekken aan de beloningscommissie of de toezichthoudende functie ingeval de definitieve uitkomst na toepassing van inschattingselementen significant afwijkt van de aanvankelijke uitkomst op basis van vooraf vastgestelde maatstaven. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|