2. Voor de toepassing van lid 1 beoordelen meldingsplichtige entiteiten de transacties of activiteiten die hun cliënten uitvoeren, op basis van en tegen alle relevante feiten en informatie waarvan zij kennis hebben of waarover zij beschikken. Indien nodig geven meldingsplichtige entiteiten voorrang aan hun beoordeling, rekening houdend met de urgentie van de transactie of activiteit en de risico’s die invloed hebben op de lidstaat waarin zij zijn gevestigd.
Een vermoeden op grond van lid 1, punt a), is gebaseerd op de kenmerken van de cliënt en diens tegenhangers, de omvang en aard van de transactie of activiteit of de methoden en patronen daarvan, het verband tussen verschillende transacties of activiteiten, de herkomst, de bestemming of het gebruik van geldmiddelen, of alle andere omstandigheden waarvan de meldingsplichtige entiteit kennis heeft, met inbegrip van de consistentie van de transactie of activiteit met de informatie verkregen op grond van Hoofdstuk III, waaronder het risicoprofiel van de cliënt.