+4. Richtsnoeren inzake DGS-stresstests
---+Richtsnoer 1: Doelstellingen van DGS-stresstests
---+Richtsnoer 2: Methoden voor DGS-stresstests
---+Richtsnoer 3: Basistests
---+Richtsnoer 4: Indicatoren
---+Richtsnoer 5: Kwaliteitsbeoordeling van de resultaten van de tests en de veerkracht van het DGS
---+Richtsnoer 6: Instructies voor de rapportage aan EBA

4. Richtsnoeren inzake DGS-stresstests

4. Richtsnoeren inzake DGS-stresstests

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Richtsnoer 1: Doelstellingen van DGS-stresstests

1.1 DGS-stresstests hebben als doel bij te dragen aan een voortgaande versterking van de veerkracht van het Europese systeem van DGS’en, door:

  • (i) de veerkracht van DGS’en te beoordelen waarbij wordt getest in hoeverre DGS’en in staat zijn de taken te vervullen die hun zijn toevertrouwd overeenkomstig de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU, ook wanneer zij samenwerken met andere DGS’en binnen de Europese Unie;
  • (ii) vast te stellen welke dimensies van een DGS verbetering behoeven of al zijn verbeterd ten opzichte van voorgaande tests;
  • (iii) resultaten te produceren die vergelijkbaar zijn en de mogelijkheid bieden van toetsing door deskundigen.
Richtsnoer 2: Methoden voor DGS-stresstests

2.1 Teneinde een omvattende aanpak te waarborgen, dienen stresstests te worden geprogrammeerd voor de middellange termijn. Elke stresstest behoort een aantal essentiële fasen te doorlopen, zoals beschreven in richtsnoer 2.

2.2 Om naleving van artikel 4, lid 11, van Richtlijn 2014/49/EU te waarborgen, zorgen aangewezen autoriteiten ervoor dat DGS’en de informatie die nodig is om stresstests op hun systemen uit te voeren, alleen verkrijgen en gebruiken voor de uitvoering van die tests en niet langer bewaren dan daartoe noodzakelijk is. Om naleving van artikel 4, lid 9, van die richtlijn te waarborgen, in het bijzonder wanneer in de test gegevens met betrekking tot rekeningen van deposanten worden verwerkt, zorgen aangewezen autoriteiten ervoor dat DGS’en geheimhouding in acht nemen, deze gegevens met betrekking tot rekeningen van deposanten verwerken in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG P3F4 P en deze gegevens volledig beschermen door passende anonimiseringsmethoden toe te passen.

Programmering van stresstests

2.3 Over een periode van ten hoogste drie jaar dienen DGS’en een stresstestprogramma te ontwikkelen dat exercities van alle in richtsnoer 3 genoemde basistests omvat. Een stresstestcyclus is in ieder geval voltooid wanneer alle basistests ten minste eenmaal zijn uitgevoerd (sinds de inwerkingtreding van de richtsnoeren of de uitvoering van de laatste cyclus).

2.4 Het programma dient het geraamde tijdsbestek van de geprogrammeerde exercities vast te leggen, evenals de geplande reikwijdte van elke exercitie in termen van formats en aannames. Het programma kan een of meer stresstestcycli omvatten.

2.5 Het programma dient regelmatig te worden bijgewerkt, rekening houdend met de resultaten van voorgaande stresstests (bijv. resultaten waaruit de noodzaak van een diepgaander beoordeling naar voren komt), feitelijke DGS-interventies of ontwikkelingen op regelgevingsgebied (bijv. kortere terugbetalingstermijnen).

2.6 Wanneer zich tijdens de stresstestcyclus daadwerkelijk een interventie heeft voorgedaan die een DGS in staat heeft gesteld wat betreft sommige of alle basistests en/of indicatoren in het programma zijn veerkracht te beoordelen, kan het DGS het programma zodanig wijzigen dat de praktijktest de oorspronkelijk geplande test vervangt. In een dergelijk geval kan het DGS, in plaats van alle hieronder genoemde essentiële fasen te doorlopen, zich richten op de fasen rapportage en corrigerende maatregelen.

Essentiële fasen van een stresstestexercitie

2.7 DGS’en dienen de volgende fasen te doorlopen bij de uitvoering van een stresstestexercitie.

Planningsfase

2.8 DGS’en dienen onder hun interne medewerkers een stuurteam of stuurfunctionaris (hierna “stuurteam”) te benoemen. Dit stuurteam is verantwoordelijk voor de planning en coördinatie van de verschillende taken die in het kader van een stresstestexercitie worden uitgevoerd. In dezen wordt onder interne medewerkers verstaan, het personeel dat in dienst is van of in onderaanneming werkzaam is voor het DGS, en personeel van een andere overheidsinstantie waaraan de functies van het DGS zijn toegewezen waarin de DGS-richtlijn en de richtlijn herstel en afwikkeling van banken voorzien. Er kunnen externe deelnemers en observatoren bij de verschillende fasen van de stresstests worden betrokken zonder dat zij deel uitmaken van het stuurteam. Het hoger management dient ervoor te zorgen dat het stuurteam beschikt over alle noodzakelijke informatie en volledige steun krijgt van de overige medewerkers van het DGS.

2.9 Het stuurteam dient voorafgaand aan elke test de tijdplanning voor de uitvoering van de test vast te stellen en te bepalen welke interne en/of externe deelnemers en observatoren erbij moeten worden betrokken.

2.10 In het kader van het stresstestprogramma dient het stuurteam meer in detail vast te stellen waar de test zich op richt, welke formats worden gebruikt, welke indicatoren moeten worden gemeten en op welke aannames de exercitie wordt gebaseerd (bijv. het bedrag voor financiering van een DGS-interventie, het niveau van uitbetaling bij liquidatie, of kredietinstellingen waarbij kwaliteitscontroles van IKB-bestanden moeten worden uitgevoerd).

2.11 DGS’en kunnen gebruikmaken van aannames uit eerdere interventiecasussen en beoordelen hoe hun systemen hebben gepresteerd. Zij kunnen ook een simulatie uitvoeren van de wijze waarop hun systeem zich onder de huidige omstandigheden zou gedragen als het met een vergelijkbare situatie zou worden geconfronteerd.

2.12 De DGS’en dienen de voor de test noodzakelijke middelen in termen van ondersteunend personeel, budget en infrastructuur toe te wijzen. De toereikendheid van deze middelen dient tijdens de ontwikkeling van de exercitie continu te worden getoetst.

2.13 DGS’en dienen regelingen te treffen om de objectiviteit te waarborgen bij de bepaling van de aannames voor de stresstest, de uitvoering van de test en de formulering van onbevooroordeelde conclusies. DGS’en wordt verzocht over dergelijke regelingen verslag uit te brengen in het rapportageformulier. Deze regelingen dienen door het DGS te worden gedocumenteerd en te waarborgen dat de objectiviteitsvereisten in alle fasen van de test gelden voor alle deelnemers en observatoren die bij de test betrokken zijn. Als onderdeel van deze regelingen dienen DGS’en een duidelijke scheiding aan te brengen tussen het stuurteam en de andere deelnemers en observatoren die binnen het DGS eveneens aan de exercitie deelnemen. DGS’en dienen ook verslag uit te brengen over de aspecten waarmee zij rekening hebben gehouden bij het treffen van dergelijke regelingen, zoals de specifieke opzet/governance van het DGS, kosten, belangenconflicten, toegevoegde waarde, nationale bepalingen inzake geheimhouding en DGS-toezicht.

2.14 Deze regelingen kunnen voorzien in de betrokkenheid van externe observatoren bij het proces. Observatoren kunnen de aangewezen autoriteiten zijn mits zij de stelsels niet zelf beheren, of andere overheidsinstanties, adviesbureaus of andere DGS’en. Observatoren dienen ernaar te streven te verifiëren dat het proces op objectieve wijze wordt geleid. Bij twijfel dienen zij het stuurteam op de hoogte te stellen van hun punten van zorg. Observatoren dienen gedurende alle fasen van het proces toegang te hebben tot de relevante informatie. Voor alle informatie die in dit verband wordt gedeeld, dienen strikte professionele geheimhoudingseisen te gelden. Met betrekking tot de tests van IKB-bestanden dient ervan te worden uitgegaan dat is voldaan aan het vereiste dat ofwel een scheiding wordt aangebracht ofwel observatoren worden ingeschakeld.

2.15 Het stuurteam dient contact op te nemen met de interne en externe deelnemers en observatoren die bij de verschillende stadia van de exercitie worden betrokken, en ervoor te zorgen dat iedere deelnemer aan de exercitie begrijpt welke rollen iedereen vervult.

Uitvoeringsfase

2.16 Bij de uitvoering van de exercitie dient het stuurteam van de testdeelnemers en observatoren de informatie op te vragen en te verzamelen die nodig is om de prestaties van de systemen van het DGS te beoordelen ten aanzien van de in richtsnoer 3 en 4 omschreven testgebieden en indicatoren.

2.17 Exercities kunnen in verschillende formats worden uitgevoerd, waaronder live rollenspelsessies waarbij interne en externe deelnemers simuleren wat zij zouden doen en besluiten in een bepaalde basistest zoals gedefinieerd in richtsnoer 3, of backoffice-uitwisselingen (bijv. waarbij het stuurteam IKB-bestanden van een instelling opvraagt en de nauwkeurigheid van de informatie beoordeelt). DGS’en dienen in het rapportageformulier verslag uit te brengen over het voor elke exercitie gekozen type format, gebruikmakend van de volgende categorieën:

  • • desk research, die evaluaties (van de kwaliteit) van aanwezige procedures en regelingen omvatten, bijvoorbeeld om de processen van een (fictieve) uitbetalingsgebeurtenis van begin tot eind in kaart te brengen en door te nemen, ter beoordeling van een aantal gebieden;
  • • inspecties ter plaatse, bijvoorbeeld bezoeken door DGS’en of hun dienstverleners aan kredietinstellingen om de kwaliteit van hun IKB-bestanden te beoordelen. Deze bezoeken kunnen worden geregeld en gespecificeerd via het toepasselijke nationale kader;
  • • simulaties, bijvoorbeeld een end-to-end-simulatie van een bepaalde basistest, of simulaties van delen van het proces zoals de verzending van een bestand met betalingsinstructies van een DGS in de lidstaat van herkomst naar een DGS in de lidstaat van ontvangst, of de overmaking van een bedrag aan ex ante financiering, waarbij gebruik wordt gemaakt van een kredietlijn;
  • • praktijkgevallen die zich tijdens de stresstestcyclus hebben voorgedaan en die het mogelijk maakten de in deze richtsnoeren opgenomen capaciteiten van de DGS’en te beoordelen;
  • • andere soorten exercities, die alleen mogen worden toegepast wanneer de exercitie niet in een van de bovengenoemde categorieën valt en door het DGS moet worden toegelicht in de rapportage.

2.18 Los van het stuurteam dienen deelnemers in de uitvoeringsfase de autoriteiten, entiteiten of zelfs interne afdelingen, ook binnen het DGS, te vertegenwoordigen die in een praktijksituatie de noodzakelijke acties zouden moeten initiëren en besluiten zouden moeten nemen of de noodzakelijke informatie zouden moeten verschaffen. Hierbij kan het gaan om interne deelnemers (bijvoorbeeld de interne afdeling die binnen het DGS verantwoordelijk is voor financieringskwesties) of externe deelnemers (bijvoorbeeld afwikkelingsautoriteiten die, na raadpleging van het DGS, de bijdrage van het DGS aan een afwikkeling zouden bepalen). Fase van rapportage en corrigerende maatregelen

2.19 Het stuurteam dient de resultaten van de test te verwerken en interpreteren teneinde tot een objectief oordeel te komen over de veerkracht van het DGS bij het vervullen van zijn wettelijke functies.

2.20 Het stuurteam dient in de loop van de tijd de uitkomsten op consistente wijze vast te leggen met behulp van een standaardformulier, bijvoorbeeld het formulier dat is ontwikkeld door het Europees Forum van depositoverzekeraars. DGS’en dienen de resultaten van stresstests ten minste eenmaal per jaar te rapporteren aan de aangewezen autoriteiten.

2.21 Stresstests dienen te zijn onderworpen aan een continu verbeteringsproces. Dat houdt in dat wanneer er in het kader van een stresstest zwakke punten worden vastgesteld in de systemen van een DGS, het DGS in kwestie corrigerende maatregelen dient te nemen. Wanneer er zwakke punten zijn vastgesteld die aan kredietinstellingen zijn toe te schrijven, zoals tekortkomingen in de kwaliteit van IKB-bestanden, dient het DGS zich ervoor in te spannen, zo nodig via de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op die instellingen, dat bij de betrokken instellingen de nodige corrigerende maatregelen worden getroffen. Het DGS dient zich er daarna bij volgende tests van te vergewissen dat de zwakke punten zijn weggenomen.

Samenwerking met relevante administratieve overheidsinstanties

2.22 Tenzij een DGS zelf tevens de aangewezen autoriteit is, dient het de aangewezen autoriteiten volledig op de hoogte te houden van de planning en uitvoering van stresstests. Hiertoe dient het zijn stresstestprogramma binnen drie maanden na voltooiing daarvan in te dienen bij de aangewezen autoriteiten. Deze informatie-uitwisseling kan een constructieve dialoog op gang brengen en leiden tot verbetering van het programma. De aangewezen autoriteiten dienen hun input binnen zes maanden na ontvangst van het door het DGS ontwikkelde programma te verstrekken. Alle belangrijke wijzigingen dienen onmiddellijk te worden gemeld bij de aangewezen autoriteiten.

