2. Financiële entiteiten meten de uitvaltijd van de dienst door een incident als bedoeld in artikel 18, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2022/2554, vanaf het moment dat de dienst geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar is voor cliënten, financiële tegenpartijen of andere interne of externe gebruikers tot het moment waarop de reguliere activiteiten of verrichtingen zijn hersteld tot het niveau van dienstverlening dat vóór het incident werd verleend. Wanneer de uitvaltijd van de dienst een vertraging in de dienstverlening veroorzaakt nadat de geregelde activiteiten of activiteiten zijn hersteld, wordt de uitvaltijd gemeten vanaf het begin van het incident tot het moment waarop die vertraagde dienst volledig wordt verleend.
Wanneer financiële entiteiten niet in staat zijn het tijdstip te bepalen waarop de dienst uitviel, meten zij de uitvaltijd van de dienst vanaf het moment dat deze werd ontdekt.