+4. Wijzigingen van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid
---+8. Punt 5 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “5. Deze richtsnoeren beschrijven, gelet …
---+9. Punt 7 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “7. Deze richtsnoeren zijn niet van …
---+10. Punt 10 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “10. Voor instellingen die deel uitmaken …
---+11. De titel van paragraaf 3 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid wordt als volgt gewijzigd …
---+12. Na punt 13 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid worden de volgende nieuwe punten 13 a) …
---+13. Punt 56, subalinea e., wordt als volgt gewijzigd: “e. het aftekenen van de belangrijkste …
---+14. Na paragraaf 4.5 worden de nieuwe paragrafen 4.6, 4.7 en 4.8 met respectievelijk de punten 124 …
---+4.6. Zelfbeoordelingsverslag
---+4.7. Meerjarig testprogramma
---+4.8. Master-playbook
|
4. Wijzigingen van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid
4. Wijzigingen van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
8. Punt 5 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “5. Deze richtsnoeren beschrijven, gelet …
|
Punt 5 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “5. Deze richtsnoeren beschrijven, gelet op artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU4 , per afwikkelingsinstrument welke specifieke maatregelen instellingen, met inbegrip van de in artikel 1, lid 1, bedoelde entiteiten (“instellingen”), en afwikkelingsautoriteiten dienen te nemen om de afwikkelbaarheid van instellingen, groepen en afwikkelingsgroepen te verbeteren in de context van de afwikkelbaarheidsbeoordeling die afwikkelingsautoriteiten verrichten op grond van de artikelen 15 en 16 van die richtlijn.”
4 Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
|
|
9. Punt 7 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “7. Deze richtsnoeren zijn niet van …
|
Punt 7 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “7. Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op instellingen waarvan het afwikkelingsplan, of het afwikkelingsplan van de groep waartoe zij behoren, bepaalt dat zij op ordelijke wijze moeten worden geliquideerd in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht. In geval van een verandering van strategie, in het bijzonder van liquidatie naar afwikkeling, zijn de richtsnoeren niet later dan drie jaar na de datum van goedkeuring van het afwikkelingsplan met de nieuwe afwikkelingsstrategie van toepassing, met uitzondering van punt 4.6, dat niet later dan één jaar na die datum van toepassing is.”
|
|
10. Punt 10 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “10. Voor instellingen die deel uitmaken …
|
Punt 10 van de richtsnoeren wordt als volgt gewijzigd: “10. Voor instellingen die deel uitmaken van een groep waarop overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van Richtlijn 2013/36/EU toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend, zijn de richtsnoeren op het niveau van elke afwikkelingsgroep en in voorkomend geval ook op individueel niveau van toepassing.” De paragrafen 4.6 en 4.7 zijn ook van toepassing op het niveau van grensoverschrijdende dochterondernemingen die geen afwikkelingsentiteiten zijn, wanneer het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva zoals vastgelegd in artikel 45 septies van Richtlijn 2014/59/EU hoger is dan het bedrag dat voldoende is om verliezen te absorberen in overeenstemming met punt a) van de eerste alinea van artikel 45 quater, lid 2, van die richtlijn.
|
|
11. De titel van paragraaf 3 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid wordt als volgt gewijzigd …
|
De titel van paragraaf 3 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid wordt als volgt gewijzigd: “3. Tenuitvoerleggings- en overgangsbepalingen”
|
|
12. Na punt 13 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid worden de volgende nieuwe punten 13 a) …
|
Na punt 13 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid worden de volgende nieuwe punten 13 a), 13 b) en 13 c) toegevoegd: “13 a) Uiterlijk op 31 december 2024 dienen de instellingen het in punt 124 bedoelde eerste zelfbeoordelingsverslag bij de afwikkelingsautoriteiten in te dienen. 13 b) In afwijking van punt 132 dienen de afwikkelingsautoriteiten uiterlijk op 31 december 2025 het eerste programma voor het testen van de afwikkelbaarheid als bedoeld in punt 130 mee te delen. 13 c) De in punt 138 bedoelde instellingen dienen het in dat punt bedoelde eerste ‘master playbook’ uiterlijk op 31 december 2025 bij de afwikkelingsautoriteiten in te dienen.”