2.23 Vervolgens dienen DGS’en de aangewezen autoriteiten bij het plannen van elke exercitie in kennis te stellen van de reikwijdte van de test in termen van deelnemende kredietinstellingen, testformats, aannames en alle andere relevante informatie.

2.24 Daarnaast dienen DGS’en, alvorens een in richtsnoer 3 omschreven basistest uit te voeren, de overheidsinstanties op de hoogte te stellen die betrokken zijn bij de wettelijke functie die wordt getest. De “betrokken administratieve autoriteit” die is aangewezen overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU, alsmede de “bevoegde autoriteit” zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 17, van diezelfde richtlijn, dienen in ieder geval op de hoogte te worden gesteld wanneer er een terugbetalingsscenario wordt getest. Wanneer er een afwikkelingsscenario wordt getest, dienen de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten op de hoogte te worden gesteld. 2.25 DGS’en dienen deze autoriteiten om advies over aannames voor de test te verzoeken en hun aan te bieden deel te nemen aan de uitvoering. Wanneer een DGS losstaat van de aangewezen autoriteit, kan die deelname of raadpleging via de aangewezen autoriteit worden georganiseerd.

2.26 Bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten dienen rechtstreeks of via aangewezen autoriteiten samen te werken met DGS’en bij het vaststellen van scenario’s en het uitvoeren van tests.

2.27 DGS’en dienen de resultaten van de stresstests met de aangewezen autoriteiten te delen middels het rapportageformulier in bijlage 1. Op verzoek van de relevante autoriteiten P4F5 P dienen zij tevens, via het rapportageformulier of anderszins, de resultaten van de stresstests met inachtneming van de toepasselijke geheimhoudingsbepalingen te delen met de relevante autoriteiten.


4 Vervangen door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

5 Met inbegrip van (onder meer) afwikkelingsautoriteiten of nationale bevoegde autoriteiten.

Richtsnoer 3: Basistests

3.1 Teneinde op omvattende wijze te beoordelen in hoeverre DGS’en in staat zijn doeltreffend om te gaan met het falen van instellingen, dienen zij de in dit richtsnoer omschreven basistests uit te voeren.

DGS-functies die bij basistests moeten worden beoordeeld

3.2 Met het oog op de deskundige toetsing door EBA dienen DGS’en tijdens een stresstestcyclus basistests uit te voeren van de functies die hun wettelijk zijn toegewezen (zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU, zoals omgezet in nationaal recht), en de resultaten daarvan te rapporteren aan EBA. Het gaat hierbij om de volgende DGS-functies:

  • • de compensatie van deposanten in hun lidstaat in geval van insolventie van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU (“terugbetalingsfunctie”);
  • • de compensatie van deposanten bij bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend in geval van insolventie van een kredietinstelling overeenkomstig de artikelen 11, lid 1, en artikel 14 van Richtlijn 2014/49/EU (“terugbetalingsfunctie in het kader van grensoverschrijdende samenwerking”). DGS’en dienen een dergelijke basistest alleen uit te voeren in gevallen waarin zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende compensaties (als DGS van de lidstaat van herkomst, als DGS van de lidstaat van ontvangst of in beide rollen) overeenkomstig bovengenoemd artikel 14 van de DGS-richtlijn en de toepasselijke nationale bepalingen;
  • • de financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen zodat deposanten toegang blijven hebben tot hun deposito’s overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU en artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU (functie ‘bijdrage aan afwikkeling’);
  • • het gebruik van hun beschikbare financiële middelen voor alternatieve maatregelen om het falen van een kredietinstelling te voorkomen, indien toegestaan volgens het recht van de lidstaat waar het DGS is gevestigd, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU (functie ‘voorkoming van falen’); en
  • • het gebruik van hun beschikbare financiële middelen om de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s veilig te stellen in het kader van nationale insolventieprocedures, indien toegestaan volgens het recht van de lidstaat waar het DGS is gevestigd, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Richtlijn 2014/49/EU (functie ‘bijdrage aan de insolventieprocedure’).

3.3 Daarnaast dienen DGS’en verslag uit te brengen over de resultaten van de periodieke tests van IKB-bestanden die periodiek door hen worden uitgevoerd. De periodieke tests van IKB-bestanden zijn ook basistests. De resultaten van de periodieke tests van IKB-bestanden mogen niet worden verward of gecombineerd met de beoordeling van IKB-bestanden die plaatsvindt bij het uitvoeren van een basistest in het kader van de terugbetalingsfunctie. In dat laatste geval dient de beoordeling van IKB-bestanden te worden gerapporteerd als onderdeel van de resultaten van deze basistest in het kader van de terugbetalingsfunctie.

3.4 Indien DGS’en tijdens de stresstestcyclus belangrijke wijzigingen in de systemen of processen hebben doorgevoerd, dienen DGS’en bepaalde basistests opnieuw uit te voeren tijdens de lopende stresstestcyclus, op voorwaarde dat opnieuw testen binnen deze termijn operationeel gezien mogelijk is. Wanneer een DGS bijvoorbeeld zijn uitbetalingsmethode wijzigt van een correspondentbankmodel naar elektronische overmaking met gebruikmaking van het daartoe bestemde IT-platform van het DGS verandert het uitbetalingsproces aanzienlijk, en om de veerkracht te waarborgen dient het DGS zijn terugbetalingsfunctie opnieuw te testen aan de hand van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren die invloed ondervinden van deze wijziging.

3.5 Naargelang de basistest dienen DGS’en gebruik te maken van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren. DGS’en dienen de resultaten van de bovengenoemde basistests te rapporteren aan de aangewezen autoriteiten en EBA met behulp van het rapportageformulier in bijlage 1.

3.6 Met behulp van het rapportageformulier dienen DGS’en verslag uit te brengen aan EBA over iedere basistest, met een maximum van drie tests.

3.7 Een basistest dient ten minste eenmaal per stresstestcyclus volledig te worden uitgevoerd. Herhalingen van de basistest binnen dezelfde stresstestcyclus kunnen worden uitgevoerd door middel van reeksen gedetailleerde tests die tezamen alle indicatoren die betrekking hebben op deze bepaalde basistest omvatten. Functie terugbetaling

3.8 DGS’en testen in hoeverre zij in staat zijn deposanten terug te betalen overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU. Geen enkel DGS laat het testen van de terugbetalingsfunctie achterwege op grond van het feit dat het de hieronder beschreven functies betreffende afwikkeling en voorkoming van falen heeft getest of dat alle aangesloten kredietinstellingen in de in punt 3.27 beschreven categorie zouden vallen.

3.9 In een terugbetalingsscenario dient het DGS een simulatie uit te voeren van het falen van een of meer kredietinstellingen om te beoordelen of het terug te betalen bedrag als omschreven in artikel 7 van Richtlijn 2014/49/EU beschikbaar zou zijn binnen de terugbetalingstermijnen die zijn vastgelegd in artikel 8 van die richtlijn.

3.10 Daarnaast dient het DGS bij het testen van zijn veerkracht ten aanzien van het compenseren van deposanten, de kwaliteit van zijn interne processen voor het verzamelen en analyseren van de IKB-bestanden te beoordelen en contact te onderhouden met de betrokken kredietinstelling om, indien nodig, aanvullende/corrigerende gegevens op te vragen. Deze tests betreffende IKB-bestanden mogen niet worden verward of gecombineerd met de periodieke routinematige beoordelingen van IKB-bestanden.

3.11 Gedurende de looptijd van het programma als bedoeld in richtsnoer 2 dienen DGS’en gebruik te maken van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren die van toepassing zijn op de terugbetalingsfunctie.

Terugbetaling in het kader van grensoverschrijdende samenwerking

3.12 Indien DGS’en de rol vervullen van DGS in de lidstaat van herkomst of DGS in de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 14 van de DGS-richtlijn, dient het DGS een simulatie uit te voeren van het falen van een of meer kredietinstellingen met een of meer bijkantoren in een andere lidstaat.

3.13 DGS’en dienen dergelijke tests uit te voeren in de rol die op hen van toepassing is: als DGS in de lidstaat van herkomst, als DGS in de lidstaat van ontvangst, of in beide rollen indien van toepassing. Een DGS dient zijn rol als DGS in de lidstaat van ontvangst te testen wanneer het in een lidstaat is gevestigd waar ten minste één bijkantoor door een kredietinstelling uit een andere lidstaat wordt aangehouden. Een DGS dient zijn rol als DGS in de lidstaat van herkomst te testen wanneer een van zijn aangesloten instellingen in een andere lidstaat een bijkantoor heeft. Een DGS dient beide rollen te testen indien beide gevallen van toepassing zijn. Indien de nationale bepalingen voorschrijven dat één DGS verantwoordelijk is voor het beheer van grensoverschrijdende compensaties namens de andere DGS in dezelfde lidstaat, is de eis om basistests uit te voeren in samenwerking met de lidstaat van ontvangst alleen van toepassing op de desbetreffende DGS.

3.14 DGS’en dienen te overwegen om, indien mogelijk, een risicogebaseerde benadering te volgen bij het selecteren van de partner-DGS(’s) voor het testen van een terugbetaling met een grensoverschrijdend samenwerkingsscenario. Indien DGS X bijvoorbeeld lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst is voor DGS Y, en alleen lidstaat van ontvangst voor DGS Z, kan DGS X op basis van een risicogebaseerde benadering besluiten om de test uit te voeren in de rol van lidstaat van herkomst voor DGS Y, en in de rol van lidstaat van ontvangst voor DGS Z.

3.15 Gedurende de looptijd van het programma als bedoeld in richtsnoer 2 dienen DGS’en de indicatoren toe te passen die specifiek gelden voor het terugbetalingsscenario met samenwerking tussen lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst, zoals beschreven in richtsnoer 4.

3.16 Indien een DGS niet in staat is een dergelijke basistest uit te voeren omdat er geen ander DGS heeft gekozen voor deelname als partner-DGS in het kader van grensoverschrijdende samenwerkingsexercities, dient dit in het rapportageformulier te worden gespecificeerd als “niet-getest gebied”, zoals bepaald in punt 5.7.

Bijdrage aan afwikkeling

3.17 In afwikkelingsscenario’s dient te worden uitgegaan van interventie met betrekking tot een aangesloten kredietinstelling die wordt afgewikkeld overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU en waarvoor een bijdrage van een DGS vereist is op grond van artikel 109 van die richtlijn.

3.18 DGS-stresstests met afwikkelingsscenario’s kunnen worden uitgevoerd op standalone-basis of als onderdeel van een bredere afwikkelingstest die wordt uitgevoerd onder leiding van afwikkelingsautoriteiten, mits alle in richtsnoer 4 beschreven indicatoren worden getest en toegepast.

3.19 Wanneer er een DGS-stresstest met een afwikkelingsscenario op standalone-basis wordt uitgevoerd, dient het DGS de afwikkelingsautoriteit te raadplegen bij het ontwerp van het scenario en de uitvoering van de test, en dient het de afwikkelingsautoriteit te verzoeken deel te nemen aan de test. Afwikkelingsautoriteiten dienen samen te werken met de DGS’en en verstrekken hun rechtstreeks of via de aangewezen autoriteiten de informatie die benodigd is om stresstests te ontwerpen en uit te voeren.

3.20 De aanname ten aanzien van het niveau van de bijdrage van een DGS aan de financiering van een afwikkeling dient te worden gekalibreerd met inachtneming van de regels die zijn vastgelegd in de artikelen 108 en 109 van Richtlijn 2014/59/EU en het profiel van de kredietinstellingen die zijn geselecteerd voor de test met een afwikkelingsscenario.

3.21 In uitzonderlijke gevallen kan een DGS, na overleg met de afwikkelingsautoriteit, het testen van afwikkelingsscenario’s achterwege laten wanneer het vaststelt dat geen van de aangesloten kredietinstellingen in een van de in punt 3.27 omschreven categorieën valt. Voorkoming van falen

3.22 Wanneer een DGS uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, middelen kan gebruiken om het falen van een kredietinstelling te voorkomen, dient het ten minste twee soorten tests uit te voeren:

  • • een test waarin een simulatie wordt uitgevoerd van een significante verslechtering van de financiële situatie van een of meer aangesloten kredietinstellingen, met inbegrip van de kapitaalpositie, de activakwaliteit en de liquiditeitspositie van die instelling(en). In deze context dient aan de hand van de test te worden beoordeeld of het DGS in staat zou zijn falen te voorkomen onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, onder meer door te kijken naar het soort alternatieve maatregelen dat zou kunnen worden genomen en te onderzoeken of het DGS het financieringsvermogen zou hebben om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;
  • • een test van de risicobewakingssystemen van het DGS. Wanneer zich in het verleden situaties hebben voorgedaan waarbij instellingen in moeilijkheden verkeerden, dienen DGS’en te bepalen of de bewakingssystemen in staat zijn geweest het dreigende risico te detecteren.

3.23 DGS-stresstests met betrekking tot voorkoming van falen dienen te worden uitgevoerd aan de hand van een specifieke reeks indicatoren zoals beschreven in richtsnoer 4.

