+3. Beloningsbeleid en groepscontext

3. Beloningsbeleid en groepscontext

75.Bij de toepassing van deze richtsnoeren op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis dient de consoliderende instelling ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze richtsnoeren van toepassing zijn op de personeelsleden en aangewezen personeelsleden van haar dochterondernemingen die onder de in punt 9 gedefinieerde prudentiële consolidatie vallen. De consoliderende of subconsoliderende instelling dient informatie bij te houden over de toepassing van het beloningsbeleid op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis overeenkomstig deze richtsnoeren, met inbegrip van informatie over hun dochterondernemingen die onder de prudentiële consolidatie vallen, en dient deze informatie naar de bevoegde autoriteit te sturen wanneer deze daarom verzoekt.

76.De consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteit van de subconsoliderende instelling dienen doeltreffend toezicht te houden op de toepassing van hetgeen is vervat in het vorige punt en dienen ernaar te streven om, ook binnen de colleges van toezichthouders, samen te werken met andere autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de relevante dochterondernemingen en, voor zover dit haalbaar is, met autoriteiten uit derde landen.

77.Op consolidatie- of subconsolidatieniveau dienen de consoliderende instelling en de bevoegde autoriteiten er zorg voor te dragen dat er een groepsbreed beloningsbeleid wordt ingevoerd en nageleefd voor alle personeelsleden, met inbegrip van alle aangewezen personeelsleden, bij alle instellingen en andere entiteiten die onder de prudentiële consolidatie vallen, met inbegrip van alle bijkantoren. Bij de vaststelling van het beloningsbeleid op groepsniveau dient rekening te worden gehouden met specifieke beloningsvereisten van dochterondernemingen. Het beloningsbeleid van de groep dient in overeenstemming te zijn met gedegen en doeltreffend risicobeheer en moet een dergelijk risicobeheer bevorderen en genderneutraal zijn.

78.Ten aanzien van instellingen en entiteiten binnen een groep die in meer dan één lidstaat zijn gevestigd, dient in het groepsbrede beloningsbeleid te worden gespecificeerd hoe bij de toepassing ervan dient te worden omgegaan met de uiteenlopende wijzen waarop de lidstaten de beloningsvereisten van Richtlijn 2013/36/EU ten uitvoer hebben gelegd, in het bijzonder ten aanzien van de beperking van het maximumverhoudingspercentage tussen de variabele en de vaste beloningscomponenten tot 100 % (indien van toepassing, tot 200 % met toestemming van de aandeelhouders)20 , de mogelijkheid tot toepassing van het notionele discontopercentage21 , eventuele beperkingen ten aanzien van het gebruik van instrumenten22 , de toepassing van ontheffingen uit hoofde van artikel 94, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU en de nationale keuzemogelijkheid als bedoeld artikel 109, lid 6, van voornoemde richtlijn ter zake van de toepassing op dochterondernemingen die onderworpen zijn aan een specifiek beloningskader uit hoofde van de geconsolideerde toepassing van artikel 92, 94 en 95 van voornoemde richtlijn.

79. Bij de toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis zijn de beloningsvereisten die van toepassing zijn in de lidstaat waar de consoliderende instelling is gevestigd, ook van toepassing op aangewezen personeelsleden die het risicoprofiel van de groep wezenlijk beïnvloeden, zelfs indien de tenuitvoerlegging van de vereisten van artikel 94 van Richtlijn 2013/36/EU door de lidstaat waar de consoliderende instelling is gevestigd, strikter is. Evenzo moeten dochterondernemingen die onder Richtlijn 2013/36/EU vallen, voor hun personeelsleden voldoen aan de toepasselijke vereisten ingevolge het nationale recht, ook al zijn deze strikter dan de vereisten op geconsolideerde basis.