|
|
13. Punt 56, subalinea e., wordt als volgt gewijzigd: “e. het aftekenen van de belangrijkste …
|
Punt 56, subalinea e., wordt als volgt gewijzigd: “e. het aftekenen van de belangrijkste deliverables en waarborgen dat in dit verband adequate delegatieregelingen aanwezig zijn, als onderdeel van passende interne controle- en borgingsmechanismen (zoals de afwikkelingsrapportagetemplates en het zelfbeoordelingsverslag);”
|
|
14. Na paragraaf 4.5 worden de nieuwe paragrafen 4.6, 4.7 en 4.8 met respectievelijk de punten 124 …
|
Na paragraaf 4.5 worden de nieuwe paragrafen 4.6, 4.7 en 4.8 met respectievelijk de punten 124 tot en met 129, 130 tot en met 137 en 138 tot en met 142 als volgt in de richtsnoeren ingevoegd:
|
|
4.6. Zelfbeoordelingsverslag
|
124. Instellingen dienen ten minste om de twee jaar een verslag op te stellen en bij de betrokken afwikkelingsautoriteit in te dienen waarin zij zelf beoordelen of en in welke mate zij voldoen aan de capaciteiten die in de paragrafen 4.1 tot en met 4.5 en 4.8 van deze richtsnoeren en in de paragrafen 4 en 5 van de Richtsnoeren inzake overdraagbaarheid ter aanvulling van de afwikkelbaarheidsbeoordeling voor overdrachtsstrategieën (richtsnoeren inzake overdraagbaarheid)5 zijn vastgelegd, waarbij zij rekening houden met alle feedback die zij in de loop van die twee jaar van autoriteiten hebben ontvangen en waarin onder meer de volgende elementen zijn opgenomen: - a. mate waarin aan de capaciteit wordt voldaan (laag, gemiddeld, hoog, niet van toepassing);
- b. beschrijving van de manier waarop aan de capaciteit wordt voldaan of waarom deze niet van toepassing wordt geacht onder punt a;
- c. kloofbeoordeling van de afwikkelbaarheidscapaciteiten zoals uiteengezet in deze richtsnoeren en die van de instelling, over de wijze waarop deze kloof kan worden aangepakt en tot wanneer;
- d. beschrijving van hoe de capaciteit is ingebed in het ‘business as usual’-proces (BAU);
- e. beschrijving van hoe de capacitieit zich verhoudt tot de herstelplanning van de instelling (bv. of de operationele continuïteit in afwikkelingsregelingen ook herstelmogelijkheden zoals afstotingen ondersteunt, of worden herstelregelingen ingezet om afwikkeling te ondersteunen);
- f. elke interne of externe beoordeling van hoe deze richtsnoeren zijn toegepast door de instelling, inclusief interne of externe auditverslagen, beoordelingen door externe consultants, proeftests of beoordelingen door toezichthouders;
- g. elk aanvullend onderwerp dat door de relevante afwikkelingsautoriteit wordt vastgesteld (bijv. geleerde lessen uit recente neergang of marktgebeurtenis). 125. In de samenvatting van hun zelfbeoordeling als bedoeld in punt 124 dienen de instellingen:
- a. hun inzicht in de door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde afwikkelingsstrategie uiteen te zetten en hun rol en die van de autoriteit(en) bij de uitvoering van die strategie te beschrijven;
- b. hun test- en controlekader te beschrijven dat hen in staat stelt hun capaciteit te waarborgen om de uitvoering van de afwikkelingsstrategie op permanente basis te ondersteunen;
- c. hun zelfbeoordeling per belangrijkste afwikkelbaarheidsgebied als volgt samen te vatten:
- i. governance;
- ii. operationele continuïteit bij afwikkeling ( operational continuity in resolution , OCIR) en toegang tot FMI’s6 ;
- iii. verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit;
- iv. liquiditeit en financiering bij afwikkeling;
- v. MIS7 ;
- vi. communicatie;
- vii. overdraagbaarheid en herstructurering.
