+5.2. Scenario’s
---+28. Bij het opstellen van scenario’s met milieurisico’s moeten instellingen, in overeenstemming met …
---+29. Voor klimaatrisico’s moeten de volgende aanvullende factoren in aanmerking worden genomen: a. …
---+30. Voor andere milieurisico’s (naast het klimaat) moeten de volgende aanvullende factoren in …
---+31. Instellingen dienen geloofwaardige scenario’s te gebruiken die gebaseerd zijn op de meest …
---+32. Instellingen dienen de gekozen scenario’s te verfijnen en aan te passen op basis van de …
---+33. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de scenario’s goed zijn afgestemd op de unieke …
---+34. Wanneer een scenario niet alle elementen bevat die worden genoemd in de paragrafen 29 en 30 …
---+35. Bij het opstellen van scenario’s moeten instellingen zowel fysieke risico’s als …
---+36. Instellingen dienen de specifieke aspecten van het transitierisico en de gevaren van het …
---+37. Instellingen moeten ervoor zorgen dat scenario’s intern consistent zijn. Met name het traject …
---+38. Bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel kunnen instellingen zich in eerste instantie …
|
5.2. Scenario’s
5.2. Scenario’s
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
28. Bij het opstellen van scenario’s met milieurisico’s moeten instellingen, in overeenstemming met …
|
Bij het opstellen van scenario’s met milieurisico’s moeten instellingen, in overeenstemming met de identificatie van de transmissiekanalen, rekening houden met een aantal onderling verweven factoren om ervoor te zorgen dat de scenario’s zo relevant mogelij k zijn. Instellingen dienen met name rekening te houden met het volgende: - a. sociaal- economische context, d.w.z. aannames over mondiale of regionale sociaal - economische omstandigheden, met inbegrip van bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en sociale ongelijkheden, en andere macro- economische factoren, waaronder inflatie en monetair beleid, toegenomen protectionisme;
- b. technologische ontwikkeling, d.w.z. het niveau en het tempo van innovatie, de invoering van technologie en de beschikbaarheid van infrastructuur ter ondersteuning van nieuwe technologieën;
- c. de voorkeuren van de consument, d.w.z. mogelijke verschuivingen in de belangstelling van consumenten voor goederen en diensten die als duurzaam, lokaal geproduceerd en gezond worden beschouwd.
|
|
29. Voor klimaatrisico’s moeten de volgende aanvullende factoren in aanmerking worden genomen: a. …
|
Voor klimaatrisico’s moeten de volgende aanvullende factoren in aanmerking worden genomen: - a. klimaatbeleid, d.w.z. het niveau van beleidsinterventie gericht op het beperken van de klimaatverandering of het beheersen van de gevolgen ervan door middel van adaptatiebeleid; dit kan variëren van zeer ambitieuze tot minimale maatregelen;
- b. energiesystemen, d.w.z. de structuur van energieproductie, -verbruik en - infrastructuur, met inbegrip van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen;
- c. sectorale trajecten naar broeikasgasneutraliteit, d.w.z. hoe de verschillende sectoren overstappen op en zich aanpassen aan een duurzame economie, met inbegrip van, in voorkomend geval, de internationale vooruitzichten, zoals het Internationaal Energieagen tschap (IEA), het Science Based Target initiative (SBTi)7 of de sectorale decarbonisatietrajecten van de Net -Zero Banking Alliance (NZBA)8 , de regionale context, met name de strategie van de Europese Green Deal, het “Fit for 55” -pakket en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en de nationale beleidsmaatregelen en klimaatstrategie;
- d. emissieniveau en de daaruit voortvloeiende klimaateffecten, d.w.z. de concentratie van broeikasgasemissies en de wijze waarop de temperatuur en andere biofysische processen zich in de toekomst naar verwachting zullen ontwikkelen.
7 De SBTi is een wereldwijd samenwerkingsverband (tussen CDP, het Global Compact van de VN, WRI en WWF) dat bedrijven en financiële instellingen helpt bij het vaststellen van doelstellingen voor de vermindering van broeikasgasemissies die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het Akkoord van Parijs (de opwarming beperken tot ruim onder 2 °C en streven naar 1,5 °C). 8 De NZBA is een door de VN bijeengeroepen, door de industrie geleid initiatief dat in 2021 is gelanceerd in het kader van de financiële alliantie voor nettonultechnologie van Glasgow (GFANZ) , dat voorziet in een gemeenschappelijk kader voor banken om hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op nettonulemissies door de vaststelling van sectorale doelstellingen.
|
|
30. Voor andere milieurisico’s (naast het klimaat) moeten de volgende aanvullende factoren in …
|
Voor andere milieurisico’s (naast het klimaat) moeten de volgende aanvullende factoren in aanmerking worden genomen: - a. milieubeleid en - regelgeving, d.w.z. het ambitieniveau en de handhaving van milieubeschermingsbeleid, zoals het behoud van biodiversiteit, regelgeving inzake water- en luchtkwaliteit, voorschriften inzake de circulaire economie, beperkingen op schadelijke chemische stoffen en verboden op ontbossing. Dit omvat regionale kaders zoals de EU- natuurherstelwet of de biodiversiteitsstrategie voor 2030;
- b. de toestand van het ecosysteem, d.w.z. de status en trends op het gebied van biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, bodemvruchtbaarheid, beschikbaarheid van zoet water en verontreinigingsniveaus. Deze factoren bepalen de basismilieustress en beïnvloeden het ontstaan van risico’s zoals schaarste van hulpbronnen, achteruitgang van soorten of watercrisis;
- c. patronen van land- en hulpbronnengebruik, d.w.z. de omvang en intensiteit van landgebruik (stedelijke uitbreiding, landbouw, mijnbouw) en patronen van grondstofwinning of watergebruik. Niet - duurzaam gebruik kan de aantasting van het milieu versterken en le iden tot het bereiken van sociale of economische kantelpunten;
- d. de afhankelijkheid van ecosystemen in de toeleveringsketen, d.w.z. de mate waarin sectoren of regio’s afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten zoals bestuiving, waterfiltratie of beschikbaarheid van grondstoffen. Verstoring van deze diensten kan leiden tot sectorale verliezen, bijv. in de landbouw, bosbouw, visserij, voedsel of textiel.