Bijdrage aan insolventieprocedures

3.24 Bij de basistests met betrekking tot de bijdrage van een DGS aan insolventieprocedures dient te worden uitgegaan van interventie voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s in het kader van nationale insolventieprocedures overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Richtlijn 2014/49/EU.

3.25 DGS-stresstests met betrekking tot de bijdrage aan insolventieprocedures dienen te worden uitgevoerd aan de hand van een specifieke reeks indicatoren zoals beschreven in richtsnoer 4.

Selectie van aangesloten kredietinstellingen voor opname in basistests

3.26 Voor het uitvoeren van basistests dient een DGS een of meer van zijn aangesloten kredietinstellingen te selecteren waarvan het profiel geschikt is voor de geplande focus van de test, met inbegrip van het soort functies, de ernst en complexiteit van het scenario, en de geografische omvang daarvan.

3.27 Voor het testen van de bijdrage aan afwikkeling dient een DGS een of meer aangesloten kredietinstellingen te selecteren die relevant worden geacht. DGS’en dienen in overleg met de afwikkelingsautoriteiten een afweging te maken met betrekking tot een of meer te selecteren aangesloten kredietinstellingen. Ernst en complexiteit van de basistests

3.28 DGS’en dienen basistests uit te voeren uitgaande van verschillende niveaus van ernst en complexiteit. EBA erkent echter dat er grenzen zijn aan de toenemende complexiteit en ernst van de tests, en dat de stresstestscenario’s realistisch toepasbaar zouden moeten blijven voor de DGS’en. Mettertijd dienen DGS’en dus steeds geavanceerdere en ernstigere scenario’s toe te passen en daarbij vast te houden aan beoordelingen van het vermogen tot beheer van praktisch gezien te verwachten referentiescenario’s. Een DGS zou bijvoorbeeld om te beginnen een grensoverschrijdende samenwerkingstest kunnen uitvoeren in de rol van DGS in de lidstaat van herkomst met een ander DGS in de rol van DGS in de lidstaat van ontvangst. Vervolgens zou het DGS de toets complexer kunnen maken door tegelijkertijd een andere grensoverschrijdende samenwerkingstest uit te voeren met twee of drie DGS’en in de lidstaat van ontvangst. DGS’en kunnen ook het niveau van de ernst en complexiteit van het ontwerp van de stresstests intensiveren, bijvoorbeeld door een ander soort exercitie te kiezen (d.w.z. een DGS kan in eerste instantie een desk research uitvoeren om een bepaald aspect te beoordelen, en vervolgens een simulatie ter beoordeling van dat aspect uitvoeren).

3.29 DGS’en dienen te overwegen meer gelaagdheid aan te brengen in de complexiteit en stress van een of meer basistests, door aan de gekozen basistest een “bijzonder” scenario toe te voegen met ernstige problemen op het gebied van bedrijfscontinuïteit of externe omstandigheden die een DGS extra zouden belasten bij het vervullen van zijn functies, zoals beschreven in richtsnoer 4.

3.30 DGS’en dienen te rapporteren of en hoe zij de ernst en complexiteit van de door het DGS uitgevoerde stresstests in de loop van de tijd hebben geïntensiveerd (in vergelijking met de vorige stresstestcyclus of, indien van toepassing, binnen de gerapporteerde stresstestcyclus). Een DGS dient te overwegen tussen verschillende stresstestcycli de ernst en complexiteit van een stresstest te intensiveren. Een DGS dient ook een intensivering te overwegen van de ernst en complexiteit van twee vergelijkbare stresstests (met betrekking tot dezelfde wettelijke functie) die binnen dezelfde stresstestcyclus worden uitgevoerd.

3.31 Teneinde historische relevantie te waarborgen, dienen DGS’en tijdens hun programma als bedoeld in richtsnoer 2 scenario’s te testen waarin wordt beoordeeld in hoeverre hun systemen in staat zijn interventiegevallen te behandelen van een type en intensiteit zoals in het verleden zijn waargenomen, met name in de periode 2008-2012.

Richtsnoer 4: Indicatoren

4.1 Stresstests dienen gericht te zijn op de beoordeling van de veerkracht van het DGS ten aanzien van twee belangrijke risicogebieden:

  • (i) operationele risico’s, d.w.z. risico’s dat het DGS niet aan zijn verplichtingen kan voldoen als gevolg van ontoereikende of falende interne processen, onvoldoende personeelsbezetting en ontoereikende systemen; en
  • (ii) financieringsrisico’s, d.w.z. risico’s dat de financieringsbronnen als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2014/49/EU (periodieke bijdragen, buitengewone bijdragen en alternatieve financieringsplannen) onvoldoende zijn om het DGS in staat te stellen te voldoen aan zijn potentiële verplichtingen, of om hieraan te voldoen binnen de termijnen die vereist zijn volgens nationaal recht of het recht van de Unie.

4.2 Stresstests dienen zich uit te strekken tot diverse operationele stadia van interventie van een DGS, van de planning voorgaand aan falen tot de voorbereiding bij falen en de uitvoering van de interventie, met inbegrip van terugbetaling, bijdrage aan afwikkeling enz. DGS’en dienen minimaal de in onderhavig richtsnoer beschreven indicatoren te meten.

4.3 Operationele capaciteiten en financieringscapaciteiten dienen te worden getest aan de hand van de in richtsnoer 3 beschreven basistests. Daarnaast dienen DGS’en tijdens een stresstestcyclus gerichte exercities uit te voeren ter periodieke controle van de IKB-bestanden van alle aangesloten instellingen.

4.4 Indien een DGS besluit om extra aspecten te beoordelen die het relevant acht voor de beoordeling van zijn capaciteiten, anders dan de aspecten die door middel van de indicatoren in deze richtsnoeren zijn opgenomen, kan een DGS verslag uitbrengen over de resultaten van de tests van deze aspecten door in het rapportageformulier de op eigen initiatief ontwikkelde indicatoren en de resultaten van desbetreffende tests te vermelden. Het rapportageformulier bevat een speciale sectie voor de rapportage over dergelijke indicatoren.

Operationele capaciteiten

4.5 Met DGS-stresstests wordt getest in hoeverre het DGS in staat is de processen en mechanismen uit te voeren die nodig zijn bij een interventie, waaronder toegang tot gegevens, personeel en andere operationele middelen, communicatie, betalingssystemen, tijdmeting en grensoverschrijdende samenwerking.

Toegang tot informatie

4.6 Toegang tot gegevens van goede kwaliteit over kredietinstellingen, deposanten en deposito’s dient met voorrang te worden getest om te waarborgen dat DGS’en in staat zijn om op elk moment hun taken te vervullen. 4.7 DGS’en dienen twee soorten tests uit te voeren met betrekking tot de IKB-bestanden:

  • a. beoordeling van de kwaliteit van IKB-bestanden in het kader van een test betreffende de veerkracht van een DGS om deposanten te compenseren in geval van insolventie van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU (“terugbetalingsfunctie”);
  • b. beoordeling van de kwaliteit van IKB-bestanden in het kader van periodieke routinematige tests van ten minste alle aangesloten kredietinstellingen die in aanmerking komende deposito’s aanhouden.

4.8 Voor beide soorten tests bevatten de richtsnoeren verschillende reeksen indicatoren. DGS’en wordt verzocht in het rapportageformulier afzonderlijk verslag uit te brengen over de periodieke tests van IKB-bestanden.

4.9 In principe dienen alle aangesloten instellingen die in aanmerking komende deposito’s aanhouden, te worden onderworpen aan periodieke tests van IKB-bestanden. Een DGS kan ervoor kiezen geen IKB-bestanden te testen van aangesloten instellingen die geen deposito-instelling zijn. In het rapportageformulier dienen DGS’en verslag uit te brengen over het aantal unieke instellingen i) die deelnemen aan het DGS ten tijde van de rapportage; ii) die deelnemen aan het DGS ten tijde van iedere testronde van IKB-bestanden; en iii) waarvan de IKB-bestanden zijn getest. Voor zover van toepassing dienen DGS’en verslag uit te brengen over de reden(en) van het verschil tussen het aantal geteste unieke instellingen en het aantal unieke instellingen dat deelneemt aan het DGS ten tijde van elke exercitie, bijvoorbeeld omdat niet alle aangesloten instellingen een deposito-instelling zijn of omdat tijdens de testronde van IKB-bestanden het aantal deelnemers is gewijzigd.

4.10 De kwaliteit van de IKB-bestanden van een instelling kan worden getest op basis van een steekproef die een subgroep van deposanten bestrijkt, mits de steekproefmethode wordt bepaald door het DGS en niet door de instelling, en mits de steekproef groot en divers genoeg is om representatief te zijn voor de portefeuille in aanmerking komende deposito’s van de instelling. DGS’en behouden echter het recht om een volledige test van IKB-bestanden uit te voeren. Indien gebruik is gemaakt van steekproeven, dienen DGS’en in het rapportageformulier informatie te verstrekken over de redenen voor het hanteren van een dergelijke benadering en over het gemiddelde aantal deposanten in de steekproef als absoluut aantal en als percentage van alle deposanten.

4.11 Uitgangspunt voor het beoordelen van de kwaliteit van de IKB-bestanden is de vraag of deze het DGS in het geval van falen alle informatie zouden geven die het nodig heeft om zijn interventie met betrekking tot een deposant af te ronden, waaronder de identiteit van deposanten, hun contactgegevens, hun rekeningen en de saldi daarvan, en de bedragen aan in aanmerking komende deposito’s en gedekte deposito’s. Hiertoe dienen DGS’en criteria vast te stellen voor een geldig of ongeldig IKB-bestand (bijv. onjuiste identiteitsgegevens, onjuiste adressen, inconsistente gegevens over dezelfde rekeninghouder of begunstigde, dubbele boekingen, enz.) en dienen zij het aantal ongeldige IKB-bestanden te meten als percentage van de bij de instelling geregistreerde bestanden of, voor zover van toepassing, de steekproef.

4.12 Naast het vaststellen van de criteria voor geldige of ongeldige IKB-bestanden, dienen DGS’en te overwegen een interne methodologie te ontwikkelen voor de beoordeling van IKB-bestanden, waarin verschillende indelingscriteria worden gehanteerd. Het rapportageformulier bevat in de sectie over periodieke tests van IKB-bestanden een veld waarin het DGS nadere informatie kan verstrekken over de methodologie die het heeft toegepast. DGS’en dienen te overwegen de methodologie met de kredietinstellingen te delen, om hen te informeren over de beoordelingscriteria en hen te stimuleren goed te presteren. DGS’en dienen eveneens te overwegen kredietinstellingen te informeren over de kwaliteit van hun prestaties ten opzichte van het sectorgemiddelde, teneinde verdere verbeteringen aan te moedigen onder de instellingen die onder het gemiddelde scoren. EBA moedigt DGS’en aan een dergelijke methodologie te ontwikkelen en een samenvatting van de methodologie en de beste prestaties met de kredietinstellingen te delen, met het oog op transparantie en aanmoediging.

4.13 Bij het uitvoeren van periodieke tests van IKB-bestanden combineren sommige DGS’en desk research van IKB-bestanden met bezoeken aan de kredietinstellingen, hetgeen een methodologie vereist voor de inspecties ter plaatse. Het rapportageformulier bevat een veld waarin DGS’en kunnen vermelden op welke manier zij periodieke tests van IKB-bestanden uitvoeren. Bij het uitbrengen van verslag aan EBA dienen DGS’en de belangrijkste kenmerken te beschrijven van de uitvoering van dergelijke tests (door middel van desk research van IKB-bestanden en/of bezoeken aan de kredietinstellingen). Hierbij dient onder meer verslag te worden gedaan over de wijze waarop kredietinstellingen worden geselecteerd (een jaarlijks bezoek aan iedere kredietinstelling versus een risicogebaseerde benadering), of de gegevens van de IKB-bestanden al dan niet worden vergeleken/gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijke gegevens bij de kredietinstelling (bijvoorbeeld door middel van inspecties ter plaatse), of tests van IKB-bestanden ad hoc worden uitgevoerd of vooraf worden aangekondigd, in welke mate de kredietinstelling betrokken is bij de beoordeling van de kwaliteit van de IKB-bestanden (bijvoorbeeld door de interne auditor bij de beoordeling te betrekken), of de externe auditor van de instelling al dan niet bij de beoordeling is betrokken, de mate waarin de controle van de kwaliteit van de IKB-bestanden is geautomatiseerd middels gebruik van datamodellen en validatiescores, en het vervolgtraject met de kredietinstelling indien er fouten zijn geconstateerd.

4.14 Wanneer bij een instelling onvoldoende kwaliteit is geconstateerd, dient ten minste binnen twee jaar een vervolgcontrole te worden uitgevoerd om de vooruitgang te beoordelen. Het DGS kan deze tweejarige periode aanpassen wanneer het, rekening houdend met de beschikbare personele en andere middelen, nodig is voorrang te geven aan tests bij andere kredietinstellingen waar zorgen bestaan over de kwaliteit van de IKB-bestanden of op basis van de algemene risicobeoordeling van kredietinstellingen door het DGS. 4.15 Wanneer er overeenkomstig nationaal recht regelingen zijn om op continue basis tijdelijke hoge saldi zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU of derdenrekeningen zoals bedoeld in artikel 7, lid 3, van die richtlijn, te oormerken, dienen die tijdelijke hoge saldi te worden opgenomen in de tests van IKB-bestanden. Dit voorschrift houdt geen verplichting voor het DGS of de aangesloten kredietinstellingen in om naar aanleiding van de test informatie van deposanten te vragen.