126. De instellingen dienen ten minste om de twee jaar een verslag bij de afwikkelingsautoriteit in te dienen. Het eerste verslag dient uiterlijk 31 december 2024 te worden ingediend. 127. In de context van grensoverschrijdende afwikkelingsgroepen dient het zelfbeoordelingsverslag ofwel door de afwikkelingsentiteit aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau (of de relevante afwikkelingsautoriteit in het geval van een MPE-strategie) te worden gerapporteerd, ofwel door de niet-afwikkelingsentiteit aan de lokale afwikkelingsautoriteit. 128. De zelfbeoordeling van de niet-afwikkelingsentiteit dient te worden opgesteld op basis van de afwikkelingsstrategie van de groep en in coördinatie met de afwikkelingsentiteit. 129. Voor de toepassing van het in punt 124 bedoelde zelfbeoordelingsverslag dienen instellingen het door hun afwikkelingsautoriteit verschafte formaat te volgen.
5 Richtsnoeren EBA/GL/2022/11 voor instellingen en afwikkelingsautoriteiten ter aanvulling van de afwikkelbaarheidsbeoordeling voor overdrachtsstrategieën (richtsnoeren inzake overdraagbaarheid). 6 Financiëlemarktinfrastructuren. 7 Managementinformatiesysteem
|
|
4.7. Meerjarig testprogramma
|
130. De afwikkelingsautoriteiten dienen, rekening houdend met het in paragraaf 4.6 bedoelde zelfbeoordelingsverslag en in het bijzonder met de op grond van punt 124 (d-f) gevraagde elementen, een meerjarig programma voor het testen van de afwikkelbaarheid van onder hun bevoegdheid vallende instellingen vast te stellen. Het programma dient alle capaciteiten te omvatten die in deze richtsnoeren en de EBA-richtsnoeren inzake overdraagbaarheid8 zijn vastgelegd. 131. Het programma bestrijkt een periode van drie jaar (waarvan de laatste twee indicatief zijn) om instellingen in staat te stellen hun inspanningen op het gebied van afwikkelingsplanning te optimaliseren. Het moet jaarlijks door de afwikkelingsautoriteit worden bijgewerkt/bevestigd. Het resultaat van de jaarlijkse toetsing moet onverwijld aan de instellingen worden meegedeeld. 132. De afwikkelingsautoriteiten dienen de instellingen in kennis te stellen van het in punt 130 bedoelde programma voor het testen van de afwikkelbaarheid en van de jaarlijkse actualiseringen of bekrachtigingen daarvan als bedoeld in punt 131, uiterlijk tegelijkertijd met de samenvatting van het afwikkelingsplan en de beoordeling van de afwikkelbaarheid overeenkomstig artikel 10, lid 7, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU. 133. Rekening houdend met de in bijlage 4 opgenomen niet-uitputtende lijst dienen de afwikkelingsautoriteiten in het (in punt 130 bedoelde) programma voor het testen van de afwikkelbaarheid het scala aan beoordelingen, tests, methodologieën, praktijken en instrumenten vast te stellen, die zij voornemens zijn te gebruiken om de adequaatheid te testen van de regelingen die instellingen hebben getroffen om de uitvoering van hun afwikkelingsstrategie te ondersteunen. 134. Bij de keuze van de testtechnieken in hun in punt 130 beschreven programma voor het testen van de afwikkelbaarheid dienen afwikkelingsautoriteiten een risicogebaseerde benadering te volgen op basis van het risicoprofiel, de omvang en het bedrijfsmodel van de instellingen (bv. SREP-categorisering9 ) en de algemene SREP-score,10 en rekening te houden met het volgende: - a. de vooruitgang op het gebied van afwikkelbaarheid/de mate waarin wordt voldaan aan de afwikkelbaarheidscapaciteiten die in deze richtlijnen zijn vastgelegd; en
- b. de algehele kwaliteit van de interne inspanningen om de afwikkelbaarheid te garanderen, zoals beschreven in het zelfbeoordelingsverslag.
