+Richtsnoer 3: Basistests

Richtsnoer 3: Basistests

3.1 Teneinde op omvattende wijze te beoordelen in hoeverre DGS’en in staat zijn doeltreffend om te gaan met het falen van instellingen, dienen zij de in dit richtsnoer omschreven basistests uit te voeren.

DGS-functies die bij basistests moeten worden beoordeeld

3.2 Met het oog op de deskundige toetsing door EBA dienen DGS’en tijdens een stresstestcyclus basistests uit te voeren van de functies die hun wettelijk zijn toegewezen (zoals vastgelegd in de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU, zoals omgezet in nationaal recht), en de resultaten daarvan te rapporteren aan EBA. Het gaat hierbij om de volgende DGS-functies:

  • • de compensatie van deposanten in hun lidstaat in geval van insolventie van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU (“terugbetalingsfunctie”);
  • • de compensatie van deposanten bij bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend in geval van insolventie van een kredietinstelling overeenkomstig de artikelen 11, lid 1, en artikel 14 van Richtlijn 2014/49/EU (“terugbetalingsfunctie in het kader van grensoverschrijdende samenwerking”). DGS’en dienen een dergelijke basistest alleen uit te voeren in gevallen waarin zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende compensaties (als DGS van de lidstaat van herkomst, als DGS van de lidstaat van ontvangst of in beide rollen) overeenkomstig bovengenoemd artikel 14 van de DGS-richtlijn en de toepasselijke nationale bepalingen;
  • • de financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen zodat deposanten toegang blijven hebben tot hun deposito’s overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU en artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU (functie ‘bijdrage aan afwikkeling’);
  • • het gebruik van hun beschikbare financiële middelen voor alternatieve maatregelen om het falen van een kredietinstelling te voorkomen, indien toegestaan volgens het recht van de lidstaat waar het DGS is gevestigd, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU (functie ‘voorkoming van falen’); en
  • • het gebruik van hun beschikbare financiële middelen om de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s veilig te stellen in het kader van nationale insolventieprocedures, indien toegestaan volgens het recht van de lidstaat waar het DGS is gevestigd, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Richtlijn 2014/49/EU (functie ‘bijdrage aan de insolventieprocedure’).

3.3 Daarnaast dienen DGS’en verslag uit te brengen over de resultaten van de periodieke tests van IKB-bestanden die periodiek door hen worden uitgevoerd. De periodieke tests van IKB-bestanden zijn ook basistests. De resultaten van de periodieke tests van IKB-bestanden mogen niet worden verward of gecombineerd met de beoordeling van IKB-bestanden die plaatsvindt bij het uitvoeren van een basistest in het kader van de terugbetalingsfunctie. In dat laatste geval dient de beoordeling van IKB-bestanden te worden gerapporteerd als onderdeel van de resultaten van deze basistest in het kader van de terugbetalingsfunctie.

3.4 Indien DGS’en tijdens de stresstestcyclus belangrijke wijzigingen in de systemen of processen hebben doorgevoerd, dienen DGS’en bepaalde basistests opnieuw uit te voeren tijdens de lopende stresstestcyclus, op voorwaarde dat opnieuw testen binnen deze termijn operationeel gezien mogelijk is. Wanneer een DGS bijvoorbeeld zijn uitbetalingsmethode wijzigt van een correspondentbankmodel naar elektronische overmaking met gebruikmaking van het daartoe bestemde IT-platform van het DGS verandert het uitbetalingsproces aanzienlijk, en om de veerkracht te waarborgen dient het DGS zijn terugbetalingsfunctie opnieuw te testen aan de hand van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren die invloed ondervinden van deze wijziging.

3.5 Naargelang de basistest dienen DGS’en gebruik te maken van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren. DGS’en dienen de resultaten van de bovengenoemde basistests te rapporteren aan de aangewezen autoriteiten en EBA met behulp van het rapportageformulier in bijlage 1.

