+Titel II – Richtsnoeren voor de identificatie van retaildeposito's met hogere uitstromen
---+Deel 1 – Algemene overwegingen
---+1. Bepaling van "vaste relatie waarbij opvraging zeer onwaarschijnlijk is"
---+4. Methodiek voor de identificatie van retaildepositoproducten met hogere uitstromen
---+Deel 2 – Factoren die van invloed zijn op de stabiliteit van retaildepositoproducten
---+5. De waarde van het retaildeposito
---+6. Producten die door rente worden bepaald of waarvoor preferentiële voorwaarden gelden
---+7. Vervallende deposito's met een vaste looptijd of een opzegtermijn
---+9. De valuta van deposito's
---+10. Deposito's van niet-ingezetenen
---+11. Aan een product gekoppelde deposito's
---+12. Overige kenmerken
---+Deel 3
---+13. Het bepalen van hogere uitstromen
|
Titel II – Richtsnoeren voor de identificatie van retaildeposito's met hogere uitstromen
Titel II – Richtsnoeren voor de identificatie van retaildeposito's met hogere uitstromen
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Deel 1 – Algemene overwegingen
|
Deel 1 – Algemene overwegingen
|
|
1. Bepaling van "vaste relatie waarbij opvraging zeer onwaarschijnlijk is"
|
Een retaildeposito moet worden gezien als deel van een vaste relatie voor liquiditeitsrapportage in het kader van een gecombineerd individueel en marktbreed stressscenario, wanneer de inlegger voldoet aan ten minste een van de volgende criteria: - a) heeft een actieve contractuele relatie met een minimumduur met de instelling,
- b) heeft een leenrelatie met de instelling voor hypotheekleningen of andere leningen met een lange looptijd, of
- c) heeft een minimumaantal actieve producten, anders dan leningen, bij de instelling.
2. Bepaling van "betaalrekening, met inbegrip van rekeningen waarop regelmatig lonen worden gecrediteerd" Een retaildeposito moet worden beschouwd als aangehouden op een betaalrekening wanneer op die rekening regelmatig lonen, inkomsten of transacties worden gecrediteerd en gedebiteerd. 3. Voor beide overwegingen in de leden 1 en 2 van deze titel II, deel 1, moeten instellingen beschikken over historische gegevens, met inbegrip van gegevens over het gedrag van inleggers, om de indeling van hun deposito's te onderbouwen. Blz. 5 van 10
|
|
4. Methodiek voor de identificatie van retaildepositoproducten met hogere uitstromen
|
4.1. Retaildeposito's moeten worden gegroepeerd in drie segmenten van deposito's met hogere uitstromen op basis van het aantal en de risicogevoeligheid van risicofactoren waaraan zij beantwoorden, onder andere die van onderstaand deel 2 van de richtsnoeren. De daarin opgenomen lijst van factoren is evenwel niet uitputtend en indien instellingen aanvullende criteria vaststellen die leiden tot hogere uitstromen, dienen zij die in hun analyse te verwerken. 4.2. Voor liquiditeitsrapportage dienen instellingen voor elk van deze segmenten de desbetreffende hogere uitstromen te schatten overeenkomstig onderstaand deel 3 van de richtsnoeren.
|
|
Deel 2 – Factoren die van invloed zijn op de stabiliteit van retaildepositoproducten
|
Deel 2 – Factoren die van invloed zijn op de stabiliteit van retaildepositoproducten
|
|
5. De waarde van het retaildeposito
|
5.1. Instellingen dienen deposito's als deposito's met een hoge waarde te beschouwen als zij voldoen aan de volgende voorwaarden: - a) de waarde is hoger dan het laagste van de volgende twee bedragen:
- i) 100 000 EUR of
- ii) het bedrag van het plaatselijke depositogarantiestelsel;
- b) de waarde is lager dan 500 000 EUR.
5.2. Instellingen dienen deposito's met een waarde van 500 000 EUR of meer als deposito's met een zeer hoge waarde te beschouwen. 5.3. Bij het bepalen van de waarde van de deposito's van een cliënt dienen instellingen alle bij hen aangehouden depositorekeningen van de cliënt in aanmerking te nemen. 5.4. Daarnaast dienen instellingen een concentratieanalyse van hun depositovolume uit te voeren; voor interne doeleinden dienen er adequate drempel- en/of grenswaarden te worden ingevoerd om retaildeposito's met een hoge waarde te definiëren. 5.5. Er zijn diverse methoden om de concentratie van het depositovolume vast te stellen. Zo kunnen instellingen een "bepaald aantal" grote retaildeposito's vaststellen, of het "aantal grootste retaildeposito's" dat een bepaald percentage van het volume retaildeposito's vertegenwoordigt. Om retaildeposito's met een hoge waarde vast te stellen, kunnen instellingen uitgaan van een drempelwaarde die is aangepast aan de plaatselijke markt voor het depositogarantiebedrag, het bedrag waarboven over de rente wordt onderhandeld of een speciale regeling met de inlegger die het risico van uitstromen kan beperken.
