+15. Bevoegde autoriteiten mogen niet worden belet te oordelen dat een beleggingsondernemingsgroep …

15. Bevoegde autoriteiten mogen niet worden belet te oordelen dat een beleggingsondernemingsgroep …

Bevoegde autoriteiten mogen niet worden belet te oordelen dat een beleggingsondernemingsgroep die niet voldoet aan de criteria van afdeling 4.2, voor de toepassing van artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 geen significant risico vormt voor cliënten of de markt, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • (a) de overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten blijven voldoende dicht bij de overeenkomstig artikel 7 van die verordening berekende eigenvermogensvereisten, met een indicatief percentage dat hoger ligt dan 90 % van laatstgenoemde vereisten.
  • (b) geen van de ondernemingen binnen de beleggingsondernemingsgroep, met inbegrip van groepsondernemingen die gevestigd zijn in derde landen, heeft uitstaande emissies van aandelen of schuldinstrumenten die niet zijn genoteerd op een gereglementeerde beurs en die worden aangehouden door niet-professionele cliënten in de EU, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn (EU) 2014/65; dit criterium is niet van toepassing op de eigenaren van de meerderheid van de stemrechten, managers en werknemers van een van de ondernemingen van de beleggingsondernemingsgroep;
  • (c) er is maximaal één onderneming binnen de groep die een clearinglid is, als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 3, van Verordening (EU) 2019/2033;
  • (d) indien een of meer ondernemingen van de groep voor andere ondernemingen van de groep onder K-NPR of K-TCD vallende posities hedgen door middel van interne overeenkomsten inzake risico-overdracht, zijn er binnen de groep toereikende organisatorische regelingen en voldoende risicobeheersingsfuncties die evenredig zijn aan de omvang van de beleggingsondernemingsgroep en het risico dat wordt beheerd door de ondernemingen die deze posities hedgen. Dit geldt ook voor het totale risico dat voortkomt uit de handelsposities van de beleggingsondernemingsgroep en de daarbij behorende dekkingen, als dit niet efficiënter zou worden gecontroleerd volgens het prudentiële consolidatiekader;
  • (e) indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat een beleggingsondernemingsgroep een voldoende eenvoudige structuur heeft maar niet voldoet aan de criteria van paragraaf 14, punt a), of paragraaf 14, punt c), blijven de overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten voldoende dicht bij de overeenkomstig artikel 7 van die verordening berekende eigenvermogensvereisten, tegen een indicatief percentage dat groter is dan 95 % van laatstgenoemde vereisten. Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat een beleggingsondernemingsgroep een voldoende eenvoudige structuur heeft maar niet voldoet aan een van de criteria van paragraaf 14, punt a) of c), dienen de overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten bij voorkeur ten minste gelijk te zijn aan de eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig artikel 7 van die verordening.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/