+5.7 Toezicht
---+78. Instellingen dienen ESG-risico’s te monitoren door middel van effectieve interne …
---+79. Instellingen dienen ESG-risico’s voortdurend te monitoren en ervoor te zorgen dat zij een …
---+80. Instellingen dienen indicatoren en drempels voor vroegtijdige waarschuwing vast te stellen en …
---+81. Instellingen dienen een reeks retrospectieve en toekomstgerichte ESG-risicomaatstaven en - …
---+82. Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen dienen een reeks …
---+83. Met betrekking tot de monitoringsmaatstaven en -indicatoren dienen instellingen te beschikken …

5.7 Toezicht

5.7 Toezicht

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
78. Instellingen dienen ESG-risico’s te monitoren door middel van effectieve interne …

Instellingen dienen ESG-risico’s te monitoren door middel van effectieve interne rapportagekaders die passende informatie en geaggregeerde gegevens overbrengen aan het hogere management en het leidinggevend orgaan, bijvoorbeeld door ESG-risico’s te integreren in reguliere risicorapportages of in de vorm van dashboards met meetgegevens die een effectief toezicht ondersteunen.

79. Instellingen dienen ESG-risico’s voortdurend te monitoren en ervoor te zorgen dat zij een …

Instellingen dienen ESG-risico’s voortdurend te monitoren en ervoor te zorgen dat zij een instellingsbreed beeld behouden dat afdoende de aard, omvang en complexiteit van hun activiteiten bestrijkt, alsmede, voor de belangrijkste portefeuilles die zijn vastgesteld op basis van de materialiteitsanalyse, een beeld van de kwetsbaarheid van hun portefeuilles voor ESG-risico’s. Verder dienen instellingen een gedetailleerde en frequente monitoring uit te voeren bij tegenpartijen, blootstellingen en portefeuilles die als materieel blootgesteld aan ESG-risico’s worden beoordeeld, onder andere door aandachtspunten voor ESG-risico’s op te nemen in het monitoringproces van kredietrisico’s van particuliere tegenpartijen en in regelmatige kredietbeoordelingen voor middelgrote en grote tegenpartijen en/of door de frequentie en de mate van detail van deze beoordelingen vanwege ESG-risico’s te verhogen.

80. Instellingen dienen indicatoren en drempels voor vroegtijdige waarschuwing vast te stellen en …

Instellingen dienen indicatoren en drempels voor vroegtijdige waarschuwing vast te stellen en te beschikken over procedures om waarschuwingen, afwijkingen en schendingen te escaleren en corrigerende en/of mitigerende maatregelen te nemen in het geval dat limieten worden overschreden, onder andere door aanpassingen aan de bedrijfsstrategie en de instrumenten voor risicobeheer.

81. Instellingen dienen een reeks retrospectieve en toekomstgerichte ESG-risicomaatstaven en - …

Instellingen dienen een reeks retrospectieve en toekomstgerichte ESG-risicomaatstaven en - indicatoren te monitoren. Grote instellingen dienen ten minste de volgende indicatoren te monitoren:

  • a) Het bedrag en aandeel van blootstellingen aan en inkomsten (rente, vergoedingen en provisies) uit zakelijke relaties met tegenpartijen die actief zijn in sectoren die in hoge mate bijdragen aan klimaatverandering overeenkomstig overweging 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1818 van de Commissie, te weten de sectoren die zijn opgenomen in de secties A tot en met H en sectie L van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1893/2006.

Instellingen dienen een zo gedetailleerd mogelijke sectorale differentiatie te hanteren. Met name dient de mate van detail instellingen in staat te stellen het bedrag en het aandeel van blootstellingen aan en inkomsten uit relaties met specifieke tegenpartijen te monitoren, zoals entiteiten uit de sector fossiele brandstoffen en/of ondernemingen die zijn uitgesloten van op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks17 .

  • b) De maatstaven voor de afstemming van portefeuilles die op sectoraal niveau laten zien in hoeverre de door cliënten beheerde blootstellingen en productiecapaciteiten al dan niet zijn afgestemd of naar verwachting zullen worden afgestemd op een traject dat in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving op klimaatgebied, zoals het bereiken van klimaatneutrale broeikasgasemissies tegen 2050, op basis van afstemmingsmaatstaven die relevant zijn voor de geselecteerde sectoren en met gebruikmaking van de in sectie 4.2.3, punt b), beschreven methoden.

Instellingen dienen deze indicatoren aan te vullen met informatie over de beoordeling van potentiële financiële risico’s als gevolg van ontoereikende afstemming.

  • c) De gefinancierde broeikasgasemissies met een uitsplitsing naar groep 1, 2 of 3 in absolute waarden en, in voorkomend geval, relatieve intensiteit ten opzichte van productie-eenheden of inkomsten, uitgesplitst naar sector aan de hand van een zo gedetailleerd mogelijke sectorale differentiatie die ten minste voor bepaalde sectoren is vastgesteld op basis van de materialiteitsanalyse.

Instellingen dienen deze maatstaven aan te vullen met kwalitatieve of kwantitatieve informatie en criteria die de interpretatie van de ontwikkeling ervan in de loop van de tijd ondersteunen, waaronder bijvoorbeeld een tijdelijke verhoging als gevolg van de verstrekking van transitiefinanciering aan broeikasgasintensieve tegenpartijen, en de onderliggende oorzaken van de veranderingen in emissies identificeren.

Voorbeelden van methodieken of databanken die instellingen kunnen ondersteunen bij het berekenen van deze maatstaven, zijn onder meer de Global GHG Accounting and Reporting Standard for the Financial Industry, ontwikkeld door het Partnership for Carbon Accounting Financials, en het Carbon Disclosure Project.