80.Personeelsleden van een moederbedrijf in een derde land die gedetacheerd zijn bij een dochteronderneming in de EU die een instelling of een bijkantoor is, en die, als zij rechtstreeks in dienst zouden zijn van de instelling of het bijkantoor in de EU, tot de aangewezen personeelsleden van die instelling of dat bijkantoor in de EU zouden behoren, worden geacht aangewezen personeelsleden te zijn. Deze gedetacheerde personeelsleden dienen te zijn onderworpen aan de bepalingen van artikel 92, 93 en 94 van Richtlijn 2013/36/EU zoals deze ten uitvoer worden gelegd in de lidstaat waar de instelling of het bijkantoor in de EU is gevestigd, evenals aan de toepasselijke technische reguleringsnormen. In het geval van detacheringen voor korte duur, bijvoorbeeld wanneer een persoon maar enkele weken in een lidstaat verblijft om projectwerkzaamheden te verrichten, is de betrokken persoon alleen aan deze bepalingen onderworpen wanneer hij of zij op grond van de technische reguleringsnormen met betrekking tot aangewezen personeelsleden een aangewezen personeelslid is, rekening houdend met de beloning die wordt toegekend voor desbetreffende periode en de rol en verantwoordelijkheden tijdens de detachering.

81.Kortlopende contracten of detacheringen mogen niet worden gebruikt als middel om de beloningsvereisten van Richtlijn 2013/36/EU en daarmee verband houdende normen of richtsnoeren te omzeilen.

82.Ten aanzien van in derde landen gevestigde dochterondernemingen waarop op geconsolideerde basis de artikelen 92, 94 en 95 van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing zijn, dient in het groepsbrede beloningsbeleid het maximumverhoudingspercentage tussen de variabele en de vaste beloningscomponenten te worden vastgesteld op ten hoogste 100 % (indien van toepassing, ten hoogste 200 % met goedkeuring van de aandeelhouders op groepsniveau). Bovendien behoort daarin te worden gespecificeerd of het notionele discontopercentage wordt toegepast en dient ervoor te worden gezorgd dat voor de uitbetaling van de variabele beloning instrumenten worden gebruikt die in overeenstemming zijn met deze richtsnoeren en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 527/2014 van de Commissie23 , tenzij de toepassing van deze vereisten niet is toegestaan volgens de wetgeving van het derde land in kwestie. Het beloningsbeleid van dergelijke dochterondernemingen uit derde landen dient ten minste voor de personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de groep wezenlijk beïnvloeden, in overeenstemming te zijn met het groepsbrede beloningsbeleid en voldoen aan de vereisten van artikel 92, lid 2, 93 en 94 van Richtlijn 2013/36/EU.

83.De bevoegde autoriteiten dienen ervoor te zorgen dat alle in een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen die een vergunning hebben in een derde land, onderworpen worden aan dezelfde vereisten als die welke gelden voor instellingen in de lidstaten. Wanneer deze bijkantoren een verhoudingspercentage tussen de variabele en de vaste beloningscomponenten van meer dan 100 % willen toepassen, dienen zij tegenover de bevoegde autoriteit aan te tonen dat de aandeelhouders van de instelling in het derde land het hogere percentage hebben goedgekeurd.

84.De beloningsvereisten van Richtlijn 2013/36/EU en de bepalingen van deze richtsnoeren gelden voor instellingen in de lidstaten, ook wanneer dit dochterondernemingen van een moederinstelling in een derde land zijn. Wanneer een in de EU gevestigde dochteronderneming van een moederinstelling in een derde land een consoliderende instelling is, strekt de prudentiële consolidatie zich niet uit tot het niveau van de in een derde land gevestigde moederinstelling en andere rechtstreekse dochterondernemingen van deze moederinstelling. De consoliderende instelling dient te waarborgen dat in haar eigen beloningsbeleid rekening wordt gehouden met het groepsbrede beloningsbeleid van de moederinstelling in een derde land, voor zover dit niet in strijd is met de vereisten van relevante EU- of nationale wetgeving, waaronder deze richtsnoeren.


20 Artikel 94, lid 1, onder g), i) en ii) van Richtlijn 2013/36/EU.

21 Artikel 94, lid 1, onder g), iii) van Richtlijn 2013/36/EU.

22 Artikel 94, lid 1, onder l), van Richtlijn 2013/36/EU.

23 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 527/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen wat de specificatie betreft van de instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en die mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 21). Deze is te vinden op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=OJ:JOL_2014_148_R_0006.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/