+4.5 Uitbijtertest van de toezichthouder
---+113. Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact op hun EEV van een …
---+114. Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact van renteschokken op hun …
---+115. Wanneer instellingen de veranderingen in de EEV berekenen voor de in de punten 113 en 114 …
---+116. Wanneer instellingen de effecten van de standaard EEV-uitbijtertest berekenen, gebruiken zij …
|
4.5 Uitbijtertest van de toezichthouder
4.5 Uitbijtertest van de toezichthouder
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
113. Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact op hun EEV van een …
|
Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact op hun EEV van een plotselinge parallelle verschuiving van de rendementscurve met +/-200 basispunten. Instellingen melden regelmatig, ten minste jaarlijks, de verandering in EEV die uit de berekening naar voren komt, aan de bevoegde autoriteit. Wanneer de daling van de EEV groter is dan 20% van het eigen vermogen van de instelling, stelt de instelling de bevoegde autoriteit daar onmiddellijk van op de hoogte.
|
|
114. Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact van renteschokken op hun …
|
Instellingen berekenen regelmatig, ten minste elk kwartaal, de impact van renteschokken op hun EEV, door toepassing van de scenario's 1 tot 6 als omschreven in bijlage III. Instellingen melden regelmatig, ten minste jaarlijks, via het ICAAP-verslag, de verandering in EEV die uit de berekening naar voren komt, aan de bevoegde autoriteit. Wanneer de daling van de EEV onder een van de zes scenario's groter is dan 15% van het tier 1-kapitaal van de instelling, stelt de instelling de bevoegde autoriteit daar onmiddellijk van op de hoogte.
|
|
115. Wanneer instellingen de veranderingen in de EEV berekenen voor de in de punten 113 en 114 …
|
Wanneer instellingen de veranderingen in de EEV berekenen voor de in de punten 113 en 114 beschreven doelen, passen zij in het bijzonder de volgende beginselen toe: - (a) Alle posities uit rentegevoelige instrumenten worden in aanmerking genomen.
- (b) Kleine handelsportefeuilleactiviteiten worden meegenomen, tenzij het renterisico daarvan is opgenomen in een andere risicometing.
- (c) Alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten en ander eeuwigdurend eigen vermogen zonder enige vervaldatum wordt uitgesloten van de berekening van de standaard EEV-uitbijtertest.
- (d) Instellingen nemen automatische en gedragsopties op in de berekening. Instellingen passen essentiële gedragsmodelleringsaannames aan aan de kenmerken van verschillende rentescenario's.
- (e) Pensioenverplichtingen en pensioenplanactiva worden meegenomen, tenzij het renterisico daarvan is opgenomen in een andere risicometing.
- (f) In de kasstromen uit rentegevoelige instrumenten worden ook eventuele aflossingen van de hoofdsom, renteherzieningen van de hoofdsom en rentebetalingen opgenomen.
- (g) Instellingen met een NRB-ratio8 van 2% of meer nemen NRB's op als algemene rentegevoelige instrumenten. De modellering daarvan weerspiegelt de verwachte kasstromen en de timing daarvan. NRB's worden opgenomen na aftrek van voorzieningen.
- (h) Instellingen houden rekening met instrumentspecifieke rentedrempels.
- (i) De behandeling van commerciële marges en andere spreadcomponenten in rentebetalingen in termen van de uitsluiting hiervan uit of de opname hiervan in de kasstromen is in overeenstemming met de interne beheer- en meetbenadering van de instelling voor renterisico buiten de handelsportefeuille. Instellingen stellen de bevoegde autoriteit ervan op de hoogte of zij commerciële marges en andere spreadcomponenten wel of niet uitsluiten van de berekening. Als commerciële marges en andere spreadcomponenten worden uitgesloten, (i) gebruiken instellingen een transparante methode voor de vaststelling van de risicovrije rente bij de aanvang van elk instrument; (ii) gebruiken instellingen een methode die consistent wordt toegepast in alle bedrijfseenheden; en (iii) zorgen instellingen ervoor dat de uitsluiting van commerciële marges en andere spreadcomponenten van de kasstroom in overeenstemming is met de manier waarop de instelling IRRBB beheert en afdekt.
- (j) De verandering van de EEV wordt berekend met de aanname van een afbouwbalans.
- (k) Voor elke valuta wordt een looptijdafhankelijke post-schok rente-ondergrens toegepast, te beginnen met -100 basispunten bij een onmiddellijke vervaldag. Deze ondergrens wordt verhoogd met 5 basispunten per jaar en komt ten slotte uit op 0% voor looptijden van 20 jaar en meer. Als waargenomen rentes lager zijn dan de actuele onderste referentierente van -100 basispunten, passen instellingen de laagste waargenomen rente toe9 .
- (l) Instellingen berekenen de verandering in EEV voor elke valuta waarbij de in die valuta luidende activa of passiva 5% of meer bedragen van de totale financiële activa (materiële vaste activa niet meegerekend) of passiva buiten de handelsportefeuille, of minder dan 5% als de som van de in de berekening opgenomen activa of passiva minder bedraagt dan 90% van de totale financiële activa (materiële vaste activa niet meegerekend) of passiva buiten de handelsportefeuille (materiële posities).
- (m) Bij de berekening van de geaggregeerde verandering van de EEV voor elk renteschokscenario tellen instellingen alle negatieve en positieve veranderingen van de EEV in elke valuta bij elkaar op. Positieve veranderingen krijgen een weging van 50%.
- (n) Er wordt een passende algemene ‘risicovrije’ rendementscurve per valuta toegepast (bijv. swaprentecurves). Instrumentspecifieke of entiteitspecifieke kredietspreads of liquiditeitsspreads worden niet in die curve opgenomen.
- (o) De veronderstelde door gedrag tot stand gekomen renteherzieningsdatum voor retail- en niet-financiële wholesaledeposito's zonder specifieke renteherzieningsdata (deposito's zonder vaste looptijd) worden beperkt tot een maximum gemiddelde van 5 jaar. Het plafond van 5 jaar geldt afzonderlijk voor elke valuta. Deposito's zonder vaste looptijd van financiële instellingen worden niet onderworpen aan gedragsmodellering.
8 Verhouding van niet-renderende blootstellingen (niet-renderende schuldtitels en leningen en voorschotten/totale bruto schuldtitels en leningen en voorschotten) berekend op het niveau van de instelling. 9 EBA kan overwegen deze ondergrens te herzien om te waarborgen dat de onderste referentierente prudent genoeg is gegeven toekomstige rente-ontwikkelingen.
|
|
116. Wanneer instellingen de effecten van de standaard EEV-uitbijtertest berekenen, gebruiken zij …
|
Wanneer instellingen de effecten van de standaard EEV-uitbijtertest berekenen, gebruiken zij de berekeningsmethoden die worden uiteengezet onder de kop economische waarde van eigen vermogen in de bijlagen I en 2.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|