+6.3 Overgangsplanning
---+94. Instellingen dienen inzicht te hebben in hun gevoeligheid voor ESG-risico’s, in het bijzonder …
---+95. Ten behoeve van het monitoren en aanpakken van de specifieke milieurisico’s die kunnen …
---+96. De geografische referentie en mate van detail, bijvoorbeeld qua regionale uitsplitsing, van de …
---+97. Het bereik en de complexiteit van de door de instellingen gebruikte scenario’s dienen in …
---+98. Instellingen dienen erop toe te zien dat de in het kader van hun plannen gebruikte scenario’s …
---+99. Instellingen dienen een reeks verschillende tijdshorizonten vast te stellen als onderdeel van …
---+100. Instellingen dienen met regelmatige tussenpozen mijlpalen vast te stellen voor het monitoren …
---+101. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de doelstellingen en streefdoelen voor de korte …
---+102. Het transitieplanningsproces van instellingen dient gericht te zijn op het beheren van …
---+103. Instellingen dienen een reeks maatstaven te hanteren, waaronder toekomstgerichte maatstaven …
---+104. Bij het vaststellen van streefdoelen dienen instellingen gebruik te maken van een reeks …
---+105. Wanneer de benodigde gegevens voor het berekenen van maatstaven en het vaststellen van …
---+106. Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen kunnen een beroep doen …
---+107. Hoewel instellingen ten minste een combinatie van maatstaven dienen te gebruiken die verband …
|
6.3 Overgangsplanning
6.3.1. Scenario’s en trajecten
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
94. Instellingen dienen inzicht te hebben in hun gevoeligheid voor ESG-risico’s, in het bijzonder …
|
Instellingen dienen inzicht te hebben in hun gevoeligheid voor ESG-risico’s, in het bijzonder transitie- en fysieke risico’s op milieugebied, in verschillende scenario’s, waaronder scenario’s die een hogere mate van fysieke risico’s of een wanordelijk verlopende transitie impliceren. Instellingen dienen inzicht te hebben in de manier waarop verschillende scenario’s hun inspanningen op het gebied van transitieplanning kunnen beïnvloeden.
|
|
95. Ten behoeve van het monitoren en aanpakken van de specifieke milieurisico’s die kunnen …
|
Ten behoeve van het monitoren en aanpakken van de specifieke milieurisico’s die kunnen voortvloeien uit het proces van aanpassing aan de klimaat- en milieuregelgevingsdoelstellingen van de rechtsgebieden waarin zij actief zijn, dienen instellingen de scenario’s zorgvuldig te selecteren aan de hand van alle volgende stappen: - a) beoordelen van de potentiële implicaties van de doelstellingen van de EU, de lidstaten en, in voorkomend geval, derde landen voor de transitieroutes, ten minste voor bepaalde sectoren die zijn vastgesteld op basis van de materialiteitsanalyse. Bij dit proces dienen instellingen rekening te houden met de waarschijnlijke trajecten die voortvloeien uit de Europese Green Deal, de EU-klimaatwet en de meest recente verslagen en maatregelen die door de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering zijn voorgeschreven;
- b) overwegen van wetenschappelijk onderbouwde en actuele scenario’s die afkomstig zijn van nationale, EU- of internationale organisaties als bedoeld in paragraaf 38;
- c) rekening houden met vrijwillige of wettelijk voorgeschreven doelstellingen of verbintenissen van de instelling met betrekking tot het tegengaan van en het aanpassen aan klimaatverandering.
|
|
96. De geografische referentie en mate van detail, bijvoorbeeld qua regionale uitsplitsing, van de …
|
De geografische referentie en mate van detail, bijvoorbeeld qua regionale uitsplitsing, van de door instellingen gebruikte scenario’s en trajecten dienen relevant te zijn voor hun bedrijfsmodel en blootstellingen.
|
|
97. Het bereik en de complexiteit van de door de instellingen gebruikte scenario’s dienen in …
|
Het bereik en de complexiteit van de door de instellingen gebruikte scenario’s dienen in verhouding te staan tot hun omvang en complexiteit. Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen kunnen een beroep doen op een vereenvoudigde reeks hoofdparameters en aannames, inbegrepen risico’s, in aanmerking genomen tijdshorizonten en regionale uitsplitsing van de effecten. Grote instellingen dienen hun plannen (met inbegrip van definitieve en tussentijdse streefdoelen) te vergelijken met een scenario dat verenigbaar is met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en met de doelstelling om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, zoals vastgesteld in de EU-klimaatwet.
|
|
98. Instellingen dienen erop toe te zien dat de in het kader van hun plannen gebruikte scenario’s …
|
Instellingen dienen erop toe te zien dat de in het kader van hun plannen gebruikte scenario’s en trajecten consistent zijn in de hele organisatie en dat er wordt gekeken naar tijdshorizonten, bijvoorbeeld bij het opstellen van bedrijfsstrategieën en het stellen van streefdoelen voor de korte, middellange en lange termijn. Instellingen dienen het proces voor de selectie van scenario’s en de redenen voor elke verandering of elk afwijkend gebruik vast te leggen. Besluiten om verschillende scenario’s voor verschillende doeleinden te gebruiken en besluiten om scenario’s te wijzigen, dienen duidelijk te worden gemotiveerd. 6.3.2. Tijdshorizonten en mijlpalen
|
|
99. Instellingen dienen een reeks verschillende tijdshorizonten vast te stellen als onderdeel van …
|
Instellingen dienen een reeks verschillende tijdshorizonten vast te stellen als onderdeel van hun plannen, waaronder de korte termijn, middellange termijn en een planningstermijn voor de lange termijn van ten minste 10 jaar. In de regelingen die worden opgesteld om ESG-risico’s over de tijdshorizon heen te monitoren en aan te pakken, dienen de beginselen die zijn beschreven in paragraaf 19 in aanmerking te worden genomen.