|
|
31. Instellingen dienen geloofwaardige scenario’s te gebruiken die gebaseerd zijn op de meest …
|
Instellingen dienen geloofwaardige scenario’s te gebruiken die gebaseerd zijn op de meest recente wetenschappelijke kennis en op scenario’s en middelen die verstrekt worden door algemeen erkende internationale of regionale organisaties, zoals: - a. voor klimaatrisico’s: de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), het Netwerk voor het vergroenen van het financiële stelsel (NGFS), het Internationaal Energieagentschap (IEA), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Commissie (JRC) of nationale overheids - of niet - gouvernementele instanties;
- b. voor andere milieurisico’s dan het klimaat: het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES), de gespecialiseerde agentschappen van de Verenigde Naties9 , het Europees Milieuagentschap (EEA)10 , het World Resources Institute (WRI)11 , alsmede regionaal of nationaal ontwikkelde wetenschappelijk onderbouwde beoordelingen (bijv. nationale biodiversiteitsstrategieën, bodem - en waterbeheersplannen of kaders voor de monitoring van verontreiniging).
9 Tot de gespecialiseerde agentschappen van de VN behoren UNEP, FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie), GBO (Global Biodiversity Outlook), dat het vlaggenschipkader is van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) voor het volgen van de wereldwijde vooruitgang op het gebied van biodiversiteit, en andere agentschappen die relevant zijn voor milieumonitoring en -beleid. 10 Het EEA is een EU-orgaan dat een kader biedt voor milieugegevens en beleidsondersteuning. 11 Het WRI is een onderzoeksinstituut dat kaders ontwikkelt voor duurzaam beheer van hulpbronnen en klimaatactie.
|
|
32. Instellingen dienen de gekozen scenario’s te verfijnen en aan te passen op basis van de …
|
Instellingen dienen de gekozen scenario’s te verfijnen en aan te passen op basis van de doelstelling, de reikwijdte en de granulariteit van de uit te voeren analyse. Bij het uitvoeren van stresstesten kunnen instellingen bijvoorbeeld rekening houden met sc enario’s op relatief korte termijn, waarbij de nadruk meer ligt op acute fysieke risico’s (d.w.z. plotseling optreden van extreme klimaatgebeurtenissen) dan op chronische fysieke risico’s (d.w.z. geleidelijke verschuiving in klimaatomstandigheden) en met meer nadruk dan in langetermijnscenario’s op de mogelijke negatieve gevolgen van een sterke kloof tussen de agenda voor milieuregelgeving, de conjunctuurcyclus en het consumenten- en marktsentiment.
|
|
33. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de scenario’s goed zijn afgestemd op de unieke …
|
Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de scenario’s goed zijn afgestemd op de unieke risicokenmerken van hun portefeuilles en bedrijfsmodel door de scenario’s voor zover nodig en mogelijk aan te passen.
|
|
34. Wanneer een scenario niet alle elementen bevat die worden genoemd in de paragrafen 29 en 30 …
|
Wanneer een scenario niet alle elementen bevat die worden genoemd in de paragrafen 29 en 30 , moeten instellingen de potentiële materialiteit van deze factoren beoordelen en overwegen in hoeverre de resultaten van de analyse moeten worden aangepast op basis van deskundig oordeel.
|
|
35. Bij het opstellen van scenario’s moeten instellingen zowel fysieke risico’s als …
|
Bij het opstellen van scenario’s moeten instellingen zowel fysieke risico’s als transitierisico’s in aanmerking nemen. Zelfs indien modellering kan leiden tot het vaststellen van afzonderlijke scenario’s voor elk van deze risico’s, moeten instellingen zorg en voor voldoende consistentie tussen de scenario’s, aangezien de risico’s strikt gecorreleerd zijn over de lange termijn.
|
|
36. Instellingen dienen de specifieke aspecten van het transitierisico en de gevaren van het …
|
Instellingen dienen de specifieke aspecten van het transitierisico en de gevaren van het fysieke risico die door het scenario moeten worden bestreken, te selecteren op basis van hun materialiteitsbeoordeling, die kan verschillen naargelang van de desbetreffende tijdshorizon.
|
|
37. Instellingen moeten ervoor zorgen dat scenario’s intern consistent zijn. Met name het traject …
|
Instellingen moeten ervoor zorgen dat scenario’s intern consistent zijn. Met name het traject van elke sleutelfactor mag niet afzonderlijk worden bekeken, maar moet worden gezien in relatie tot het traject van de andere sleutelfactoren. Zo moeten aannames over economische groei in overeenstemming zijn met aannames over de vraag naar energie en de invoering van technologie.
|
|
38. Bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel kunnen instellingen zich in eerste instantie …
|
Bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel kunnen instellingen zich in eerste instantie, of afhankelijk van de omvang, aard en complexiteit van hun activiteiten of van hun beoordeling van de materialiteit van milieurisico’s, concentreren op een beperkter toepassingsgebied, minder inputfactoren gebruiken, eenvoudigere scenario’s opstellen en/of vereenvoudigde benaderingen hanteren.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|