  • d) De mate van vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van essentiële financieringsstrategieën die door de instelling zijn vastgesteld om haar veerkracht ten aanzien van ESG-risico’s en haar paraatheid voor de transitie naar een duurzamere economie te waarborgen, bijvoorbeeld door financiële stromen naar financiële activa of tegenpartijen te monitoren die een gemeenschappelijke reeks kenmerken delen die relevant zijn voor de streefdoelen of risicobereidheid van de instelling met betrekking tot ESG-risico’s.
  • e) De maatstaven voor de betrokkenheid bij cliënten met informatie over:
  • i. het percentage tegenpartijen waarbij een beoordeling van de ESG-risico’s is uitgevoerd, ook met betrekking tot hun transitiestrategieën en, indien beschikbaar, transitieplannen en de samenhang daarvan met de doelstellingen van de instelling, met vermelding van de reikwijdte van de geselecteerde sectoren, producten en bedrijfsonderdelen die onder deze beoordelingen vallen;
  • ii. de resultaten en uitkomsten van een dergelijke betrokkenheid, zoals de positieve (of een subclassificatie binnen die categorie) of negatieve (of een subclassificatie binnen die categorie) beoordeling van het aanpassingsvermogen en de veerkracht van deze tegenpartijen met betrekking tot de transitie naar een duurzame economie, de voortgang van de afstemming op de streefdoelen en doelstellingen van de instelling en de vervolgacties die door de instelling zijn ondernomen.
  • f) Een uitsplitsing van door vastgoed gedekte portefeuilles volgens het niveau van energie-efficiëntie van de zekerheid.
  • g) De verhouding tussen de financiering van koolstofarme energievoorzieningstechnologieën en de financiering van energievoorzieningstechnologieën op basis van fossiele brandstoffen.
  • h) Het percentage duurzame blootstellingen in het kader van milieu ter financiering van activiteiten die bijdragen aan de milieudoelstelling om klimaatverandering te beperken als bedoeld in artikel 9, punt a), van Verordening (EU) 2020/85218 of deze mogelijk maken, in verhouding tot de broeikasgasintensieve blootstellingen.
  • i) De mate van fysieke risico’s waaraan de instelling is blootgesteld, en het effect ervan op de financiële risico’s, door verschillende scenario’s en alle gevaren die relevant zijn voor de activiteiten van de instelling na te gaan en deze aan te vullen met informatie over de voortgang die is geboekt bij de implementatie van risicobeperkende maatregelen.
  • j) De metingen van concentratierisico in verband met fysieke risicofactoren (bv. meting van blootstellingen en/of zekerheden in gebieden met een hoog risico op overstromingen, waterstress of bosbranden) en transitierisicofactoren (bv. blootstellingen aan sectoren met een verhoogd transitierisico) aan de hand van een voldoende gedetailleerde geografische opsplitsing van blootstellingen.
  • k) Het bedrag aan historische verliezen in verband met ESG-risico’s en, op basis van methoden met verschillende soorten scenario’s, toekomstgerichte ramingen(en) van risico lopende blootstellingen en potentiële toekomstige financiële verliezen in verband met ESG-risico’s.
  • l) Een meting van ESG-gerelateerde reputatierisico’s waarbij wordt gevolgd op welke wijze regelgeving, berichtgeving, verbintenissen of publieke controverses over huidige en toekomstige zakelijke activiteiten direct of indirect een impact hebben op de instelling, door interacties met operationele risico’s en risico’s op het gebied van strategie en bedrijfsmodellen in aanmerking te nemen, zoals het verlies van zakelijke kansen of strategische samenwerkingsverbanden.
  • m) Eventuele ESG-gerelateerde rechtsvorderingen waarbij de instelling betrokken is geweest, is of kan worden, op basis van beschikbare informatie.
  • n) De status van capaciteitsopbouw op het gebied van ESG-risico’s, zoals het percentage personeelsleden dat een specifieke opleiding heeft gevolgd.
  • o) Maatstaven met betrekking tot niet-klimaatgerelateerde factoren zoals afhankelijkheden op portefeuilleniveau en gevolgen voor ecosysteemdiensten, of blootstellingen aan tegenpartijen met materiële afhankelijkheden of negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, rekening houdend met informatie over de sector en de geografische locatie.
  • p) Voortgang ten opzichte van alle streefcijfers die de instelling heeft vastgesteld met betrekking tot ESG-risico’s en ESG-doelstellingen, waaronder als onderdeel van het plan van de instelling zoals bedoeld in sectie 6 of als onderdeel van andere duurzaamheidsverplichtingen die de instelling is aangegaan.

17 Overeenkomstig artikel 12, lid 1, punten d) tot en met g), en artikel 12, lid 2, van de Klimaatbenchmark-verordening.

18 Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.2020, blz. 13).

82. Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen dienen een reeks …

Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen dienen een reeks indicatoren te monitoren die zijn opgenomen in paragraaf 81 en zijn geselecteerd op basis van de resultaten van de materialiteitsanalyse, en dienen stappen te ondernemen om de lijst van gemonitorde indicatoren mettertijd uit te breiden.

83. Met betrekking tot de monitoringsmaatstaven en -indicatoren dienen instellingen te beschikken …

Met betrekking tot de monitoringsmaatstaven en -indicatoren dienen instellingen te beschikken over duidelijke en goed gedocumenteerde methodieken. Wanneer de benodigde gegevens voor het berekenen van maatstaven ontbreken, dienen instellingen de stappen te volgen die zijn beschreven in de paragrafen 26, 27 en 29.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/