3.6 Met behulp van het rapportageformulier dienen DGS’en verslag uit te brengen aan EBA over iedere basistest, met een maximum van drie tests.

3.7 Een basistest dient ten minste eenmaal per stresstestcyclus volledig te worden uitgevoerd. Herhalingen van de basistest binnen dezelfde stresstestcyclus kunnen worden uitgevoerd door middel van reeksen gedetailleerde tests die tezamen alle indicatoren die betrekking hebben op deze bepaalde basistest omvatten. Functie terugbetaling

3.8 DGS’en testen in hoeverre zij in staat zijn deposanten terug te betalen overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/49/EU. Geen enkel DGS laat het testen van de terugbetalingsfunctie achterwege op grond van het feit dat het de hieronder beschreven functies betreffende afwikkeling en voorkoming van falen heeft getest of dat alle aangesloten kredietinstellingen in de in punt 3.27 beschreven categorie zouden vallen.

3.9 In een terugbetalingsscenario dient het DGS een simulatie uit te voeren van het falen van een of meer kredietinstellingen om te beoordelen of het terug te betalen bedrag als omschreven in artikel 7 van Richtlijn 2014/49/EU beschikbaar zou zijn binnen de terugbetalingstermijnen die zijn vastgelegd in artikel 8 van die richtlijn.

3.10 Daarnaast dient het DGS bij het testen van zijn veerkracht ten aanzien van het compenseren van deposanten, de kwaliteit van zijn interne processen voor het verzamelen en analyseren van de IKB-bestanden te beoordelen en contact te onderhouden met de betrokken kredietinstelling om, indien nodig, aanvullende/corrigerende gegevens op te vragen. Deze tests betreffende IKB-bestanden mogen niet worden verward of gecombineerd met de periodieke routinematige beoordelingen van IKB-bestanden.

3.11 Gedurende de looptijd van het programma als bedoeld in richtsnoer 2 dienen DGS’en gebruik te maken van de in richtsnoer 4 beschreven indicatoren die van toepassing zijn op de terugbetalingsfunctie.

Terugbetaling in het kader van grensoverschrijdende samenwerking

3.12 Indien DGS’en de rol vervullen van DGS in de lidstaat van herkomst of DGS in de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 14 van de DGS-richtlijn, dient het DGS een simulatie uit te voeren van het falen van een of meer kredietinstellingen met een of meer bijkantoren in een andere lidstaat.

3.13 DGS’en dienen dergelijke tests uit te voeren in de rol die op hen van toepassing is: als DGS in de lidstaat van herkomst, als DGS in de lidstaat van ontvangst, of in beide rollen indien van toepassing. Een DGS dient zijn rol als DGS in de lidstaat van ontvangst te testen wanneer het in een lidstaat is gevestigd waar ten minste één bijkantoor door een kredietinstelling uit een andere lidstaat wordt aangehouden. Een DGS dient zijn rol als DGS in de lidstaat van herkomst te testen wanneer een van zijn aangesloten instellingen in een andere lidstaat een bijkantoor heeft. Een DGS dient beide rollen te testen indien beide gevallen van toepassing zijn. Indien de nationale bepalingen voorschrijven dat één DGS verantwoordelijk is voor het beheer van grensoverschrijdende compensaties namens de andere DGS in dezelfde lidstaat, is de eis om basistests uit te voeren in samenwerking met de lidstaat van ontvangst alleen van toepassing op de desbetreffende DGS.

3.14 DGS’en dienen te overwegen om, indien mogelijk, een risicogebaseerde benadering te volgen bij het selecteren van de partner-DGS(’s) voor het testen van een terugbetaling met een grensoverschrijdend samenwerkingsscenario. Indien DGS X bijvoorbeeld lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst is voor DGS Y, en alleen lidstaat van ontvangst voor DGS Z, kan DGS X op basis van een risicogebaseerde benadering besluiten om de test uit te voeren in de rol van lidstaat van herkomst voor DGS Y, en in de rol van lidstaat van ontvangst voor DGS Z.