4.16 Voor het uitvoeren van de periodieke routinetests van IKB-bestanden dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i1: Termijn waarop geldige IKB-bestanden worden overgedragen, gerekend vanaf de dag waarop ze worden opgevraagd bij de aangesloten kredietinstelling (kwalitatief en kwantitatief)

i2: Het aandeel van geldige IKB-bestanden en het aandeel van ontoereikende gegevens in geldige IKB-bestanden (kwalitatief en kwantitatief)

i3: Kwaliteitsbeoordeling van aanwezige regelingen voor het opvragen en verkrijgen van IKB-bestanden (kwalitatief)

i4: Kwaliteitsbeoordeling van aanwezige regelingen voor het analyseren van IKB-bestanden en het onderhouden van contacten met de betrokken kredietinstellingen om, indien nodig, aanvullende/corrigerende gegevens op te vragen (kwalitatief)

4.17 Bij het vaststellen van de termijn die benodigd is voor de overdracht van IKB-bestanden (indicator i1) dienen DGS’en in overeenstemming met hun uitbetalingsprocedure de uiterste termijn vast te stellen voor de overdracht door de kredietinstelling aan het DGS van IKB-bestanden van voldoende kwaliteit, die vereist is om deposanten binnen zeven werkdagen te kunnen terugbetalen. Wanneer zij verslag uitbrengen aan EBA, dienen DGS’en melding te maken van de uiterste termijn in aantal dagen. Vervolgens dienen DGS’en te beoordelen hoeveel kredietinstellingen binnen die uiterste termijn in staat waren IKB-bestanden van voldoende kwaliteit te leveren. Wanneer DGS’en aan EBA verslag uitbrengen rapporteren zij welke uiterste termijn voor het indienen van een geldig IKB-bestand van voldoende kwaliteit door het DGS is vastgesteld om het DGS in staat te stellen binnen zeven werkdagen een uitbetaling te effectueren (of andere functies te vervullen overeenkomstig de DGS-richtlijn), zoals van toepassing in de periodieke tests van IKB-bestanden.

4.18 Wanneer DGS’en aan EBA verslag uitbrengen over indicator i1, dienen zij een kwalitatieve score en de volgende kwantitatieve aspecten te rapporteren:

  • • voor de gehele steekproef de minimale, gemiddelde en maximale tijd (indien mogelijk in uren) van de kredietinstellingen waarvan de IKB-bestanden zijn getest;
  • • het absolute en relatieve aantal kredietinstellingen dat binnen die uiterste termijn geldige IKB-bestanden heeft aangeleverd; en
  • • voor zover van toepassing, hoeveel IKB-bestanden werden opgevraagd op het vroegst mogelijke moment waarop het DGS het IKB-bestand zou kunnen opvragen tijdens een uitbetalingsscenario van het DGS (d.w.z. “ad hoc”), en hoeveel IKB-bestanden werden opgevraagd door de kredietinstelling vooraf mee te delen dat zij een verzoek zou ontvangen om in de nabije toekomst een IKB-bestand bij het DGS in te dienen (d.w.z. “met voorafgaande kennisgeving”), en of er verschillen waren in de tijd die benodigd was om IKB-bestanden in dergelijke gevallen te ontvangen.

4.19 Bij de beoordeling van indicator i2 dienen DGS’en, in overeenstemming met hun uitbetalingsprocedure en IKB-bestandsvereisten, te bepalen wanneer een IKB-bestand van onvoldoende kwaliteit is (d.w.z. ongeldig is) voor het tijdig en op juiste wijze terugbetaling verlenen aan deposanten. In een dergelijk geval wordt het IKB-bestand door het DGS afgewezen en wordt de kredietinstelling om een nieuwe indiening verzocht. DGS’en dienen ook het begrip “ontoereikende gegevens” te definiëren door te specificeren wanneer gegevens in IKB-bestanden als “ontoereikend” kunnen worden beschouwd, aangezien ontoereikende gegevens op zich niet leiden tot afwijzing van het IKB-bestand en de tijdige compensatie van deposanten niet in gevaar brengen. Vervolgens dienen DGS’en te beoordelen hoeveel kredietinstellingen in staat waren om IKB-bestanden van voldoende kwaliteit te leveren, en daarnaast wat het aandeel is qua ontoereikende gegevens van zowel de ongeldige als geldige IKB-bestanden. Bij hun rapportage aan EBA dienen DGS’en het volgende te vermelden:

  • a. de definitie van “ongeldige IKB-bestanden” en “geldige IKB-bestanden”; en
  • b. de definitie van ontoereikende gegevens, zoals vastgesteld door het DGS.

4.20 Bij het uitbrengen van verslag aan EBA over indicator i2 dienen DGS’en de volgende aspecten te rapporteren:

  • • het aantal kredietinstellingen dat in een testronde van IKB-bestanden in staat was geldige IKB-bestanden te leveren (in absolute cijfers en het relatieve aandeel van de geteste instellingen);
  • • het relatieve aandeel van ontoereikende gegevens, en wat betreft elk ongeldig en geldig IKB-bestand het minimum, maximum en gemiddelde van deze aandelen in elke testronde van IKB-bestanden.

4.21 In geval van indicatoren i3 en i4 zouden de “aanwezige regelingen” onder meer kunnen bestaan uit de relevante:

  • • voorschriften, vereisten en richtsnoeren waaraan DGS’en wettelijke bevoegdheden ontlenen voor het verkrijgen van IKB-bestanden;
  • • voorschriften, vereisten en richtsnoeren en/of gegevensmodellen waarin de inhoud van de IKB-bestanden en de (technische) gegevensvereisten van de IKB-bestanden worden gespecificeerd;
  • • communicatiekanalen die worden gebruikt om de IKB-bestanden te verkrijgen van, en informatie uit te wisselen met, aangesloten kredietinstellingen; en
  • • kanalen voor de overdracht van IKB-bestanden tussen het DGS en de aangesloten kredietinstellingen.

4.22 De kwaliteitsbeoordeling van dergelijke aanwezige regelingen kan worden gebaseerd op een desk research ten aanzien van dergelijke regelingen of op een simulatie van de werking van de regelingen in de praktijk, of op een combinatie van beide. Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over de resultaten, dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren en te vermelden welk soort exercitie is uitgevoerd voor de kwaliteitsbeoordeling.

4.23 Voor het testen van de verkrijging van IKB-bestanden in het kader van een test van de terugbetalingsfunctie, dienen DGS’en uitsluitend bovengenoemde indicator i3 te gebruiken:

i3: Kwaliteitsbeoordeling van aanwezige regelingen voor het opvragen en verkrijgen van IKB-bestanden (kwalitatief)

Informatie over bij een kredietinstelling geconstateerde problemen die waarschijnlijk tot een interventie van een DGS zullen leiden

4.24 DGS’en dienen een beoordeling te maken van de aanwezige regelingen voor het in overeenstemming met artikel 4, lid 10, van Richtlijn 2014/49/EU, verkrijgen van informatie over bij een kredietinstelling geconstateerde problemen die waarschijnlijk tot een interventie van een DGS zullen leiden. In dit verband dienen zij te beoordelen of deze regelingen het mogelijk maken vroegtijdig genoeg informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld wanneer bevoegde autoriteiten gebruikmaken van bevoegdheden uit hoofde van artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU (vroegtijdige interventie) of artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU P5F6 P (toezichtbevoegdheden) of wanneer bevoegde autoriteiten of afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU bepalen dat een instelling faalt of waarschijnlijk zal falen.

4.25 Voor het testen van de verkrijging van dergelijke informatie dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicator:

i5: Kwaliteit van de aanwezige regelingen voor het verkrijgen van informatie van bevoegde autoriteiten of afwikkelingsautoriteiten over geconstateerde problemen bij een kredietinstelling die tot een interventie van het DGS zouden kunnen leiden, waaronder de vraag of deze een waarborg zijn voor de tijdige ontvangst van informatie over beginnende verslechtering van de financiële situatie van een instelling (kwalitatief)

4.26 In indicator i5 kunnen de “aanwezige regelingen” onder meer bestaan uit:

  • • nationale wetgeving of andere vereisten die informatie-uitwisseling en samenwerking tussen het DGS en de bevoegde autoriteiten en/of afwikkelingsautoriteiten waarborgen;
  • • de governancestructuur van het DGS, indien het DGS gemeenschappelijke governancegebieden deelt met de bevoegde autoriteiten en/of afwikkelingsautoriteiten; of
  • • memoranda van overeenstemming of andere overeenkomsten tussen het DGS, de bevoegde autoriteiten en/of de afwikkelingsautoriteiten; en
  • • een crisishandboek of -handleiding voor het DGS, de bevoegde autoriteiten en/of de afwikkelingsautoriteiten.

4.27 De kwaliteit van dergelijke aanwezige regelingen kan worden beoordeeld door de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten te simuleren in het kader van een basistest, door de bestaande regelingen met de autoriteiten door te nemen (bijvoorbeeld door de communicatiekanalen, het governance- en besluitvormingsproces en de tijdschema’s voor het delen van informatie te testen), of door een documentencontrole uit te voeren met betrekking tot de in punt 4.26 genoemde deelgebieden. Bij een documentencontrole dienen de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten in kennis te worden gesteld van de conclusies die daaruit voortvloeien. De bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten kunnen ook worden betrokken bij de documentencontrole. Wanneer DGS’en aan EBA verslag uitbrengen over indicator i5, dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van deze score, en in die toelichting een beschrijving te geven van de wijze waarop de tests op dit gebied zijn uitgevoerd.

Personele en andere operationele middelen

4.28 DGS’en dienen met behulp van de basistests te testen of zij de nodige middelen tot hun beschikking hebben om de plotselinge toename van werkzaamheden als gevolg van een interventie aan te kunnen, in termen van budget, personeel, kantoorruimte, IT-apparatuur, callcenters, enz., met inbegrip van de hertoewijzing van bestaande vaste middelen of het aangaan van tijdelijke uitbestedingsovereenkomsten.

4.29 Onder bestaand personeel wordt het interne personeel verstaan dat in reguliere bedrijfsscenario’s in dienst is van of in onderaanneming werkzaam is voor het DGS. Dit kan ook personeel omvatten dat niet rechtstreeks in dienst is van het DGS, maar bij een andere overheidsinstantie werkt aan wie de functies van het DGS zijn toegewezen overeenkomstig de DGS-richtlijn en de richtlijn herstel en afwikkeling van banken. Onder bestaand budget wordt verstaan het budget van het DGS in reguliere bedrijfsscenario’s. Evenzo kunnen bestaande middelen worden gedefinieerd als de middelen van het DGS in reguliere bedrijfsscenario’s.

4.30 Onder extra personeel wordt het personeel verstaan dat in aanvulling op het bestaande personeel nodig is voor een DGS-interventie. Extra personeel omvat bijvoorbeeld werknemers van (externe) dienstverleners en collega’s van andere afdelingen indien een DGS deel uitmaakt van een andere autoriteit (bijv. bevoegde autoriteit, afwikkelingsautoriteit, centrale bank). Extra budget kan worden gedefinieerd als het budget dat in aanvulling op het bestaande budget nodig is voor een DGS-interventie. Dit omvat de voorzieningen die het DGS in reguliere bedrijfsscenario’s in zijn budgetten heeft opgenomen voor een mogelijke interventie. Onder extra middelen wordt verstaan de middelen die in aanvulling op de bestaande middelen nodig zijn voor een DGS-interventie. Voorbeelden hiervan zijn extra kantoor- en IT-apparatuur, kantoorruimte en/of serverruimte.

4.31 Een afdoende beoordeling in dit opzicht behoort niet uitsluitend te worden gebaseerd op een hypothetische verhoging van het budget, maar dient ten minste voor een deel noodmechanismen te omvatten die in goede tijden zijn opgezet (bijv. enige voorziening voor het tijdelijk in dienst nemen van personeel).

4.32 Gezien het belang van informatietechnologiesystemen (IT-systemen) bij het vervullen van DGS-functies, dienen DGS’en te beoordelen hoe het gesteld is met de beveiliging van hun IT-systemen. DGS’en dienen met name een beknopt verslag uit te brengen over de belangrijkste conclusies van de meest recente beschikbare interne/externe controles van de IT-veiligheidsaspecten of over IT-problemen die tijdens stresstests (of in de praktijk) zijn ondervonden, met bijzondere aandacht voor de daarbij vastgestelde tekortkomingen.