135. In de context van grensoverschrijdende afwikkelingsgroepen dient het meerjarige programma voor het testen van de afwikkelbaarheid te worden besproken tussen de afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen die aan deze richtsnoeren onderworpen zijn. 136. In het geval van grensoverschrijdende groepen dient het meerjarenprogramma voor het testen van de afwikkelbaarheid van de afwikkelingsentiteiten, met inbegrip van de daarin vastgestelde tests, te worden uitgevoerd door de afwikkelingsautoriteit van de afwikkelingsentiteit of door de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaat van ontvangst in coördinatie met de afwikkelingsautoriteit van de afwikkelingsentiteit, zoals tussen hen onderling is overeengekomen. 137. De afwikkelingsautoriteiten dienen de instelling en, in het geval van een grensoverschrijdende groep, ten minste de leden van het afwikkelingscollege in kennis te stellen van de resultaten van alle tests die overeenkomstig het in punt 130 bedoelde programma voor het testen van de afwikkelbaarheid zijn uitgevoerd.
8 EBA/GL/2022/11. 9 “SREP-categorisering”: de indicator van de systeemrelevantie van de instelling die wordt vastgesteld op basis van de omvang en complexiteit van de instelling en de reikwijdte van haar activiteiten. Zie ook paragraaf 2.1.1 van de herziene SREP GL van EBA (EBA/GL/2022/03). 10 Zie definitie in de herziene SREP GL van EBA (EBA/GL/2022/03), blz. 21. “Totale SREP-score”: de numerieke indicator van het algehele risico voor de levensvatbaarheid van de instelling op basis van de totale SREP-beoordeling.
|
|
4.8. Master-playbook
|
138. De moederonderneming in de Unie en de afwikkelingsentiteiten van een afwikkelingsgroep waarop artikel 92 bis of 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is of waarvan de totale activa op het niveau van de afwikkelingsgroep meer dan 100 miljard EUR bedragen, en de door de betrokken afwikkelingsautoriteit aangewezen entiteiten die niet aan artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen zijn en die deel uitmaken van een afwikkelingsgroep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard EUR bedragen, maar waarvan de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 45 quater, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU heeft geoordeeld dat het redelijkerwijs waarschijnlijk is dat zij bij een faillissement ervan een systeemrisico zullen opleveren, dienen een master-playbook te ontwikkelen. 139. Het master-playbook dient van andere dan de in punt 138 bedoelde instellingen te worden verlangd wanneer de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat dit gerechtvaardigd is vanwege de complexiteit van de organisatie en de daaruit voortvloeiende behoefte aan een hoge mate van coördinatie van de afwikkelbaarheidscapaciteiten. 140. Het master-playbook dient11 : - a. de belangrijkste rollen en verantwoordelijkheden van het senior management in de aanloop naar en tijdens de afwikkeling te definiëren;
- b. de kwestie en de tijdschema’s vast te leggen waarover het management beslissingen moet nemen in de aanloop naar en tijdens de afwikkeling;
- c. de triggers uiteen te zetten voor de activering van sub-playbooks (playbooks voor bail-in en overdracht, calamiteitenplannen voor toegang tot FMI’s, communicatie);
- d. de bron, de termijnen en het formaat van de informatiebronnen vast te leggen die deze besluiten van de raad van bestuur zullen ondersteunen;
- e. aan te tonen hoe de verschillende elementen van de uitvoering van de afwikkelingsstrategie met elkaar interageren, en met name met het onderstaande:
- i. bail-in-uitvoering (playbook voor bail-in);
- ii. playbook voor overdracht (indien van toepassing);
- iii. waardering;
- iv. financiering en liquiditeit bij afwikkeling (inclusief onderpandmonitoring/strategie voor financiering bij afwikkeling);
- v. toegang tot FMI’s (met inbegrip van noodplannen);
- vi. operationele continuïteit (inclusief dienstencatalogus);
- vii. bedrijfsreorganisatieplan.
141. Instellingen dienen hun master-playbooks ten minste eenmaal per jaar of na een wijziging van hun juridische of organisatiestructuur te actualiseren, dan wel na een wijziging van hun operationele of financiële omstandigheden die een wezenlijk effect kan hebben op of een wijziging van het master-playbook noodzakelijk maakt. De afwikkelingsautoriteiten moeten onverwijld in kennis worden gesteld van het resultaat van de jaarlijkse toetsing. 142. Na bijlage 3 van de richtsnoeren inzake afwikkelbaarheid worden de bijlagen 4 en 5 als volgt ingevoegd:
11 Bijlage 5 bevat een beschrijving op hoog niveau van de architectuur van het master-playbook.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|