+6.1 General requirements specific to LGD estimation
---+100. Instellingen die overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 …
---+101. Met het oog op de LGD-raming dienen instellingen met betrekking tot voor één enkele faciliteit …
---+102. Instellingen dienen hun eigen LGD's te ramen op basis van hun eigen verlies- en …
---+103. Wanneer, in geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en …
---+104. Een LGD-model kan verschillende methoden omvatten, met name voor verschillende soorten …
---+105. Instellingen dienen te kunnen aantonen dat de methoden die ze kiezen voor de LGD-raming …
---+106. De door de instelling voor de LGD-raming gebruikte methoden, de aan deze methoden ten …
---+107. Voor de raming van LGD's dienen instellingen gebruik te maken van een …
---+108. Instellingen dienen in de referentiegegevensverzameling informatie over de resultaten van …
---+109. De referentiegegevensverzameling dient ten minste de volgende informatie te bevatten: (a) …
---+110. Overeenkomstig artikel 229, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen instellingen …
---+111. Wanneer instellingen LGD-ramingen afleiden uit gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen …
---+112. Wanneer geaggregeerde informatie wordt verzameld en opgeslagen, dienen instellingen een …
---+113. Instellingen dienen aan te tonen dat ze in hun databanken alle voor de berekening van directe …
---+114. Instellingen dienen redelijke stappen te ondernemen om de bronnen van de kasstromen in …
---+115. Instellingen zouden invorderingen uit zekerheden in alle volgende situaties moeten erkennen …
---+116. Voor de toepassing van punt (b) van paragraaf 115 dienen instellingen de waarde van de in …
---+117. Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit …
---+118. In elk geval dient de inbezitneming van een zekerheid in aanmerking te worden genomen op het …
---+119. Elke verkoop van kredietverplichtingen overeenkomstig punt (d) van paragraaf 115 dient te …
---+120. In overeenstemming met punt (f) van paragraaf 115 kunnen instellingen andere vormen van …

6.1 General requirements specific to LGD estimation

6.1.1 LGD estimation methodologies

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
100. Instellingen die overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 …

Instellingen die overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toestemming hebben verkregen voor het gebruik van eigen LGD-ramingen, dienen een LGD-raming toe te kennen aan elke blootstelling ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan en een raming van het LGD in geval van wanbetaling en de EL BE aan elke blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan binnen het toepassingsgebied van het ratingsysteem dat is onderworpen aan een dergelijke toestemming overeenkomstig de artikelen 172 en 173 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Instellingen dienen LGD's te ramen voor alle faciliteitsklassen van de afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten of voor alle groepen die zijn geïntegreerd in het ratingsysteem. Met het oog op de LGD-raming dienen instellingen elke faciliteit ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, te behandelen als een afzonderlijke waarneming van een wanbetaling, tenzij voor één enkele faciliteit meer dan één onafhankelijke wanbetalingen zijn erkend die niet voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 101.

101. Met het oog op de LGD-raming dienen instellingen met betrekking tot voor één enkele faciliteit …

Met het oog op de LGD-raming dienen instellingen met betrekking tot voor één enkele faciliteit erkende wanbetalingen, wanneer de tijd tussen het moment van de terugkeer van de blootstelling naar de status van blootstelling die niet langer in wanbetaling is en de daaropvolgende indeling als wanbetaling korter is dan negen maanden, dergelijke blootstellingen te behandelen als blootstellingen waarbij vanaf het eerste moment waarop de wanbetaling zich heeft voorgedaan voortdurend sprake is geweest van wanbetaling. Indien dit passend is voor de specifieke soort blootstellingen en het de economische betekenis van de wanbetalingservaring weerspiegelt, kunnen instellingen een periode van langer dan negen maanden specificeren voor het opvatten van twee achtereenvolgende wanbetalingen als één wanbetaling in de LGD-raming.

102. Instellingen dienen hun eigen LGD's te ramen op basis van hun eigen verlies- en …

Instellingen dienen hun eigen LGD's te ramen op basis van hun eigen verlies- en invorderingservaring zoals weerspiegeld in historische gegevens van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan. Instellingen kunnen hun historische gegevens betreffende blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan aanvullen met externe gegevens. In het bijzonder mogen instellingen hun LGD-ramingen niet afleiden uit alleen de marktprijzen van financiële instrumenten, waaronder, maar niet uitsluitend, verhandelbare leningen, obligaties of kredietverzuiminstrumenten, maar ze kunnen deze informatie gebruiken om hun eigen historische gegevens aan te vullen.