4.33 Voor het testen van de personele en andere operationele middelen dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i6: Toereikendheid van het bestaande personeel, budget en andere middelen die in een praktijkscenario beschikbaar zouden zijn (kwalitatief en kwantitatief)

i7: Toereikendheid van extra personeel, budget en andere middelen die, wanneer nodig, op korte termijn beschikbaar zouden zijn (kwalitatief en kwantitatief)

i8: Beoordeling van de veiligheid van de IT-systemen die van cruciaal belang zijn voor de uitvoering van de taken die aan het DGS zijn toevertrouwd (kwalitatief)

4.34 Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over de indicatoren i6 en i7, dienen zij de volgende resultaten te rapporteren:

  • • Kwalitatief: per categorie (personeel, budget en andere middelen) een kwalitatieve score die de toereikendheid aangeeft.
  • • Kwantitatief: voor zover van toepassing, het aantal personeelsleden (met vermelding of dit aantal per hoofd of in voltijdequivalenten wordt gerapporteerd), en tekorten in het budget en de middelen voor het uitvoeren van de DGS-taken.

Communicatie met deposanten en het bredere publiek

4.35 DGS’en dienen de communicatieprocessen te beoordelen die zouden worden toegepast wanneer zich een terugbetalingsscenario voordoet, en daarbij de communicatiestrategie en - middelen te toetsen.

4.36 Voor het testen van de communicatie met deposanten en het bredere publiek dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i9: Tijd voor het opzetten van callcenters en specifieke websites of webpagina’s (kwantitatief)

i10: Capaciteit van websites of callcenters in termen van aantal aansluitingen of gesprekken (kwalitatief en kwantitatief)

4.37 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i9 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren en kwantitatieve informatie te verstrekken. In het laatste geval dienen DGS’en het activeringsmoment van het DGS te gebruiken als beginpunt voor het meten van de tijd (t = 0). DGS’en dienen de tijd in aantal uren te rapporteren.

4.38 Bij de beoordeling van indicator i10 dienen DGS’en rekening te houden met het aantal deposanten van de geteste kredietinstelling(en) en bijgevolg met het aantal potentiële websitebezoeken en gesprekken. Bij het uitbrengen van verslag over indicator i10 dienen DGS’en het aantal deposanten van de geteste kredietinstelling(en) en een kwalitatieve score te rapporteren, kwantitatieve informatie te verstrekken en de volgende kwantitatieve resultaten mee te delen:

  • • voor websites: het aantal bezoekers per uur;
  • • voor callcenters: het aantal inkomende gesprekken dat een callcenter in een uur kan verwerken.

Betalingsinstrumenten

4.39 DGS’en dienen hun vermogen te testen om betalingen te doen aan deposanten, d.w.z. hun vermogen om de terug te betalen bedragen effectief over te maken aan deposanten.

4.40 Daartoe dienen DGS’en een beoordeling te maken van de kwaliteit van de bestaande processen voor het verzamelen van betalingsgegevens (informatie die in aanvulling op de gegevens in het IKB-bestand nodig is om de terugbetaling te doen), de beschikbare betalingsinstrumenten (bijv. bankoverschrijvingen, cheques, prepaidkaarten) en, voor zover van toepassing, hun vermogen om niet-ingezeten deposanten in de EU terug te betalen en in buitenlandse valuta te betalen. Bij het maken van een kwaliteitsbeoordeling dienen DGS’en rekening te houden met deze factoren, en met de vraag of de beschikbare betalingsinstrumenten al dan niet toereikend zijn voor terugbetaling aan de deposanten van een kredietinstelling met een aantal deposanten dat niet minder bedraagt dan het tweede kwartiel van aangesloten kredietinstellingen. De voor de test geselecteerde instelling mag niet tot de in punt 3.27 beschreven categorie behoren.

4.41 Nadat DGS’en de verschillende beschikbare processen en instrumenten hebben geëvalueerd, dienen zij te verifiëren dat zij in staat zijn deze snel in te zetten in stresssituaties met een groot aantal betalingen. Om dit te beoordelen, dienen DGS’en een van de volgende twee ernstigere stressscenario’s toe te passen, die beide een groter aantal betalingen inhouden dan die onder indicator i11:

  • • het gelijktijdige falen van twee kredietinstellingen: elke geselecteerde instelling moet een aantal deposanten hebben dat niet minder bedraagt dan het tweede kwartiel van aangesloten kredietinstellingen. De geselecteerde instellingen mogen niet behoren tot de in punt 3.27 beschreven categorie; of
  • • het falen van één kredietinstelling met een aantal deposanten dat niet minder bedraagt dan het tweede kwartiel van aangesloten kredietinstellingen. De geselecteerde instelling mag niet behoren tot de in punt 3.27 beschreven categorie.

4.42 Voor het testen van de betalingsinstrumenten dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i11: Evaluatie van de beschikbare betalingsinstrumenten voor uitbetalingsscenario’s (kwalitatief en kwantitatief)

i12: Toereikendheid bij toepassing op een groot aantal betalingen, zoals vastgesteld in de ernstigere stressscenario’s in de richtsnoeren (kwalitatief en kwantitatief)

4.43 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i11 dienen DGS’en:

  • • rekening te houden met de in punt 4.41 beschreven criteria wanneer zij een kwaliteitsbeoordeling geven, door zowel een kwalitatieve score te verstrekken als een toelichting te geven, onder meer door de score te onderbouwen en het gebruikte scenario toe te lichten;
  • • het aantal deposanten te rapporteren dat onder de test valt van het gebied dat is gemeten aan de hand van indicator i11 (kwantitatief).

4.44 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i12 dienen DGS’en een kwalitatieve score te verstrekken, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score (kwalitatief). Daarnaast dienen zij te vermelden welk soort ernstig stressscenario is gehanteerd en hoe groot het aantal deposanten is in de test van het gebied dat is gemeten aan de hand van indicator i12 (kwantitatief).

Terugbetalingstermijn

4.45 DGS’en dienen de tijd te meten die verstrijkt tussen de vaststelling dat deposito’s niet beschikbaar zijn en het punt waarop het terug te betalen bedrag beschikbaar moet zijn overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU, en dienen op basis daarvan eventuele vertragingen te meten ten opzichte van de terugbetalingstermijnen die zijn vastgelegd in artikel 8, lid 2 t/m 5, van die richtlijn.

4.46 Voor het testen van de terugbetalingstermijn dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i13: Voor terugbetalingsscenario’s: het vermogen van het DGS om het terug te betalen bedrag beschikbaar te stellen binnen de toepasselijke terugbetalingstermijn, onder meer het tijdstip van de vaststelling van de niet-beschikbaarheid van deposito’s tot het tijdstip waarop het terug te betalen bedrag beschikbaar wordt gesteld (kwalitatief en kwantitatief)

i14: Voor tijdelijke hoge saldi, derdenrekeningen of andere bijzondere gevallen: kwaliteitsbeoordeling van de interne procedures en middelen van DGS’en voor het innen en afhandelen van vorderingen van deposanten (kwalitatief)

4.47 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i13 dienen DGS’en het volgende te rapporteren:

  • • een kwalitatieve score die aangeeft in hoeverre het DGS in staat is het terug te betalen bedrag binnen de toepasselijke terugbetalingstermijn beschikbaar te stellen, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score;
  • • de termijn in aantal werkdagen die benodigd is om het terug te betalen bedrag beschikbaar te stellen, en de toepasselijke terugbetalingstermijn indien deze afwijkt van de informatie in de rubriek “Algemene informatie” van het rapportageformulier (kwantitatief).

4.48 Om het met indicator i14 gemeten gebied te beoordelen, dienen DGS’en tests uit te voeren van hun interne procedures voor terugbetaling in bijzondere gevallen zoals in geval van tijdelijke hoge saldi (THS), derdenrekeningen of andere bijzondere gevallen. Wanneer dergelijke gevallen niet in de IKB-bestanden zijn geoormerkt, dienen DGS’en tevens te overwegen om aan de hand van fictieve gevallen een simulatie uit te voeren van het terugbetalingsproces en de terugbetalingstermijn. Daarnaast dienen DGS’en te overwegen gebruik te maken van IKB-bestanden of fictieve gegevens om de periode te kwantificeren waarbinnen compensatie voor deze deposito’s zou plaatsvinden. Aan de hand van deze optionele kwantitatieve beoordeling kan worden berekend hoeveel tijd is verstreken tussen de vaststelling van de niet-beschikbaarheid van deposito’s en het tijdstip waarop het terug te betalen bedrag beschikbaar is gesteld, middels aftrek van de periode die het DGS moest wachten op de verstrekking van de benodigde informatie door de deposant of een andere belanghebbende.

4.49 Indien een DGS van oordeel is dat “bijzondere” gevallen anders dan tijdelijke hoge saldi en derdenrekeningen relevant zijn voor de beoordeling, kan een DGS dergelijke gevallen testen en daarover verslag uitbrengen in het kader van indicator i14. De beoordeling behoort gericht te zijn op beoordeling van de interne processen van de DGS. Daarnaast kunnen DGS’en fictieve gegevens gebruiken voor het kwantificeren van de termijn – in werkdagen – waarbinnen compensatie voor deze deposito’s zou plaatsvinden. Andere bijzondere gevallen zijn deposito’s of deposanten die meer aandacht en/of een speciale behandeling van het DGS vereisen voor het verrichten van de terugbetaling, bijvoorbeeld omdat het DGS specifieke informatie moet verkrijgen of omdat het op een andere manier van de normale terugbetalingsprocedures moet afwijken. Dergelijke bijzondere gevallen kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van nationale wetgeving of de specifieke kenmerken van de producten die door aangesloten kredietinstellingen worden aangeboden. Bij het uitbrengen van verslag aan EBA dienen DGS’en nadere informatie te verstrekken wanneer zij andere bijzondere gevallen hebben getest.

Grensoverschrijdende samenwerking (tussen lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst)

4.50 Indien DGS’en de rol vervullen van DGS in de lidstaat van herkomst of DGS in de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 14 van de DGS-richtlijn, dienen DGS’en de aanwezige systemen te testen voor terugbetaling aan deposanten bij bijkantoren die door hun aangesloten kredietinstellingen in andere lidstaten zijn opgezet.

4.51 DGS’en dienen te overwegen om, waar mogelijk, gebruik te maken van een risicogebaseerde benadering bij het selecteren van de DGS(’s) waarmee een grensoverschrijdende samenwerkingstest wordt uitgevoerd. Een risicogebaseerde benadering houdt in dat DGS’en op basis van de informatie die hen ter beschikking staat beoordelen wat de risico’s en waarschijnlijkheid zijn van het moeten samenwerken met bepaalde partner-DGS’en en welke rol zij zouden spelen in een dergelijke samenwerking. Deze aanpak zou passender kunnen zijn dan als enig criterium het aantal grensoverschrijdende bijkantoren te gebruiken. Bij het uitbrengen van verslag aan EBA dienen DGS’en te rapporteren met welke partner-DGS een test is uitgevoerd en in welke rol (DGS in lidstaat van herkomst of DGS in lidstaat van ontvangst) deze samenwerking heeft plaatsgevonden. Ook lichten zij de risicogebaseerde benadering toe die is gebruikt om het partner-DGS te kiezen.

4.52 Het DGS in de lidstaat van herkomst en het DGS in de lidstaat van ontvangst dienen te beoordelen of zij in staat zijn efficiënt en veilig met elkaar te communiceren. DGS’en dienen derhalve te beoordelen of zij in staat zijn toegang te verkrijgen tot de voor terugbetaling vereiste gegevens en of zij in staat zijn deze uit te wisselen. Eerst dienen DGS’en, in hun rol van DGS in de lidstaat van herkomst, te verifiëren dat zij in staat zijn geoormerkte IKB-bestandsinformatie te extraheren en bestanden met betalingsinstructies te genereren over deposanten bij bijkantoren die door hun aangesloten kredietinstellingen in andere lidstaten zijn opgericht, nadat de DGS’en in de lidstaat van herkomst de IKB-bestanden van deze kredietinstellingen hebben opgevraagd.

4.53 In hun rol van DGS in de lidstaat van herkomst dienen DGS’en de tijd te meten die nodig is om de bestanden met betalingsinstructies op te stellen en aan de DGS’en in de lidstaten van ontvangst ter beschikking te stellen, binnen de termijnen die zijn vastgelegd in de richtsnoeren van EBA inzake samenwerkingsovereenkomsten tussen depositogarantiestelsels uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU P6F7 P .

4.54 DGS’en dienen, in hun rol van DGS in de lidstaat van herkomst, een (voorbeeld van) een bestand met betalingsinstructies aan de DGS’en in de lidstaten van ontvangst te verstrekken om te testen of de communicatiekanalen naar behoren functioneren. Vervolgens dienen DGS’en in de lidstaten van ontvangst de ontvangen bestanden met betalingsinstructies te beoordelen om na te gaan of de bestanden alle informatie bevatten die nodig is om een betaling uit te voeren, waarna zij dit aan het DGS in de lidstaat van herkomst dienen te bevestigen.

4.55 De DGS’en in de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst dienen de kanalen voor overdracht van andere bestanden dan de bestanden met betalingsinstructies, zoals communicatiedocumenten en ondersteunende documenten die vereist zijn voor het uitvoeren van complexe gevallen van uitbetaling in beide richtingen, te toetsen.