|
|
6. Producten die door rente worden bepaald of waarvoor preferentiële voorwaarden gelden
|
6.1. Een deposito moet worden beschouwd als door rente bepaald, als een instelling een rente biedt: - a) die aanmerkelijk hoger is dan de gemiddelde rente voor soortgelijke retailproducten van haar branchegenoten, gezien de specifieke kenmerken van de plaatselijke depositomarkt, of
Blz. 6 van 10 - b) waarvan het rendement wordt afgeleid van het rendement op een marktindex of reeks indices, of
- c) waarvan het rendement is afgeleid van een andere marktvariabele dan een variabele rente.
6.2. Instellingen kunnen vaststellen welke producten "door rente bepaald" zijn door per deposito de rente te vergelijken met het gemiddelde dat hun branchegenoten voor soortgelijke producten betalen. Met "branchegenoten" worden instellingen met een vergelijkbaar bedrijfsmodel en van een vergelijkbare omvang bedoeld, een en ander door de instelling te bepalen en zo nodig door de bevoegde autoriteit te verifiëren.
|
|
7. Vervallende deposito's met een vaste looptijd of een opzegtermijn
|
7.1. Deposito's die geacht moeten worden in deze categorie te vallen, zijn: - a) deposito's die oorspronkelijk met een vaste looptijd zijn geplaatst en die binnen de termijn van dertig dagen vervallen, of
- b) deposito's met een vaste opzegtermijn van minder dan dertig dagen, overeenkomstig contractuele afspraken, anders dan die welke in aanmerking komen voor de behandeling waarin artikel 421, lid 5, voorziet.
7.2. Bij het beoordelen van retaildeposito-uitstromen dienen instellingen stil te staan bij: - a) het effect van opvraaglimieten of opzegtermijnen;
- b) het effect van de kosten van opvraging voor retaildepositoproducten die rechtmatig vóór hun oorspronkelijke vervaldatum kunnen worden beëindigd;
- c) het gevolg van het niet toestaan van het opvragen van deposito's voor de reputatie van de instelling, als het voor instellingen gebruikelijk is om voor de betrokken depositoproducten vroegtijdige opvraging toe te staan.
8. Risicovolle distributiekanalen, zoals banken met uitsluitend internettoegang, andere vormen van toegang op afstand en bemiddelde deposito's Instellingen dienen retaildeposito's via risicovolle distributiekanalen, zoals banken met uitsluitend internettoegang, andere vormen van toegang op afstand en bemiddelde deposito's (waarbij makelaars geld verkrijgen van natuurlijke personen of kmo's), in te delen als hogere uitstromen, rekening houdend met het volgende: - a) geloofwaardige bestaande contractuele opvraaglimieten;
- b) het gevolg van het niet toestaan van het opvragen van deposito's voor de reputatie van de instelling, als het voor instellingen gebruikelijk is om voor de betrokken producten hogere opvraagbedragen toe te staan.
|
|
9. De valuta van deposito's
|
Instellingen dienen retaildeposito's in plaatselijke valuta te onderscheiden van die in vreemde valuta. Blz. 7 van 10
|
|
10. Deposito's van niet-ingezetenen
|
Instellingen dienen retaildeposito's van ingezetenen te onderscheiden van die van niet-ingezetenen. Het onderscheid moet worden bepaald volgens deposito's van niet-EU-ingezetenen en deposito's van EU-ingezetenen voor deposito's bij in de Unie gezetelde instellingen. De definitie van "ingezetenschap" in het kader van de liquiditeitsdekkingsvereisten dient in het algemeen in overeenstemming te zijn met de toepasselijke statistische of fiscale definitie. Instellingen dienen het ingezetenschap van de inlegger vast te stellen op het niveau van individuele entiteit.
|
|
11. Aan een product gekoppelde deposito's
|
Instellingen dienen retaildepositoproducten vast te stellen die zijn gekoppeld aan andere factoren die in de periode van dertig dagen kunnen veranderen en tot een hoger uitstroomrisico kunnen leiden.