103. Wanneer, in geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en …

Wanneer, in geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen en gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen, instellingen LGD-ramingen afleiden uit gerealiseerde verliezen en passende PD-ramingen overeenkomstig artikel 161, lid 2, en artikel 181, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen zij ervoor te zorgen dat:

  • (a) het proces van het ramen van de totale verliezen voldoet aan de vereisten van artikel 179 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de uitkomst consistent is met het begrip LGD als beschreven in artikel 181, lid 1, onder a), van die verordening, evenals met de in hoofdstuk 6 gespecificeerde vereisten, met name het begrip economisch verlies als gespecificeerd in deel 6.3.1;
  • (b) het proces van het ramen van de PD voldoet aan de vereisten van de artikelen 179 en 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de in hoofdstuk 5 gespecificeerde vereisten.
104. Een LGD-model kan verschillende methoden omvatten, met name voor verschillende soorten …

Een LGD-model kan verschillende methoden omvatten, met name voor verschillende soorten zekerheid, die worden gecombineerd om tot een LGD voor een gegeven faciliteit te komen.

105. Instellingen dienen te kunnen aantonen dat de methoden die ze kiezen voor de LGD-raming …

Instellingen dienen te kunnen aantonen dat de methoden die ze kiezen voor de LGD-raming passend zijn voor hun activiteiten en het soort blootstellingen waarop de ramingen van toepassing zijn, en ze dienen de aan deze methoden ten grondslag liggende theoretische aannamen te kunnen rechtvaardigen. De voor de LGD-raming gebruikte methoden zouden met name consistent moeten zijn met het incasso- en invorderingsbeleid van de instelling en rekening moeten houden met mogelijke invorderingsscenario's en potentiële verschillen in de wettelijke omgeving van relevante rechtsgebieden.

106. De door de instelling voor de LGD-raming gebruikte methoden, de aan deze methoden ten …

De door de instelling voor de LGD-raming gebruikte methoden, de aan deze methoden ten grondslag liggende aannamen, de inachtneming van de impact van een economische neergang door de instelling, de lengte van gegevensreeksen, de voorzichtigheidsmarge, subjectieve inschattingen en, indien van toepassing, de keuze van risicodeterminanten, dienen passend te zijn voor het soort blootstellingen waarop ze worden toegepast.

6.1.2 Gegevensvereisten voor LGD-ramingen

107. Voor de raming van LGD's dienen instellingen gebruik te maken van een …

Voor de raming van LGD's dienen instellingen gebruik te maken van een referentiegegevensverzameling die al het volgende bestrijkt:

  • (a) alle gevallen van wanbetaling die zijn vastgesteld tijdens de overeenkomstig deel 6.3.2.1 gespecificeerde historische waarnemingsperiode;
  • (b) alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van gerealiseerde LGD's overeenkomstig deel 6.3.1;
  • (c) relevante factoren die kunnen worden gebruikt om de blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan op zinvolle manieren te groeperen, alsmede relevante verliesdeterminanten, waaronder de waarden daarvan op het moment van de wanbetaling en ten minste binnen het jaar vóór de wanbetaling, indien beschikbaar.
108. Instellingen dienen in de referentiegegevensverzameling informatie over de resultaten van …

Instellingen dienen in de referentiegegevensverzameling informatie over de resultaten van invorderingsprocessen op te nemen, waaronder over invorderingen en kosten, voor elke individuele blootstelling ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan. Daartoe dienen instellingen de volgende informatie op te nemen:

  • (a) informatie over de resultaten van onvoltooide invorderingsprocessen tot de referentiedatum voor de LGD-raming;
  • (b) informatie over de resultaten van onvoltooide invorderingsprocessen op portefeuilleniveau, wanneer een dergelijke aggregatie van de informatie gerechtvaardigd is, en met name in het geval van indirecte kosten en verkoop van een portefeuille van kredietverplichtingen.
  • (c) informatie over voor de LGD-raming gebruikte externe gegevensbronnen of datapools.
109. De referentiegegevensverzameling dient ten minste de volgende informatie te bevatten: (a) …

De referentiegegevensverzameling dient ten minste de volgende informatie te bevatten:

  • (a) debiteurengebonden, transactiegebonden en instellingsgebonden risicokenmerken en externe factoren als bedoeld in paragraaf 121 die op de desbetreffende referentiedatums als gespecificeerd in paragraaf 122 potentiële risicodeterminanten zijn;
  • (b) het moment (datum) van wanbetaling;
  • (c) alle triggers voor het ontstaan van een wanbetaling die zich hebben voorgedaan, waaronder achterstallige betalingen en gevallen dat betaling onwaarschijnlijk is, ook na de vaststelling van een wanbetaling; in geval van blootstellingen die gedwongen worden geherstructureerd, het bedrag waarmee de financiële verplichting is verminderd, berekend overeenkomstig de EBA-richtsnoeren inzake de toepassing van de definitie van wanbetaling;
  • (d) het uitstaande bedrag van de blootstelling op het moment van de wanbetaling, waaronder de hoofdsom, rente en provisies;
  • (e) de bedragen en tijdstippen van nieuwe opnemingen na de wanbetaling;
  • (f) de bedragen en tijdstippen van afschrijvingen;
  • (g) de waarden van met de blootstelling verband houdende zekerheden en, indien van toepassing, het soort waardering (zoals marktwaarde of hypotheekwaarde als gedefinieerd in respectievelijk de punten (76) en (74) van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013), de datum van de waardering, een signalering of de zekerheid is verkocht, en de verkoopprijs;
  • (h) Informatie over eventuele afhankelijkheden tussen het risico van de debiteur en het risico van de zekerheid of de zekerheidsgever;
  • (i) de soorten, bedragen en looptijden van niet-volgestorte kredietprotectie, waaronder de specificatie en kredietkwaliteit van de protectiegever;
  • (j) de bedragen, tijdstippen en bronnen van invorderingen;
  • (k) de bedragen, tijdstippen en bronnen van met invorderingsprocessen samenhangende directe kosten;
  • (l) een duidelijke vaststelling van het soort beëindiging van het invorderingsproces;
  • (m) indien van toepassing, valutamismatches tussen twee of meer van de volgende elementen: de valuta die door de instelling wordt gebruikt voor financiële overzichten, de onderliggende verplichting, niet-volgestorte of volgestorte kredietprotectie, en kasstromen uit de liquidatie van activa van de debiteur;
  • (n) het bedrag van gerealiseerde verliezen.
110. Overeenkomstig artikel 229, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen instellingen …

Overeenkomstig artikel 229, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen instellingen verschillende methoden toepassen voor de waardering van zekerheid in de vorm van onroerend goed, waaronder met name de marktwaarde of de hypotheekwaarde als gedefinieerd in respectievelijk de punten (76) en (74) van artikel 4, lid 1, van die verordening. Wanneer instellingen gebruik maken van verschillende waarderingsbenaderingen met betrekking tot onroerend goed dat dient als zekerheid voor blootstellingen binnen het toepassingsgebied van een bepaald ratingsysteem, dienen ze in de referentiegegevensverzameling de informatie over het soort waardering te verzamelen en op te slaan, en dienen ze deze informatie consequent te gebruiken in de LGD-raming en de toepassing van LGD-ramingen.

111. Wanneer instellingen LGD-ramingen afleiden uit gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen …

Wanneer instellingen LGD-ramingen afleiden uit gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen overeenkomstig artikel 161, lid 2, en artikel 181, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen ze gebruik te maken van een referentiegegevensverzameling die alle gerealiseerde verliezen op alle wanbetalingen omvat die zijn vastgesteld tijdens de historische waarnemingsperiode als gespecificeerd overeenkomstig deel 6.3.2.1, alsmede van relevante verliesdeterminanten.

112. Wanneer geaggregeerde informatie wordt verzameld en opgeslagen, dienen instellingen een …

Wanneer geaggregeerde informatie wordt verzameld en opgeslagen, dienen instellingen een passende methode voor de toewijzing van invorderingen en kosten aan individuele blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan te ontwikkelen, en dienen ze deze methode consequent toe te passen op blootstellingen en in de tijd. In elk geval zouden instellingen moeten aantonen dat het proces van het toerekenen van invorderingen en kosten doeltreffend is en niet leidt tot vertekende LGD-ramingen.

113. Instellingen dienen aan te tonen dat ze in hun databanken alle voor de berekening van directe …

Instellingen dienen aan te tonen dat ze in hun databanken alle voor de berekening van directe en indirecte kosten vereiste informatie verzamelen en opslaan. Alle materiële indirecte kosten dienen te worden toegerekend aan de bijbehorende blootstellingen; Dit proces van het toerekenen van kosten zou gebaseerd moeten zijn op dezelfde beginselen en technieken die instellingen gebruiken in hun eigen kostentoerekeningssystemen. Voor de toerekening van indirecte kosten kunnen instellingen gebruik maken van methoden die zijn gebaseerd op risicogewogen gemiddelden, of van statistische methoden op basis van een representatieve steekproef binnen de populatie van in gebreke blijvende debiteuren of faciliteiten ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan.