3.15 Gedurende de looptijd van het programma als bedoeld in richtsnoer 2 dienen DGS’en de indicatoren toe te passen die specifiek gelden voor het terugbetalingsscenario met samenwerking tussen lidstaat van herkomst en lidstaat van ontvangst, zoals beschreven in richtsnoer 4.

3.16 Indien een DGS niet in staat is een dergelijke basistest uit te voeren omdat er geen ander DGS heeft gekozen voor deelname als partner-DGS in het kader van grensoverschrijdende samenwerkingsexercities, dient dit in het rapportageformulier te worden gespecificeerd als “niet-getest gebied”, zoals bepaald in punt 5.7.

Bijdrage aan afwikkeling

3.17 In afwikkelingsscenario’s dient te worden uitgegaan van interventie met betrekking tot een aangesloten kredietinstelling die wordt afgewikkeld overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU en waarvoor een bijdrage van een DGS vereist is op grond van artikel 109 van die richtlijn.

3.18 DGS-stresstests met afwikkelingsscenario’s kunnen worden uitgevoerd op standalone-basis of als onderdeel van een bredere afwikkelingstest die wordt uitgevoerd onder leiding van afwikkelingsautoriteiten, mits alle in richtsnoer 4 beschreven indicatoren worden getest en toegepast.

3.19 Wanneer er een DGS-stresstest met een afwikkelingsscenario op standalone-basis wordt uitgevoerd, dient het DGS de afwikkelingsautoriteit te raadplegen bij het ontwerp van het scenario en de uitvoering van de test, en dient het de afwikkelingsautoriteit te verzoeken deel te nemen aan de test. Afwikkelingsautoriteiten dienen samen te werken met de DGS’en en verstrekken hun rechtstreeks of via de aangewezen autoriteiten de informatie die benodigd is om stresstests te ontwerpen en uit te voeren.

3.20 De aanname ten aanzien van het niveau van de bijdrage van een DGS aan de financiering van een afwikkeling dient te worden gekalibreerd met inachtneming van de regels die zijn vastgelegd in de artikelen 108 en 109 van Richtlijn 2014/59/EU en het profiel van de kredietinstellingen die zijn geselecteerd voor de test met een afwikkelingsscenario.

3.21 In uitzonderlijke gevallen kan een DGS, na overleg met de afwikkelingsautoriteit, het testen van afwikkelingsscenario’s achterwege laten wanneer het vaststelt dat geen van de aangesloten kredietinstellingen in een van de in punt 3.27 omschreven categorieën valt. Voorkoming van falen

3.22 Wanneer een DGS uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, middelen kan gebruiken om het falen van een kredietinstelling te voorkomen, dient het ten minste twee soorten tests uit te voeren:

  • • een test waarin een simulatie wordt uitgevoerd van een significante verslechtering van de financiële situatie van een of meer aangesloten kredietinstellingen, met inbegrip van de kapitaalpositie, de activakwaliteit en de liquiditeitspositie van die instelling(en). In deze context dient aan de hand van de test te worden beoordeeld of het DGS in staat zou zijn falen te voorkomen onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, onder meer door te kijken naar het soort alternatieve maatregelen dat zou kunnen worden genomen en te onderzoeken of het DGS het financieringsvermogen zou hebben om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;
  • • een test van de risicobewakingssystemen van het DGS. Wanneer zich in het verleden situaties hebben voorgedaan waarbij instellingen in moeilijkheden verkeerden, dienen DGS’en te bepalen of de bewakingssystemen in staat zijn geweest het dreigende risico te detecteren.

3.23 DGS-stresstests met betrekking tot voorkoming van falen dienen te worden uitgevoerd aan de hand van een specifieke reeks indicatoren zoals beschreven in richtsnoer 4.