4.56 DGS’en dienen, in hun rol van DGS in de lidstaat van ontvangst, te beoordelen of zij in staat zijn te communiceren met deposanten bij bijkantoren en het bredere publiek, met name door bescheiden en informatie voor individuele deposanten op te stellen (bijvoorbeeld brieven voor deposanten of handleidingen met antwoorden op veelgestelde vragen voor het personeel van callcenters). Aangezien het vermogen om met deposanten te communiceren wordt gemeten in het kader van basistests van de terugbetalingsfunctie (zonder uit te gaan van grensoverschrijdende samenwerking), dient de beoordeling zich te richten op de aspecten die specifiek van toepassing zijn op de communicatie met buitenlandse deposanten bij bijkantoren en het bredere publiek in lidstaten anders dan het DGS in de lidstaat van herkomst. Aangezien de opzet van een callcenter door het DGS in de lidstaat van ontvangst onder de indicatoren i9 en i10 ressorteert, valt dit aspect buiten het bereik van een dergelijke beoordeling.

4.57 DGS’en in de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst dienen de transmissiekanalen voor onderlinge overdracht van de financiële middelen te beoordelen, bijvoorbeeld door een simulatie uit te voeren van de feitelijke overdracht van (een deel van) de financiële middelen aan het partner-DGS of door middel van een desk research met betrekking tot de vereiste interne processen. In gevallen waarin DGS’en tijdens de lopende stresstestcyclus een dergelijk transmissiekanaal hebben gebruikt in het kader van overdracht van financiële middelen tussen DGS’en, en een aangesloten instelling zich aansluit bij een ander DGS P7F8 P is een dergelijke beoordeling van de transmissiekanalen facultatief.

4.58 DGS’en dienen hun capaciteiten om grensoverschrijdend samen te werken niet te testen als zij om een van de volgende redenen niet betrokken waren als DGS in de lidstaat van herkomst of DGS in de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 14 van de DGS-richtlijn:

  • • geen enkele aangesloten kredietinstelling heeft bijkantoren in een andere lidstaat en/of er is geen bijkantoor van EU-kredietinstellingen gevestigd in de lidstaat van de DGS’en;
  • • in het afwikkelingsplan van alle aangesloten kredietinstellingen met bijkantoren in andere lidstaten is bepaald dat afwikkelingsmaatregelen moeten worden genomen of dat de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 59 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken moet worden uitgeoefend in overeenstemming met het in artikel 10, lid 3, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken bedoelde relevante scenario.

4.59 Voor het testen van hun capaciteiten om grensoverschrijdend samen te werken, dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i15: Vermogen om geoormerkte-IKB-informatie te extraheren en bestanden met betalingsinstructies te genereren over deposanten bij bijkantoren die door hun aangesloten kredietinstellingen zijn opgericht in andere lidstaten (kwalitatief)

i16: De tijd die nodig is om bestanden met betalingsinstructies te genereren, gerekend vanaf het moment van de overdracht van IKB-bestanden door de instelling (kwalitatief en kwantitatief)

i17: De tijd die nodig is om bestanden met betalingsinstructies aan de autoriteiten in de lidstaat van ontvangst te verzenden, gerekend vanaf het moment van de overdracht van IKB-bestanden door de instelling (kwalitatief en kwantitatief)

i18: Kwaliteitsbeoordeling van de transmissiekanalen voor bestanden met betalingsinstructies (kwalitatief)

i19: Beoordeling en bevestiging door DGS’en in de lidstaat van ontvangst dat de bestanden met betalingsinstructies toereikend zijn voor het terugbetalen van deposanten (kwalitatief)

i20: Kwaliteitsbeoordeling van de transmissiekanalen voor andere bestanden dan de bestanden met betalingsinstructies (kwalitatief)

i21: Kwaliteitsbeoordeling van het vermogen van DGS’en in de lidstaat van ontvangst om namens en in samenwerking met het DGS in de lidstaat van herkomst te communiceren met deposanten bij bijkantoren en het bredere publiek, met name door verklaringen en informatie voor individuele deposanten op te stellen (kwalitatief)

i22: Kwaliteitsbeoordeling van de transmissiekanalen voor financiële middelen die nodig zijn voor de terugbetaling aan deposanten bij bijkantoren door het DGS in de lidstaat van ontvangst (kwalitatief)

i23: Vermogen om de uiterste termijnen te halen die zijn vastgelegd in de Richtsnoeren inzake samenwerkingsovereenkomsten tussen depositogarantiestelsels uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU (kwalitatief en kwantitatief)

i24: De tijd die nodig is voor overdracht door het DGS in de lidstaat van herkomst aan het DGS in de lidstaat van ontvangst van de financiële middelen die nodig zijn voor de terugbetaling aan deposanten bij bijkantoren (kwalitatief en kwantitatief)

4.60 Bij het uitbrengen van verslag over indicatoren i15, i16, i18, i19, i20, i21 en i22 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score.

4.61 Bij het uitbrengen van verslag over indicatoren i16 en i17 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score, en de tijd in uren, waarbij de overdracht van het IKB-bestand door de kredietinstelling als beginpunt wordt genomen (t = 0) (kwantitatief).

4.62 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i21 dienen DGS’en in de lidstaat van ontvangst zich te richten op de specifieke aspecten van communicatie met buitenlandse deposanten bij bijkantoren en het bredere publiek in lidstaten anders dan die waar het DGS in de lidstaat van herkomst is gevestigd (in vergelijking met de communicatie met deposanten van een kredietinstelling die in dezelfde lidstaat als het DGS is gevestigd in het kader van een terugbetalingsscenario zonder grensoverschrijdende samenwerking).

4.63 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i23 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score en de tijd in werkdagen (kwantitatief).

4.64 Bij de beoordeling van het gebied dat is gemeten aan de hand van indicator i24 dienen de DGS’en in de lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst in onderling overleg de uiterste termijn te bepalen voor de overdracht van financiële middelen aan het DGS in de lidstaat van ontvangst. DGS’en dienen de volledige verstreken tijd te kwantificeren, inclusief de tijd die gemoeid was met de overdracht van de financiële middelen van het DGS in de lidstaat van herkomst aan het DGS in de lidstaat van ontvangst en de tijd die gemoeid was met het beschikbaar stellen van de financiële middelen door het DGS in de lidstaat van ontvangst aan de deposanten. De resultaten van de beoordeling aan de hand van indicator i22 kunnen ook worden gebruikt voor de uitvoering van deze beoordeling. Bij het uitbrengen van verslag over indicator i24 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of de financiële middelen binnen de desbetreffende uiterste termijn zijn overgedragen, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score, en dienen zij de tijd – in werkdagen – te rapporteren die benodigd was voor de overdracht en de uiterste termijn voor de test die is overeengekomen met de partner-DGS (kwalitatief en kwantitatief).

Financieringscapaciteiten

4.65 DGS’en dienen in de basistests, naast de operationele capaciteiten, ook te toetsen in hoeverre hun financieringsmiddelen toereikend zijn om te voldoen aan hun betalingsverplichtingen, en hun toegang tot deze financieringsmiddelen te testen.

Toereikendheid van de financieringsmiddelen

4.66 Eerst dienen DGS’en de toereikendheid te beoordelen van de ex ante financiële middelen (beschikbare financiële middelen), de ex post bijdragen en alternatieve financieringsregelingen die beschikbaar zijn voor een DGS-interventie voor alle aangesloten instellingen waarvoor waarschijnlijk geen afwikkelingsmaatregel overeenkomstig punt 3.27 zal worden genomen. Deze beoordeling dient te worden gebaseerd op het meest recente gerapporteerde bedrag aan gedekte deposito’s van alle aangesloten instellingen op een bepaald moment. Dit is een desk research (berekening).

4.67 In het geval van ex post bijdragen dient rekening te worden gehouden met de beperkingen van artikel 10, lid 8, van Richtlijn 2014/49/EU, met inbegrip van de vraag of betalingen van bepaalde instellingen geheel of gedeeltelijk kunnen worden uitgesteld omdat de betalingen de liquiditeit of solvabiliteitspositie van de instellingen in gevaar zouden brengen P8F9 P . Op dezelfde wijze dienen DGS’en te beoordelen of deze noodzakelijke buitengewone ex post bijdragen onder het jaarlijkse plafond van 0,5% blijven dat in de desbetreffende bepaling is vastgelegd. Wanneer dit niet het geval is, dienen zij expliciet te beoordelen of zij het plafond van 0,5% zouden kunnen verhogen.

4.68 Het gebruik van alternatieve financieringsregelingen, zoals leningen of kredietlijnen van publieke of particuliere derden, dient te worden gebaseerd op een objectieve beoordeling van de kenmerken die ten tijde van de test bekend zijn, zoals wederzijdse leenverplichtingen die zijn vastgelegd in schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten, formele kredietlijnen enz.

4.69 Voor het testen van de toereikendheid van hun financieringsmiddelen dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i25: Toereikendheid van de ex ante financieringsmiddelen ter dekking van de financieringsbehoefte van de aangesloten instellingen van de DGS’en die niet in de in punt 3.27 van de richtsnoeren beschreven categorie vallen (rapportage van het absolute en relatieve aantal instellingen met een tekort en, indien van toepassing, het minimum-, maximum- en gemiddelde tekort in absolute waarden en als percentage van de financieringsbehoefte) (kwalitatief en kwantitatief)

i26: Toereikendheid van ex post bijdragen ter dekking van de financieringsbehoefte van de aangesloten instellingen van de DGS’en die niet in de in punt 3.27 van de richtsnoeren beschreven categorie vallen en waarvoor de ex ante financiële middelen ontoereikend zijn (rapportage van het absolute en relatieve aantal instellingen met een tekort en, indien van toepassing, het minimum-, maximum- en gemiddelde tekort in absolute waarden en als percentage van de financieringsbehoefte) (kwalitatief en kwantitatief)

i27: Toereikendheid van alternatieve financieringsregelingen ter dekking van de financieringsbehoefte van de aangesloten instellingen van de DGS’en die niet in de in punt 3.27 van de richtsnoeren beschreven categorie vallen en waarvoor de ex ante financiële middelen en de ex post bijdragen ontoereikend zijn (rapportage van het absolute en relatieve aantal instellingen met een tekort en, indien van toepassing, het minimum-, maximum- en gemiddelde tekort in absolute waarden en als percentage van de financieringsbehoefte) (kwalitatief en kwantitatief)

4.70 Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over de indicatoren i25, i26 en i27 dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score.

Toegang tot de financieringsmiddelen

4.71 In de tweede plaats dienen DGS’en het governancekader en het besluitvormingsproces voor het verkrijgen van de voor een DGS-interventie vereiste financiering te beoordelen. DGS’en dienen tevens te beoordelen in hoeverre zij toegang kunnen krijgen tot ex ante financiële middelen door geïnvesteerd vermogen te liquideren, binnen de voor de interventie geldende termijn.

4.72 In dit verband dient ten aanzien van de terugbetalingsscenario’s van DGS’en in de test rekening te worden gehouden met de bedragen die daadwerkelijk beschikbaar zouden zijn binnen de terugbetalingsperiode. Voor andere interventiescenario’s dienen DGS’en de toepasselijke periode voor bijdragen aan dergelijke interventies te bepalen. Voor alle scenario’s impliceert dit een beoordeling van de liquiditeit van de geïnvesteerde beschikbare financiële middelen en betalingsverplichtingen, onder meer wanneer de markt onder druk staat. DGS’en dienen de liquidatie van hun activa te testen, hetzij voor het volledige bedrag van hun activa, hetzij voor een deel van hun activa, en hierover verslag uit te brengen bij de rapportage van hun stresstestresultaten. Indien mogelijk dienen DGS’en bij deze test uit te gaan van gespannen marktomstandigheden. Bij de rapportage aan EBA dienen DGS’en de aannames/voorwaarden te beschrijven die van toepassing zijn op de test, zoals of er is uitgegaan van gespannen marktomstandigheden – zo ja, dienen zij nadere bijzonderheden daaromtrent te verstrekken. 4.73 Daarnaast dienen DGS’en het innen van ex post bijdragen en de toegang tot alternatieve financieringsregelingen te testen, ongeacht het bedrag aan ex ante financiële middelen. Om deze beoordeling uit te voeren, kunnen DGS’en faalsimulaties uitvoeren voor één geselecteerde kredietinstelling of meerdere tests uitvoeren met verschillende aannames (zoals afzonderlijke tests voor iedere mogelijke financieringsbron). De voor deze exercities geselecteerde kredietinstelling mag niet in de in punt 3.27 van de richtsnoeren beschreven categorie vallen. Indien een DGS één kredietinstelling selecteert voor de beoordeling van zowel de operationele capaciteiten als de financieringscapaciteiten, dient het DGS erop toe te zien dat het een kredietinstelling selecteert met een aantal deposanten dat niet minder bedraagt dan het tweede kwartiel van aangesloten kredietinstellingen die niet in de in punt 3.27 beschreven categorie vallen. DGS’en dienen op geanonimiseerde wijze verslag uit te brengen aan EBA over de kenmerken van de voor de test geselecteerde kredietinstelling.

4.74 Indien nationaal recht voorziet in een bepaalde volgorde wat betreft gebruik en afname van beschikbare financiële middelen, ex post bijdragen en alternatieve financieringsregelingen, dient bij het ontwerpen van de stresstest rekening te worden gehouden met de toepasselijke regels.

4.75 Indien een DGS regelingen heeft getroffen om toegang te krijgen tot alternatieve financieringsregelingen afkomstig uit meer dan één bron (bijv. een commerciële lening of een staatslening), dient het DGS de toegang tot de financiële middelen uit ten minste één van deze bronnen in een stresstestcyclus te testen. De andere bronnen van de alternatieve financieringsregelingen kunnen door het DGS in de volgende cycli worden beoordeeld.