|
|
12. Overige kenmerken
|
12.1. Instellingen dienen na te gaan of er nog andere kenmerken van hun retaildepositovolume zijn die duiden of kunnen duiden op een type retaildeposito met hogere uitstroompercentages dan die genoemd in artikel 421, leden 1 en 2, van de VKV. De vaststelling dan wel het niet-bestaan van overige kenmerken dient te worden gedocumenteerd. 12.2. Om dergelijke kenmerken vast te stellen, dienen instellingen de waargenomen (historische) en de verwachte stabiliteit/volatiliteit te beoordelen voor de aangeboden retaildepositoproducten in kwestie en producttypen vast te stellen die onstabiel zijn gebleken of naar verwachting onstabiel kunnen blijken. 12.3. Daartoe dienen instellingen een stresstestscenario uit te voeren op basis van een gecombineerde ernstige individuele en marktbrede gebeurtenis. Er kan gebruik worden gemaakt van interne statistische en wiskundige modellen om de volatiliteit van retaildepositoproducten te beoordelen. De input voor deze methoden dient in het algemeen te bestaan uit gegevens ontleend aan het gedrag van deposito's in het verleden en hypothetische aannamen op basis van stressscenario's. 12.4. Kleine en eenvoudiger instellingen zouden vereenvoudigde methoden kunnen hanteren volgens statische modellen, zoals modellen die de in een periode van dertig dagen waargenomen maximumafname van een gegeven deposito vaststellen over een gegeven tijdshorizon, waarin een periode van spanningen is begrepen. 12.5. De instellingen worden aangemoedigd gebruik te maken van het oordeel van deskundigen om factoren mee te laten wegen waarmee het model geen rekening houdt, met name bij innovatieve producten zonder lange geschiedenis. Blz. 8 van 10 12.6. De analyse zou sterk gebaat zijn bij een rangorde van retaildepositoproducten naar volatiliteit of gepercipieerde volatiliteit. Dat zou de consequente implementatie van de retaildepositoproducten van een instelling ten goede komen. Door de voor verschillende producten verkregen resultaten te vergelijken en de uitschieters in kaart te brengen, kunnen minder stabiele deposito's beter worden herkend. 12.7. De aannamen die aan deze methoden ten grondslag liggen, dienen betrekking te hebben op een voorspelling over dertig dagen en veelvuldig te worden herzien, met name om rekening te houden met belangrijke veranderingen op de markt. Voorts dienen instellingen de kwaliteit van deze beoordeling te verbeteren door correlatie, effecten van besmetting en seizoenseffecten in aanmerking te nemen.
|
|
Deel 3
|
Deel 3
|
|
13. Het bepalen van hogere uitstromen
|
13.1. Instellingen dienen de volgende methodiek te volgen om deposito's met hogere uitstromen in categorieën in te delen: 13.2. De in het voorgaande deel 2 van deze richtsnoeren beschreven factoren vallen uiteen in twee categorieën: - a) Hoog risico, bepaald door de volgende factoren:
- i) de valuta van deposito's;
- ii) aan een product gekoppelde deposito's;
- iii) producten die door rentepercentage worden bepaald of waarvoor preferentiële voorwaarden gelden;
- iv) risicovolle distributiekanalen, zoals deposito's met uitsluitend ingang via internet en bemiddelde deposito's;
- v) deposito's met een hoge waarde;
- vi) overige kenmerken die de instelling als risicovol beschouwt overeenkomstig artikel 13 van deze richtsnoeren.
- b) Zeer hoog risico, bepaald door de volgende factoren:
- i) vervallende deposito's met een vaste looptijd of een opzegtermijn;
- ii) deposito's van niet-ingezetenen;
- iii) zeer hoge waarde van het deposito.
13.3. Instellingen dienen retaildeposito's te beoordelen volgens de hierboven beschreven factoren. Blz. 9 van 10 13.4. Instellingen dienen retaildeposito's in te delen in een van de drie volgende gelaagde segmenten die zijn gedefinieerd op basis van het aantal risicofactoren dat is toegekend aan het onderliggende deposito: - a) deposito's met twee factoren uit categorie 1;
- b) deposito's met drie factoren uit categorie 1, of met één factor uit categorie 1 en één factor uit categorie 2;
- c) deposito's met twee factoren uit categorie 2, of met twee factoren uit categorie 1 en één factor uit categorie 2, of met een andere combinatie van factoren.
13.5. Instellingen dienen per segment een schatting te maken van de hogere uitstroompercentages volgens de beoordeling van de historische en de verwachte volatiliteit.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|