+117. Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit …
|
117. Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit …
Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit genomen zekerheid adequaat weerspiegelt, op een wijze die consistent is met vastgestelde interne vereisten voor zekerhedenbeheer, rechtszekerheid en risicobeheer. Wanneer de in bezit genomen zekerheid voldoet aan de criteria voor liquide activa van hoge kwaliteit van niveau 1 als gedefinieerd in artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie, kunnen instellingen de marktwaarde van de zekerheid op het moment van de inbezitneming rechtstreeks opvoeren als een gerealiseerde invordering. In alle andere gevallen dienen instellingen een passende reductiefactor toe te passen op de waarde van de inbezitneming en in de berekening van economisch verlies een invordering op te nemen ten bedrage van de waarde van de inbezitneming na toepassing van de passende reductiefactor. Instellingen zouden bij het ramen van deze reductiefactor rekening moeten houden met alle volgende voorwaarden: - (a) de reductiefactor dient mogelijke fouten in de waardering van de zekerheid op het moment van de inbezitneming te weerspiegelen, rekening houdend met het soort waardering dat beschikbaar is op het moment van de inbezitneming, de datum waarop de waardering is uitgevoerd en de liquiditeit van de markt voor dit type actief;
- (b) de reductiefactor dient te worden geraamd op basis van de aanname dat de instelling voornemens is de in bezit genomen zekerheid te verkopen aan een onafhankelijke derde en dient de potentiële prijs die uit die verkoop zou kunnen worden gerealiseerd, de kosten van de verkoop en het disconteringseffect voor de periode vanaf de verkoop tot het moment van de inbezitneming te weerspiegelen, rekening houdend met de liquiditeit van de markt voor dit type activa;
- (c) wanneer er waarnemingen voor inbezitnemingen en de daaropvolgende verkoop van soortgelijke soorten zekerheden beschikbaar zijn, dient de raming van de reductiefactor te worden gebaseerd op deze waarnemingen en regelmatig te worden gebacktest; daartoe dienen instellingen rekening te houden met al het volgende:
- (i) het verschil tussen de waarde van de inbezitneming en de verkoopprijs, met name wanneer zich geen significante veranderingen in de markt- en economische omstandigheden hebben voorgedaan tussen het moment van de inbezitneming en het moment van de verkoop;
- (ii) met dit actief verband houdende inkomsten en kosten die zijn waargenomen tussen de datum van de inbezitneming en het moment van de verkoop;
- (iii) disconteringseffecten;
- (iv) of de instelling de zekerheid in bezit heeft genomen met de intentie om die onmiddellijk te verkopen dan wel of er een andere strategie is gehanteerd.
- (d) wanneer er geen historische waarnemingen met betrekking tot de inbezitnemingen en de daaropvolgende verkoop van soortgelijke typen zekerheden beschikbaar zijn, dient de raming van de reductiefactor te worden gebaseerd op een beoordeling per geval, waaronder de analyse van de actuele markt- en economische omstandigheden;
- (e) hoe minder gegevens over eerdere inbezitnemingen een instelling tot haar beschikking heeft en hoe minder liquide de markt voor een gegeven type actief is, hoe meer onzekerheid er moet worden gehecht aan de daaruit resulterende ramingen, hetgeen adequaat tot uiting zou moeten komen in de voorzichtigheidsmarge overeenkomstig deel 4.4.3.
1. Overzicht
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|