114. Instellingen dienen redelijke stappen te ondernemen om de bronnen van de kasstromen in …

Instellingen dienen redelijke stappen te ondernemen om de bronnen van de kasstromen in aanmerking te nemen en deze op adequate wijze toe te rekenen aan de specifieke zekerheid of niet-volgestorte kredietprotectie die is gerealiseerd. Wanneer de bron van de kasstromen niet kan worden vastgesteld, zouden instellingen duidelijke beleidslijnen moeten formuleren voor de behandeling en toerekening van dergelijke kasstromen uit invorderingen, die niet mogen leiden tot een vertekening van de LGD-raming.

6.1.3 Invorderingen uit zekerheden

115. Instellingen zouden invorderingen uit zekerheden in alle volgende situaties moeten erkennen …

Instellingen zouden invorderingen uit zekerheden in alle volgende situaties moeten erkennen:

  • (a) de zekerheid wordt door de debiteur verkocht en de verkregen prijs wordt gebruikt om gedeelten van of het hele uitstaande bedrag van de kredietverplichting ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, af te lossen;
  • (b) de zekerheid wordt door de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen in bezit genomen of verkocht namens de instelling;
  • (c) de zekerheid wordt verkocht in een openbare veiling van het onroerend goed op last van de rechter of in een vergelijkbare procedure overeenkomstig het toepasselijke wettelijk kader;
  • (d) de kredietverplichting wordt samen met de zekerheid verkocht en de verkoopprijs van de kredietverplichting wordt opgenomen in de bestaande zekerheid;
  • (e) in geval van huur, het huurobject wordt verkocht door de instelling;
  • (f) de zekerheid wordt uitgewonnen door middel van een andere methode die toelaatbaar is overeenkomstig het wettelijk kader van het betrokken rechtsgebied.
116. Voor de toepassing van punt (b) van paragraaf 115 dienen instellingen de waarde van de in …

Voor de toepassing van punt (b) van paragraaf 115 dienen instellingen de waarde van de in bezit genomen zekerheid te bepalen als de waarde waarmee de kredietverplichting van de debiteur is afgenomen als gevolg van de inbezitneming van de zekerheid en waarmee de in bezit genomen zekerheid als een actief is opgenomen op de balans van de instelling. Wanneer deze waarden van elkaar verschillen, dienen instellingen de laagste van de twee te beschouwen als de waarde van de inbezitneming. De waarde van de inbezitneming dient te worden beschouwd als de waarde van een invordering op de datum van de inbezitneming en dient te worden opgenomen in de berekening van het economisch verlies en het gerealiseerde LGD overeenkomstig deel 6.3.1.

117. Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit …

Instellingen zouden moeten bepalen of de waarde van de inbezitneming de waarde van de in bezit genomen zekerheid adequaat weerspiegelt, op een wijze die consistent is met vastgestelde interne vereisten voor zekerhedenbeheer, rechtszekerheid en risicobeheer. Wanneer de in bezit genomen zekerheid voldoet aan de criteria voor liquide activa van hoge kwaliteit van niveau 1 als gedefinieerd in artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie, kunnen instellingen de marktwaarde van de zekerheid op het moment van de inbezitneming rechtstreeks opvoeren als een gerealiseerde invordering. In alle andere gevallen dienen instellingen een passende reductiefactor toe te passen op de waarde van de inbezitneming en in de berekening van economisch verlies een invordering op te nemen ten bedrage van de waarde van de inbezitneming na toepassing van de passende reductiefactor. Instellingen zouden bij het ramen van deze reductiefactor rekening moeten houden met alle volgende voorwaarden:

  • (a) de reductiefactor dient mogelijke fouten in de waardering van de zekerheid op het moment van de inbezitneming te weerspiegelen, rekening houdend met het soort waardering dat beschikbaar is op het moment van de inbezitneming, de datum waarop de waardering is uitgevoerd en de liquiditeit van de markt voor dit type actief;
  • (b) de reductiefactor dient te worden geraamd op basis van de aanname dat de instelling voornemens is de in bezit genomen zekerheid te verkopen aan een onafhankelijke derde en dient de potentiële prijs die uit die verkoop zou kunnen worden gerealiseerd, de kosten van de verkoop en het disconteringseffect voor de periode vanaf de verkoop tot het moment van de inbezitneming te weerspiegelen, rekening houdend met de liquiditeit van de markt voor dit type activa;
  • (c) wanneer er waarnemingen voor inbezitnemingen en de daaropvolgende verkoop van soortgelijke soorten zekerheden beschikbaar zijn, dient de raming van de reductiefactor te worden gebaseerd op deze waarnemingen en regelmatig te worden gebacktest; daartoe dienen instellingen rekening te houden met al het volgende:
  • (i) het verschil tussen de waarde van de inbezitneming en de verkoopprijs, met name wanneer zich geen significante veranderingen in de markt- en economische omstandigheden hebben voorgedaan tussen het moment van de inbezitneming en het moment van de verkoop;
  • (ii) met dit actief verband houdende inkomsten en kosten die zijn waargenomen tussen de datum van de inbezitneming en het moment van de verkoop;
  • (iii) disconteringseffecten;
  • (iv) of de instelling de zekerheid in bezit heeft genomen met de intentie om die onmiddellijk te verkopen dan wel of er een andere strategie is gehanteerd.
  • (d) wanneer er geen historische waarnemingen met betrekking tot de inbezitnemingen en de daaropvolgende verkoop van soortgelijke typen zekerheden beschikbaar zijn, dient de raming van de reductiefactor te worden gebaseerd op een beoordeling per geval, waaronder de analyse van de actuele markt- en economische omstandigheden;
  • (e) hoe minder gegevens over eerdere inbezitnemingen een instelling tot haar beschikking heeft en hoe minder liquide de markt voor een gegeven type actief is, hoe meer onzekerheid er moet worden gehecht aan de daaruit resulterende ramingen, hetgeen adequaat tot uiting zou moeten komen in de voorzichtigheidsmarge overeenkomstig deel 4.4.3.
118. In elk geval dient de inbezitneming van een zekerheid in aanmerking te worden genomen op het …

In elk geval dient de inbezitneming van een zekerheid in aanmerking te worden genomen op het moment van de inbezitneming en mag de inbezitneming de instelling niet verhinderen om het invorderingsproces af te sluiten overeenkomstig paragraaf 155.

119. Elke verkoop van kredietverplichtingen overeenkomstig punt (d) van paragraaf 115 dient te …

Elke verkoop van kredietverplichtingen overeenkomstig punt (d) van paragraaf 115 dient te worden opgenomen in de LGD-raming op een manier die past bij de methode voor de LGD-raming, rekening houdend met alle volgende voorwaarden:

  • (a) wanneer instellingen in het kader van hun invorderingsprocessen regelmatig kredietverplichtingen verkopen, dienen ze de met de verkochte kredietverplichtingen verband houdende waarnemingen naar behoren tot uiting te brengen in het proces van modelontwikkeling;
  • (b) wanneer instellingen in het kader van hun invorderingsprocessen niet regelmatig kredietverplichtingen verkopen en de toerekening van het deel van de prijs dat verband houdt met de zekerheden te moeilijk of te onbetrouwbaar is, kunnen ze besluiten om deze waarnemingen niet in aanmerking te nemen in het proces van modelontwikkeling;
  • (c) instellingen mogen invorderingen uit de verkoop van zekergestelde kredietverplichtingen niet behandelen als gerealiseerde invorderingen zonder het gebruik van zekerheden, tenzij ze kunnen aantonen dat de met deze zekerheden verband houdende invorderingen niet materieel zijn;
  • (d) in elk geval dienen instellingen alle waarnemingen, waaronder verkopen van kredietverplichtingen, op te nemen in de berekening van het gemiddelde LGD over een lange periode.
120. In overeenstemming met punt (f) van paragraaf 115 kunnen instellingen andere vormen van …

In overeenstemming met punt (f) van paragraaf 115 kunnen instellingen andere vormen van uitwinning van zekerheden specificeren en in aanmerking nemen, die adequaat moeten zijn voor het soort zekerheden dat door de instelling wordt gebruikt en die overeenkomstig het toepasselijke wettelijk kader in aanmerking komen. Bij het in aanmerking nemen van die andere vormen van uitwinning van zekerheden dienen instellingen rekening te houden met het feit dat zekerheden verschillende vormen kunnen aannemen en dat verschillende vormen van zekerheden betrekking kunnen hebben op hetzelfde actief. Wanneer verschillende vormen van zekerheid betrekking hebben op hetzelfde actief, maar de uitwinning van een van de zekerheden de waarde van de andere niet verlaagt, dienen instellingen ze in het proces van LGD-raming te beschouwen als afzonderlijke zekerheden. In het bijzonder zouden instellingen de vorm van zekerheid die een recht geeft om het actief (zoals een hypotheek) in bezit te nemen of te verkopen, en de vorm van zekerheid die een recht geeft om door het actief (zoals een cessie van huurinkomsten of provisies) gegenereerde kasstromen te innen, afzonderlijk in aanmerking moeten nemen.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/