4.76 DGS’en dienen te bepalen hoeveel tijd er nodig is om toegang te verkrijgen tot ex post financiële middelen en alternatieve financieringsregelingen. Bij het uitbrengen van verslag aan EBA dienen de DGS’en tevens de toepasselijke uiterste termijn voor toegang tot financiële middelen voor de interventie te rapporteren. DGS’en dienen tevens te overwegen een beoordeling uit te voeren van de transmissiekanalen voor het innen van ex post bijdragen en de toegang tot alternatieve financieringsregelingen, bijvoorbeeld door een simulatie uit te voeren van de feitelijke overdracht van alle of sommige financiële middelen aan het DGS of door middel van een desk research met betrekking tot de vereiste interne processen. Wanneer de transmissiekanalen voor het innen van ex post en ex ante bijdragen echter identiek zijn, kunnen DGS’en de transmissiekanalen niettemin testen voor de ex ante of ex post bijdragen. Wanneer binnen de huidige stresstestcyclus ex ante of ex post bijdragen zijn verzameld, hoeven DGS’en de transmissiekanalen niet afzonderlijk te testen en rapporteren zij over de praktijksituatie.

4.77 Voor het testen van de toegang tot hun financieringsmiddelen dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren:

i28: Kwaliteitsbeoordeling van het governancekader en besluitvormingsproces van het DGS voor het verkrijgen van de voor een DGS-interventie vereiste financieringsmiddelen (kwalitatief) i29: Beoordeling van het vermogen van het DGS om toegang te krijgen tot ex ante financiële middelen door vermogen dat als onderdeel van de beschikbare financieringsmiddelen is belegd te liquideren binnen de voor de interventie geldende termijn (kwantitatief ondersteund door kwalitatief)

i30: Beoordeling van het vermogen van het DGS om ex post bijdragen te innen door inning van buitengewone bijdragen binnen de voor de interventie geldende termijn (kwantitatief ondersteund door kwalitatief)

i31: Beoordeling van het vermogen van het DGS om binnen de voor de interventie geldende termijn toegang te krijgen tot alternatieve financieringsregelingen (kwantitatief ondersteund door kwalitatief)

4.78 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i28 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score.

4.79 Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over indicator i29 dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of er binnen de voor de interventie geldende termijn toegang is verkregen tot ex ante financiële middelen, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Daarnaast dienen zij de benodigde tijd in werkdagen voor het toegang verkrijgen tot ex ante financiële middelen en de termijn in werkdagen die van toepassing is op de geteste interventie (kwalitatief en kwantitatief) te rapporteren.

4.80 Bij het uitbrengen van verslag over indicator i30 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of er ex post bijdragen zijn geïnd binnen de voor de interventie geldende termijn, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Daarnaast dienen zij de benodigde tijd in werkdagen voor het innen van ex post bijdragen en de termijn in werkdagen die van toepassing is op de geteste interventie (kwalitatief en kwantitatief) te rapporteren.

4.81 Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over indicator i31 dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of er binnen de voor de interventie geldende termijn toegang tot alternatieve financieringsregelingen is verkregen, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Daarnaast dienen zij de benodigde tijd in werkdagen voor het toegang verkrijgen tot alternatieve financieringsregelingen en de termijn in werkdagen die van toepassing is op de geteste interventie (kwalitatief en kwantitatief) te rapporteren.

Capaciteiten voor het bijdragen aan afwikkeling, voorkomen van falen en bijdragen aan insolventieprocedures

4.82 DGS’en dienen een beoordeling te maken van hun operationele en financiële capaciteiten om bij te dragen aan afwikkeling en, in voorkomend geval, om hun beschikbare financiële middelen in te zetten voor het uitvoeren van interventies in verband met de functies ‘voorkoming van falen’ en ‘bijdragen aan insolventieprocedures’ als bedoeld in punt 3.2. 4.83 DGS’en dienen gebruik te maken van de indicatoren die zijn gedefinieerd voor de relevante basistest die overeenkomstig dit richtsnoer wordt uitgevoerd. DGS’en die basistests uitvoeren met betrekking tot bijdrage aan afwikkeling, voorkoming van falen en bijdrage aan insolventieprocedures, kunnen gebruikmaken van de relevante resultaten en conclusies die voortvloeien uit de indicatoren die zijn toegepast in een eerdere stresstest van de terugbetalingsfunctie. Deze eerdere resultaten vloeien voort uit een stresstest van de terugbetalingsfunctie die tijdens de lopende stresstestcyclus (indien haalbaar) of de laatste stresstestcyclus van het DGS is uitgevoerd. Bij gebruik van eerdere resultaten dienen DGS’en te overwegen of het nodig is deze aan te vullen met aanvullende beoordelingen die specifiek van toepassing zijn op het bijdragen aan afwikkeling, voorkomen van falen of bijdragen aan insolventieprocedures.

Specifieke indicatoren

4.84 DGS’en dienen hun capaciteiten voor het bijdragen aan afwikkeling, voorkomen van falen en bijdragen aan insolventieprocedures te toetsen aan de hand van de volgende indicatoren:

i32: Voor de bijdrage aan afwikkeling: de tijd die is verstreken vanaf het verzoek van de afwikkelingsautoriteit tot de betaling van de bijdrage (kwalitatief en kwantitatief)

i33: Voor het voorkomen van falen: (een schatting van) de tijd die het DGS heeft besteed aan de uitvoering van de interventie (facultatief – kwalitatief en kwantitatief)

i34: Voor het voorkomen van falen: kwaliteitsbeoordeling van de procedures en middelen die het DGS heeft vastgesteld om te waarborgen dat de kosten van de maatregelen niet hoger zijn dan de kosten die nodig zijn om de wettelijke of contractuele opdracht van het DGS te vervullen overeenkomstig artikel 11, lid 3, punt c), van de DGS-richtlijn (kwalitatief)

i35: Voor het voorkomen van falen: kwaliteitsbeoordeling van de procedures en middelen die het DGS heeft vastgesteld om zijn risicobewaking van de kredietinstelling strenger te maken en zijn controlerechten uit te breiden overeenkomstig artikel 11, lid 3, punt d), van de DGS-richtlijn (kwalitatief)

i36: Voor het voorkomen van falen: kwaliteitsbeoordeling van het vermogen van het DGS om buitengewone bijdragen te verstrekken overeenkomstig artikel 11, lid 5, van de DGS-richtlijn (kwalitatief)

i37: Voor de bijdrage aan insolventieprocedures: de tijd die is besteed aan de uitvoering van de interventie van het DGS (kwalitatief en kwantitatief)

i38: Voor de bijdrage aan insolventieprocedures: kwaliteitsbeoordeling van de interne procedures en middelen die het DGS heeft vastgesteld om te waarborgen dat de door het DGS gedragen kosten niet hoger zijn dan het nettobedrag voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de DGS-richtlijn (kwalitatief) 4.85 Bij de planningsfase als bedoeld in richtsnoer 2 en voor de beoordeling van het aan de hand van indicator i32 gemeten gebied, dienen DGS’en contact op te nemen met afwikkelingsautoriteiten om in een geest van samenwerking het tijdsbestek vast te stellen waarbinnen de betaling van de bijdrage aan afwikkeling moet plaatsvinden, opdat de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsmaatregelen kan uitvoeren. Dit tijdsbestek kan variëren naargelang van het gebruikte scenario of afwikkelingsinstrument. Voorts moedigt EBA de DGS’en en afwikkelingsautoriteiten aan om samen te werken aan het ontwerp en de uitvoering van stresstests van bijdragen aan afwikkelingsscenario’s, bijvoorbeeld door een gezamenlijke exercitie uit te voeren. Bij het uitbrengen van verslag over indicator i32 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of de financiële middelen binnen de toepasselijke termijn zijn overgedragen, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Daarnaast dienen zij de benodigde tijd voor de overdracht en de uiterste termijn die van toepassing is op de test (kwantitatief) te rapporteren.

4.86 De toepassing van indicator i33 is facultatief. Wanneer DGS’en besluiten indicator i33 toe te passen, dienen zij contact op te nemen met de relevante autoriteiten om het tijdsbestek te bepalen waarbinnen de maatregelen moeten worden uitgevoerd. DGS’en kunnen dit tijdsbestek ook zelfstandig bepalen indien zij daartoe bevoegd zijn. DGS’en dienen rekening te houden met eventuele praktijkervaringen uit het verleden. Dit tijdsbestek kan variëren naargelang het gebruikte scenario of de getroffen maatregel. Dit betekent dat het DGS een tijdsinschatting kan maken op basis van een van de mogelijke scenario’s. Het relevante beginpunt voor het kwantificeren van de verstreken tijd is afhankelijk van het toepasselijke nationale kader. Als beginpunt kan onder meer het verzoek van de kredietinstelling, van de aangewezen autoriteit of van de toezichthoudende autoriteit worden gehanteerd. Bij het uitbrengen van verslag over indicator i33 dienen DGS’en te specificeren vanaf welk beginpunt de verstreken tijd wordt beoordeeld en de redenen voor de keuze van dit beginpunt. DGS’en dienen ook verslag uit te brengen over de belangrijkste aannames van de test.

4.87 Bij de toepassing van indicator i35 dienen DGS’en te overwegen om daarbij toezichthoudende autoriteiten te betrekken overeenkomstig artikel 11, lid 3, punt d), van de DGS-richtlijn en de toepasselijke nationale bepalingen. In dat geval dienen DGS’en zich bij hun beoordeling uitsluitend te richten op de interne maatregelen die zij kunnen nemen.

4.88 Bij de toepassing van indicator i36 dienen DGS’en zich te richten op de specifieke procedures die zij overeenkomstig artikel 11, lid 5, van de DGS-richtlijn hebben ingevoerd. Indien er geen specifieke procedure is ingevoerd, hoeven DGS’en alleen deze bevinding te rapporteren.

4.89 Bij de toepassing van indicator i37 dienen DGS’en contact op te nemen met de relevante autoriteiten om het tijdsbestek te bepalen waarbinnen de maatregelen moeten worden uitgevoerd. DGS’en kunnen dit tijdsbestek ook zelfstandig bepalen indien zij daartoe bevoegd zijn. DGS’en dienen rekening te houden met eventuele praktijkervaringen uit het verleden. Dit tijdsbestek kan variëren naargelang het gebruikte scenario of de getroffen maatregel. Het relevante beginpunt voor het kwantificeren van de verstreken tijd is afhankelijk van het toepasselijke nationale kader. Als beginpunt kan onder meer het verzoek van de kredietinstelling, van de aangewezen autoriteit of van de toezichthoudende autoriteit worden gehanteerd.

4.90 Wanneer DGS’en verslag uitbrengen over de indicatoren i33 en i37, dienen zij een kwalitatieve score te rapporteren die aangeeft of de maatregelen binnen de toepasselijke termijn zijn uitgevoerd, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Daarnaast dienen zij de benodigde tijd en de termijn die van toepassing is op de test (kwantitatief) te rapporteren. DGS’en dienen ook te rapporteren vanaf welk beginpunt de verstreken tijd wordt beoordeeld en opgaaf te doen van de redenen voor de keuze van dit beginpunt. Bij het uitbrengen van verslag over indicator i38 dienen DGS’en te specificeren of er (in de context van praktijkervaringen uit het verleden of met het oog op paraatheid) procedures in overeenstemming met de nationale bepalingen zijn ingevoerd om een potentiële koper voor overname van de over te dragen gedekte deposito’s te vinden.

4.91 Bij het uitbrengen van verslag over de indicatoren i34, i35, i36 en i38 dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score.

Andere toepasselijke indicatoren

4.92 Naast de in punt 4.84 genoemde specifieke indicatoren dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren, ook voor het testen van hun terugbetalingsfunctie.

4.93 Voor het testen van hun capaciteiten om bij te dragen aan afwikkeling dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende bovengenoemde indicatoren: i5, i6, i7, i8, i28, i29, i30 en i31.

4.94 Bij de toepassing van deze indicatoren dienen DGS’en er rekening mee te houden dat de bijdrage van een DGS aan afwikkeling mogelijk binnen een korter tijdsbestek moet worden uitgevoerd dan de toepasselijke termijn waarin is voorzien voor het beschikbaar stellen van het terug te betalen bedrag aan deposanten.

4.95 Bij de toepassing van de indicatoren i6 en i7 dienen DGS’en te beoordelen of het extra personeel, budget en andere middelen toereikend zijn voor het leveren van hun bijdrage binnen een tijdsbestek conform de vereisten van afwikkelingsprocedures. DGS’en dienen contact op te nemen met de afwikkelingsautoriteiten voor het vaststellen van dit tijdsbestek, dat kan verschillen naargelang het gebruikte scenario en afwikkelingsinstrument.

4.96 DGS’en dienen indicator i8 alleen toe te passen als zij andere IT-systemen gebruiken dan die welke in het kader van hun terugbetalingsfunctie worden gebruikt. Bij de toepassing van indicator i8 dienen DGS’en de beveiliging te beoordelen van de IT-systemen die van cruciaal belang zijn voor het tijdig bijdragen aan een afwikkeling.