|
|
100. Instellingen dienen met regelmatige tussenpozen mijlpalen vast te stellen voor het monitoren …
|
Instellingen dienen met regelmatige tussenpozen mijlpalen vast te stellen voor het monitoren en aanpakken van ESG-risico’s die voortvloeien uit de korte-, middellange- en langetermijndoelstellingen van de regelgeving van de rechtsgebieden waarin ze actief zijn. Hieronder vallen de doelstellingen van de EU om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 te verlagen met 55% ten opzichte van 1990 en tegen 2050 een uitstoot van nul te bereiken, andere tussentijdse klimaatdoelstellingen die door de EU of, indien van toepassing, door nationale wetgeving worden vastgesteld, evenals doelstellingen die verband houden met andere milieufactoren zoals natuurherstel19 of ontbossing20 .
19 Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 betreffende natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869 (PB L, 2024/1991, 29.7.2024). 20 Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 20).
|
|
101. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de doelstellingen en streefdoelen voor de korte …
|
Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de doelstellingen en streefdoelen voor de korte, middellange en lange termijn met elkaar in wisselwerking staan en goed geformuleerd zijn. Dit houdt onder meer in dat langetermijndoelstellingen, zoals toezeggingen om broeikasgasneutraliteit te bereiken, dienen te worden vertaald in strategieën voor de middellange termijn (bijv. sectoraal beleid voor de middellange termijn of streefdoelen voor groei voor bedrijfsonderdelen) en dat financiële maatstaven of streefdoelen voor de korte termijn (bijv. indicatoren voor winstgevendheid, kosten van risico’s, KPI’s, KRI’s, risicolimieten, prijsbepalingskaders) coherent en in overeenstemming dienen te zijn met de doelstellingen voor de middellange termijn en de lange termijn. 6.3.3. Grondslag voor materialiteitsanalyse
|
|
102. Het transitieplanningsproces van instellingen dient gericht te zijn op het beheren van …
|
Het transitieplanningsproces van instellingen dient gericht te zijn op het beheren van materiële ESG-risico’s, met name de transitie- en fysieke risico’s op milieugebied die zijn gedetecteerd op basis van een solide, regelmatig bijgewerkte materialiteitsanalyse van ESG-risico’s die is uitgevoerd in overeenstemming met sectie 4.1. Instellingen dienen specifieke maatregelen vast te stellen voor het monitoren en aanpakken van materiële ESG-risico’s die voortvloeien uit blootstellingen, portefeuilles en de economische activiteiten en productiecapaciteit die worden gefinancierd en die bijzonder kwetsbaar kunnen zijn voor het proces van aanpassing van de economie aan de toepasselijke wettelijke en regelgevingsdoelstellingen met betrekking tot ESG-factoren. 6.3.4. Maatstaven
|
|
103. Instellingen dienen een reeks maatstaven te hanteren, waaronder toekomstgerichte maatstaven …
|
Instellingen dienen een reeks maatstaven te hanteren, waaronder toekomstgerichte maatstaven, om de vaststelling van streefdoelen te ondersteunen en de uitvoering van hun plannen te stimuleren en te monitoren.
|
|
104. Bij het vaststellen van streefdoelen dienen instellingen gebruik te maken van een reeks …
|
Bij het vaststellen van streefdoelen dienen instellingen gebruik te maken van een reeks parameters en indicatoren die rekening houden met de in paragraaf 81 opgenomen indicatoren. Rekening houdend met hun bedrijfsstrategieën en risicobereidheid dienen instellingen te bepalen welke andere risico- en toekomstgerichte maatstaven en streefdoelen zij in hun plannen opnemen met het oog op het monitoren en aanpakken van ESG-risico’s. Dit omvat het beoordelen, berekenen en gebruiken van maatstaven om de financiële implicaties van transitieplanning voor het bedrijfs- en risicoprofiel van instellingen op de korte, middellange en lange termijn te evalueren, onder andere door de impact van transitieplanning op de financiële prestaties, inkomstenbronnen, winstgevendheid en het risiconiveau van portefeuilles te meten.
|
|
105. Wanneer de benodigde gegevens voor het berekenen van maatstaven en het vaststellen van …
|
Wanneer de benodigde gegevens voor het berekenen van maatstaven en het vaststellen van streefdoelen ontbreken, dienen instellingen de in de paragrafen 26, 27 en 29 uiteengezette stappen te volgen.
|
|
106. Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen kunnen een beroep doen …
|
Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen kunnen een beroep doen op een kleinere reeks indicatoren voor het gebruik van maatstaven en het vaststellen van streefdoelen en meer kwalitatieve doelstellingen formuleren.
|
|
107. Hoewel instellingen ten minste een combinatie van maatstaven dienen te gebruiken die verband …
|
Hoewel instellingen ten minste een combinatie van maatstaven dienen te gebruiken die verband houden met klimaatrisico’s, dienen ze stappen te ondernemen om geleidelijk maatstaven op te nemen voor de risicobeoordeling en strategische sturing van de blootstelling van instellingen aan andere milieurisico’s dan klimaatrisico’s en het beheren daarvan, bijvoorbeeld risico’s die voortvloeien uit de aantasting van ecosystemen en het verlies van biodiversiteit en de mogelijke reflectieve invloed daarvan op klimaatgerelateerde risico’s, evenals sociale en governancerisico’s.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|