+112. Wanneer instellingen ten behoeve van renterisicobeheer gedragsaannamen doen met betrekking tot …
|
112. Wanneer instellingen ten behoeve van renterisicobeheer gedragsaannamen doen met betrekking tot …
Wanneer instellingen ten behoeve van renterisicobeheer gedragsaannamen doen met betrekking tot rekeningen zonder specifieke renteherzieningsdata: - (a) dienen zij in staat te zijn “kern”saldi te identificeren, d.w.z. deposito’s die stabiel zijn en waarvan het onwaarschijnlijk is dat de rente wordt herzien, zelfs bij significante veranderingen in het renteklimaat, en/of andere deposito’s waarvan de beperkte elasticiteit voor renteveranderingen door banken zou kunnen worden gemodelleerd;
- (b) dienen zij ervoor te zorgen dat modelleringsaannamen voor deze deposito’s de kenmerken van de deposant (bijv. retail/wholesale) en de kenmerken van de rekening (bijv. transactioneel/niet-transactioneel) weerspiegelen. Hieronder volgt een beschrijving op hoog niveau van de genoemde categorieën:
- i. Transactionele retaildeposito’s omvatten niet-rentedragende en andere retailrekeningen waarvan de beloningscomponent niet relevant is voor de beslissing van de cliënt om geld op de rekening te houden.
- ii. Niet-transactionele retaildeposito’s omvatten retailrekeningen (waaronder gereguleerde retailrekeningen) waarvan de beloningscomponent relevant is voor de beslissing van de cliënt om geld op de rekening te houden.
- iii. Wholesaledeposito’s omvatten rekeningen van bedrijven en andere wholesalecliënten, met uitzondering van interbancaire rekeningen of andere volledig rentegevoelige rekeningen;
- (c) beoordelen zij de potentiële migratie tussen deposito’s zonder specifieke renteherzieningsdata en andere deposito’s die onder verschillende rentescenario’s zouden kunnen leiden tot een verandering van kernaannamen voor gedragsmodellering;
- (d) nemen zij potentiële beperkingen voor de renteherziening van retaildeposito’s in een klimaat met een lage of negatieve rente in beschouwing en het effect dat dergelijke beperkingen kunnen hebben op de stabiliteit van deposito’s in verschillende rentescenario’s;
- (e) zorgen zij ervoor dat aannamen over de vermindering van kern- en andere gemodelleerde saldi prudent zijn en uitgaan van een passende balans tussen de voordelen voor de netto-renteopbrengsten en het extra risico voor de economische waarde als gevolg van het vastzetten van toekomstig renterendement op de met deze saldi gefinancierde activa en de potentiële inkomstenderving in een situatie van stijgende rentetarieven;
- (f) baseren zij zich niet uitsluitend op statistische of kwantitatieve methoden om de door gedrag tot stand gekomen renteherzieningsdata en het kasstroomprofiel van DzVL’s vast te stellen. Bovendien kan de bepaling van passende modelleringsaannamen voor DzVL’s samenwerking van verschillende experts binnen een instelling vereisen (bijv. afdeling risicobeheer en risicocontrole, verkoop en financiën);
- (g) beschikken zij over passende documentatie van deze aannamen in hun beleid en procedures, en over een procedure voor de continue toetsing daarvan;
- (h) hebben zij inzicht in de impact van de aannamen op de risicometingsoutputs die de instelling zelf heeft gekozen en op interne besluiten over kapitaaltoewijzing, onder meer door periodiek gevoeligheidsanalyses uit te voeren voor kernparameters (bijv. percentage en looptijd van kernsaldi op rekeningen en doorwerking), en in de metingen met contractuele looptijden in plaats van gedragsaannamen, om de impact van aannamen op de diverse metingen van IRRBB metingen te isoleren;
- (i) voeren zij stresstests uit om inzicht te krijgen in de gevoeligheid van de gekozen risicometingen voor veranderingen in essentiële aannamen, en houden zij bij besluiten over de interne toewijzing van kapitaal rekening met de uitkomsten van die stresstests.
1. Overzicht
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|