4.97 Bij de toepassing van indicator i28 dienen DGS’en rekening te houden met de eventuele nationale juridische, contractuele of wettelijke bepalingen betreffende het governance- en besluitvormingsproces van DGS’en die specifiek van toepassing zijn in het kader van de bijdrage aan afwikkeling.

4.98 Voor het testen van hun capaciteiten om het falen van kredietinstellingen te voorkomen, dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicatoren: i5, i6, i7, i8, i28 en i29.

4.99 Bij de toepassing van indicator i6 dienen DGS’en te beoordelen in hoeverre het bestaande personeel toereikend is voor kwantificering van de kosten van interventies van DGS’en overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de DGS-richtlijn.

4.100 Bij de toepassing van indicator i7 dienen DGS’en te beoordelen in hoeverre het extra personeel toereikend is voor kwantificering van de kosten van interventies van DGS’en overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de DGS-richtlijn.

4.101 DGS’en dienen indicator i8 alleen toe te passen als zij andere IT-systemen gebruiken dan die welke in het kader van hun terugbetalingsfunctie worden gebruikt. Bij de toepassing van indicator i8 dienen DGS’en de beveiliging te beoordelen van de IT-systemen die cruciaal zijn voor het kwantificeren van de kosten van interventies van DGS’en overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de DGS-richtlijn.

4.102 Bij de toepassing van indicator i28 dienen DGS’en rekening te houden met eventuele nationale juridische, contractuele of wettelijke bepalingen met betrekking tot het governance- en besluitvormingsproces van DGS’en die specifiek van toepassing zijn in het kader van het voorkomen van falen.

4.103 Met het oog op het testen van hun capaciteiten om falen te voorkomen, kunnen DGS’en ook op vrijwillige basis de indicatoren i30 en i31 in overeenstemming met de toepasselijke nationale bepalingen toepassen.

4.104 Voor het testen van hun capaciteiten om bij te dragen aan insolventieprocedures dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende bovengenoemde indicatoren: i5, i6, i7, i8, i28 en i29.

4.105 Bij de toepassing van indicator i7 dienen DGS’en te beoordelen in hoeverre het extra personeel toereikend is voor kwantificering van de kosten van interventies van DGS’en overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de DGS-richtlijn.

4.106 DGS’en dienen indicator i8 alleen toe te passen als zij andere IT-systemen gebruiken dan die welke in het kader van hun terugbetalingsfunctie worden gebruikt. Bij de toepassing van indicator i8 dienen DGS’en de beveiliging te beoordelen van de IT-systemen die cruciaal zijn voor kwantificering van de kosten van interventies van DGS’en overeenkomstig artikel 11, lid 6, van de DGSD.

4.107 Bij de toepassing van indicator i28 dienen DGS’en rekening te houden met eventuele nationale juridische, contractuele of wettelijke bepalingen met betrekking tot het governance- en besluitvormingsproces van de DGS’en die specifiek van toepassing zijn in het kader van de bijdrage aan insolventieprocedures.

4.108 Om hun capaciteiten voor het bijdragen aan insolventieprocedures te testen, kunnen DGS’en ook op vrijwillige basis de indicatoren i30 en i31 toepassen in overeenstemming met de toepasselijke nationale bepalingen.

Extra stressscenario’s en extra indicatoren

Extra stressscenario’s

4.109 DGS’en dienen te overwegen meer gelaagdheid aan te brengen in de complexiteit en stress van een of meer basistests, door aan de gekozen basistest een “bijzonder” scenario toe te voegen met ernstige uitdagingen voor de bedrijfscontinuïteit of met externe omstandigheden die een DGS bij het vervullen van zijn functies extra stress zouden bezorgen.

4.110 Een niet-uitputtende lijst van voorbeelden van dergelijke scenario’s omvat: meerdere DGS-uitbetalingen tegelijkertijd, economische stress en geen mogelijkheid om activa op de markt te liquideren of financiële middelen aan te trekken op de markt, IT-/operationele problemen bij het DGS of de falende kredietinstelling, en externe omstandigheden die van invloed zijn op de activiteiten van het DGS, zoals een epidemie/pandemie, stroomonderbreking, internetstoring en staking. Wanneer DGS’en verslag uitbrengen aan EBA dienen zij het testontwerp en het gekozen scenario te beschrijven.

4.111 Bij de toepassing van een dergelijk extra stressscenario dienen DGS’en gebruik te maken van de volgende indicator:

i39: Vermogen van het DGS om het hoofd te bieden aan uitdagingen in verband met de bedrijfscontinuïteit of externe omstandigheden die extra stress veroorzaken bij het vervullen van zijn functies (kwalitatief)

Op eigen initiatief zelf gebieden en indicatoren ontwikkelen

4.112 DGS’en kunnen – vrijwillig – op eigen initiatief aanvullende indicatoren ontwikkelen om andere gebieden te beoordelen dan die welke in de richtsnoeren zijn opgenomen. Een DGS kan dergelijke aanvullende indicatoren toevoegen voor aspecten die het DGS relevant acht voor de beoordeling van zijn capaciteiten en deze aspecten tijdens de toepasselijke stresstestcyclus beoordelen. Dit is een vrijwillige optie. Deze optie is bedoeld om DGS’en de flexibiliteit te bieden om de aspecten te testen die zij relevant achten voor hun situatie en daarover verslag uit te brengen. De opname van informatie over dergelijke gebieden in de stresstestrapporten die bij EBA worden ingediend, verschaft EBA en andere DGS’en inzicht in dergelijke aspecten met het oog op toekomstige collegiale toetsingen. 4.113 Bij het uitbrengen van verslag over dergelijke indicatoren dienen DGS’en een kwalitatieve score te rapporteren, vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score en, indien van toepassing, kwantitatieve informatie.


6 Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

7 EBA/GL/2016/02.

8 In overeenstemming met artikel 14, lid 3, van de DGS-richtlijn.

9 Zie de gedelegeerde handeling die de Commissie overeenkomstig artikel 104, lid 4, en artikel 115, van Richtlijn 2014/59/EU heeft vastgesteld.

Richtsnoer 5: Kwaliteitsbeoordeling van de resultaten van de tests en de veerkracht van het DGS

Systeem voor beoordeling aan de hand van individuele indicatoren

5.1 Bij de beoordeling van hun veerkracht ten aanzien van de verschillende indicatoren die in deze richtsnoeren zijn opgenomen, dienen DGS’en gebruik te maken van het volgende beoordelingssysteem.

5.2 Aangezien het doel van stresstests tweeledig is, namelijk het beoordelen van de veerkracht van het DGS en het vaststellen van tekortkomingen of verbeterpunten teneinde de systemen van het DGS te verbeteren, wordt verwacht en toegejuicht dat een DGS dergelijke verbeterpunten identificeert bij de uitvoering van zijn stresstests. Bij de toepassing van individuele indicatoren dienen DGS’en daarom een kwalitatieve score te rapporteren op basis van de volgende categorieën:

1) Het DGS heeft geen of een klein aantal verbeterpunten vastgesteld en dergelijke verbeterpunten zullen waarschijnlijk niet van invloed zijn op het vermogen van het DGS om zijn taken overeenkomstig de voorwaarden van de DGS-richtlijn uit te voeren.

2) Het DGS heeft een aanzienlijk aantal verbeterpunten geïdentificeerd, maar dergelijke verbeterpunten zullen waarschijnlijk niet van invloed zijn op het vermogen van het DGS om zijn taken overeenkomstig de voorwaarden van de DGS-richtlijn uit te voeren, bijvoorbeeld omdat dergelijke tekortkomingen geïsoleerd zijn en/of eenvoudig kunnen worden verholpen op het moment van falen.

3) Het DGS heeft een klein aantal verbeterpunten vastgesteld, maar dergelijke verbeterpunten zouden van invloed zijn op het vermogen van het DGS om zijn taken overeenkomstig de voorwaarden van de DGS-richtlijn uit te voeren (daarom moet het DGS aangeven welke maatregelen zijn genomen of gepland voor de nabije toekomst en wat de resultaten zijn van follow-uptests).

4) Het DGS heeft een groot aantal verbeterpunten geïdentificeerd en dergelijke verbeterpunten zouden van invloed zijn op het vermogen van het DGS om zijn taken overeenkomstig de voorwaarden van de DGS-richtlijn uit te voeren (daarom moet het DGS aangeven welke maatregelen zijn genomen of gepland voor de nabije toekomst en wat de resultaten zijn van follow-uptests). 5.3 De kwalitatieve scores dienen te worden aangevuld met informatie over kwantitatieve ontwikkelingen en met toelichtingen ter onderbouwing van het gerapporteerde resultaat wanneer daarom wordt verzocht in het rapportageformulier.

Van individuele indicatoren tot de veerkracht van het DGS bij het vervullen van zijn wettelijke functies

5.4 Bij de beoordeling van hun veerkracht wat betreft de wettelijke functies die in de basistest worden beoordeeld, dienen DGS’en gebruik te maken van het volgende beoordelingssysteem.

5.5 DGS’en dienen bij iedere basistest te rapporteren of zij zichzelf als “voldoende veerkrachtig” of “onvoldoende veerkrachtig” beoordelen.

  • • “Voldoende veerkrachtig” betekent dat het DGS in staat is de functie te vervullen die overeenkomstig de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU aan het DGS is toegewezen, zoals vastgesteld aan de hand van de relevante basistest.
  • • “Onvoldoende veerkrachtig” betekent dat het DGS niet in staat is de functie uit te voeren die overeenkomstig de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU aan het DGS is toegewezen, zoals vastgesteld aan de hand van de relevante basistest.

5.6 DGS’en dienen deze beoordeling aan te vullen met een toelichting ter onderbouwing van de gerapporteerde resultaten.

5.7 Indien een DGS wettelijk bevoegd is om een bepaalde taak overeenkomstig de DGS-richtlijn uit te voeren, maar een bepaalde basistest die van toepassing is op het DGS niet heeft uitgevoerd, dient het DGS dit te rapporteren door in het desbetreffende veld van het rapportageformulier “niet-getest gebied” in te vullen en de redenen voor het niet beoordelen van dit gebied toe te lichten.

Systeem voor beoordeling van algehele veerkracht

5.8 Bij de beoordeling van hun algehele veerkracht dienen DGS’en gebruik te maken van het volgende beoordelingssysteem.

5.9 DGS’en dienen te rapporteren of de algehele veerkracht bij de uitvoering van zijn volledige wettelijke bevoegdheid “voldoende veerkrachtig” of “onvoldoende veerkrachtig” is:

  • • “Voldoende veerkrachtig” betekent dat het DGS in staat is alle functies uit te voeren die overeenkomstig de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU aan het DGS zijn toegewezen.
  • • “Onvoldoende veerkrachtig” betekent dat het DGS niet in staat is ten minste één van de functies te vervullen die overeenkomstig de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU aan het DGS zijn toegewezen. 5.10 DGS’en dienen deze beoordeling aan te vullen met een toelichting ter onderbouwing van de gerapporteerde resultaten.
Richtsnoer 6: Instructies voor de rapportage aan EBA

6.1 Indien mogelijk dient het rapportageformulier de resultaten van ten minste één volledig door het DGS uitgevoerde stresstestcyclus te bevatten.

6.2 DGS’en dienen de in bijlage 1 beschreven informatie uiterlijk te rapporteren op de datum die, voor zover van toepassing, door EBA wordt bekendgemaakt bij het plannen en uitvoeren van collegiale toetsingen. Wat betreft de tweede collegiale toetsing waarvan de resultaten uiterlijk op 16 juni 2025 door EBA moeten worden gepubliceerd, dienen DGS’en hun resultaten uiterlijk te rapporteren op 16 juni 2024 aan EBA. Wat de latere stresstest- en rapportagecycli betreft, zal EBA de datum van de volgende uiterste rapportagetermijnen in de latere collegiale toetsingen van EBA of op andere wijze bekendmaken.

6.3 DGS’en dienen voor hun rapportage gebruik te maken van het rapportageformulier in bijlage 1 en de transmissiekanalen die door EBA voor de rapportage ter beschikking worden gesteld.

6.4 DGS’en dienen zich bij het invullen van het rapportageformulier aan de volgende instructies te houden:

  • • DGS’en dienen een kwalitatieve score (1-4) te geven voor elke indicator (kwalitatief), vergezeld van een toelichting ter onderbouwing van de kwalitatieve score. Voor zover van toepassing dienen DGS’en ook kwantitatieve informatie te verstrekken om de score te motiveren alsook vergelijkbare gegevens voor toekomstige collegiale toetsingen (kwantitatief).
  • • Wanneer naast een kwalitatieve score ook kwantitatieve informatie vereist is, dienen DGS’en de instructies in de richtsnoeren en het rapportageformulier te volgen, bijvoorbeeld wat betreft de meeteenheden.
  • • Wanneer een DGS een bepaald gebied niet heeft beoordeeld, dient het DGS dit aan te geven door in het desbetreffende veld in het rapportageformulier “niet-getest gebied” in te vullen. Daarnaast dienen DGS’en een schriftelijke verklaring te verstrekken waarin de reden voor het niet beoordelen van een bepaald gebied wordt beschreven.
  • • Voor tests van IKB-bestanden geldt bij rapportage van het aantal geteste unieke instellingen dat wanneer een DGS meerdere tests van IKB-bestanden bij één kredietinstelling heeft uitgevoerd, deze instelling meetelt als één unieke instelling.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/