Bijdrage aan insolventieprocedures

3.24 Bij de basistests met betrekking tot de bijdrage van een DGS aan insolventieprocedures dient te worden uitgegaan van interventie voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s in het kader van nationale insolventieprocedures overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Richtlijn 2014/49/EU.

3.25 DGS-stresstests met betrekking tot de bijdrage aan insolventieprocedures dienen te worden uitgevoerd aan de hand van een specifieke reeks indicatoren zoals beschreven in richtsnoer 4.

Selectie van aangesloten kredietinstellingen voor opname in basistests

3.26 Voor het uitvoeren van basistests dient een DGS een of meer van zijn aangesloten kredietinstellingen te selecteren waarvan het profiel geschikt is voor de geplande focus van de test, met inbegrip van het soort functies, de ernst en complexiteit van het scenario, en de geografische omvang daarvan.

3.27 Voor het testen van de bijdrage aan afwikkeling dient een DGS een of meer aangesloten kredietinstellingen te selecteren die relevant worden geacht. DGS’en dienen in overleg met de afwikkelingsautoriteiten een afweging te maken met betrekking tot een of meer te selecteren aangesloten kredietinstellingen. Ernst en complexiteit van de basistests

3.28 DGS’en dienen basistests uit te voeren uitgaande van verschillende niveaus van ernst en complexiteit. EBA erkent echter dat er grenzen zijn aan de toenemende complexiteit en ernst van de tests, en dat de stresstestscenario’s realistisch toepasbaar zouden moeten blijven voor de DGS’en. Mettertijd dienen DGS’en dus steeds geavanceerdere en ernstigere scenario’s toe te passen en daarbij vast te houden aan beoordelingen van het vermogen tot beheer van praktisch gezien te verwachten referentiescenario’s. Een DGS zou bijvoorbeeld om te beginnen een grensoverschrijdende samenwerkingstest kunnen uitvoeren in de rol van DGS in de lidstaat van herkomst met een ander DGS in de rol van DGS in de lidstaat van ontvangst. Vervolgens zou het DGS de toets complexer kunnen maken door tegelijkertijd een andere grensoverschrijdende samenwerkingstest uit te voeren met twee of drie DGS’en in de lidstaat van ontvangst. DGS’en kunnen ook het niveau van de ernst en complexiteit van het ontwerp van de stresstests intensiveren, bijvoorbeeld door een ander soort exercitie te kiezen (d.w.z. een DGS kan in eerste instantie een desk research uitvoeren om een bepaald aspect te beoordelen, en vervolgens een simulatie ter beoordeling van dat aspect uitvoeren).

3.29 DGS’en dienen te overwegen meer gelaagdheid aan te brengen in de complexiteit en stress van een of meer basistests, door aan de gekozen basistest een “bijzonder” scenario toe te voegen met ernstige problemen op het gebied van bedrijfscontinuïteit of externe omstandigheden die een DGS extra zouden belasten bij het vervullen van zijn functies, zoals beschreven in richtsnoer 4.

3.30 DGS’en dienen te rapporteren of en hoe zij de ernst en complexiteit van de door het DGS uitgevoerde stresstests in de loop van de tijd hebben geïntensiveerd (in vergelijking met de vorige stresstestcyclus of, indien van toepassing, binnen de gerapporteerde stresstestcyclus). Een DGS dient te overwegen tussen verschillende stresstestcycli de ernst en complexiteit van een stresstest te intensiveren. Een DGS dient ook een intensivering te overwegen van de ernst en complexiteit van twee vergelijkbare stresstests (met betrekking tot dezelfde wettelijke functie) die binnen dezelfde stresstestcyclus worden uitgevoerd.

3.31 Teneinde historische relevantie te waarborgen, dienen DGS’en tijdens hun programma als bedoeld in richtsnoer 2 scenario’s te testen waarin wordt beoordeeld in hoeverre hun systemen in staat zijn interventiegevallen te behandelen van een type en intensiteit zoals in het verleden zijn waargenomen, met name in de periode 2008-2012.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/