+5.3 PD calibration
---+70. Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad als gedefinieerd in punt (78) van …
---+71. Uitsluiting van waarnemingen van de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad mag alleen …
---+72. Instellingen dienen alle gegevensopschoningen overeenkomstig artikel 32, lid 3, onder b), van …
---+73. Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraden als bedoeld in punt (78) van artikel 4 …
---+74. Bij het onderbrengen van debiteuren of blootstellingen in klassen of groepen voor de berekening …
---+75. Instellingen zouden de jaarlijkse wanbetalingsgraad ook moeten berekenen voor de …
---+76. Voor de toepassing van de paragrafen 73 tot en met 75 moet een debiteur worden opgenomen in de …
---+77. In elk geval dienen instellingen ervoor te zorgen dat elke in gebreke blijvende debiteur …
---+78. Om een passende benadering van de berekening te kiezen, zoals vereist door paragraaf 80, zouden …
---+79. Het waargenomen gemiddelde van de wanbetalingsgraden (“waargenomen gemiddelde …
---+80. Om de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad te bereken, op basis van een gedocumenteerde …
---+81. Voor de toepassing van de paragrafen 79 en 80 dienen instellingen de waargenomen gemiddelde …
---+82. Voor het bepalen van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in artikel 180, lid 1, onder …
---+83. Om de representativiteit van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 voor …
---+84. Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 representatief is voor …
---+85. Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 niet representatief is …
---+86. In het uitzonderlijke geval waarin de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode lager …
---+87. Instellingen dienen te beschikken over robuuste en welomschreven processen die zorgen voor een …
---+88. Instellingen dienen de kalibratiesteekproef voor elk kalibratiesegment op te slaan en te …
---+89. Instellingen dienen de kalibratie uit te voeren nadat ze rekening hebben gehouden met mogelijke …
---+90. Het proces van het groeperen van gerangschikte debiteuren of blootstellingen in klassen of …
---+91. Rekening houdend met de beschikbaarheid van gegevens, de structuur van het model en de …
---+92. Om PD-ramingen als bedoeld in paragraaf 91 te bepalen, dient bij de kalibratie te worden …
---+93. Ongeacht welke van de in paragraaf 92 bedoelde benaderingen door instellingen wordt gekozen …
---+94. Om PD-ramingen te bepalen op basis van een mapping naar een externe ratingschaal als bedoeld in …
---+95. Wanneer instellingen PD-ramingen afleiden uit de ramingen van verliezen en LGD's overeenkomstig …
---+96. Om gebruik te maken van directe PD-ramingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten …
---+97. Instellingen kunnen blootstellingen die door hetzelfde PD-model worden bestreken opsplitsen in …
---+98. Wanneer scoremethoden worden gebruikt, zouden instellingen ervoor moeten zorgen dat: (a) …
---+99. De kalibratie mag de rangorde van debiteuren of blootstellingen binnen een kalibratiesegment …
|
5.3 PD calibration
5.3.1 Data requirements for the calculation of observed default rates
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
70. Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad als gedefinieerd in punt (78) van …
|
Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad als gedefinieerd in punt (78) van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen instellingen te zorgen voor de volledigheid van de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens en andere informatie die verband houdt met de noemer en de teller als beschreven in de paragrafen 73 en 74 en die wordt gebruikt voor de berekening van de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad. In het bijzonder dienen instellingen ervoor te zorgen dat ten minste de volgende gegevens voor de desbetreffende waarnemingsperiode als bedoeld in de paragrafen 82 en 83 naar behoren worden opgeslagen en beschikbaar zijn: - (a) de criteria voor het vaststellen van het relevante soort blootstellingen die door het betrokken PD-model worden bestreken;
- (b) de criteria voor het vaststellen van de kalibratiesegmenten;
- (c) de voor risicodifferentiatie gebruikte risicodeterminanten; wanneer in het model een nieuwe relevante risicodeterminant waarvoor geen historische gegevens beschikbaar zijn is opgenomen, dienen instellingen zich in te spannen om de ontbrekende gegevens over risicoparameters gaandeweg tot een minimum te beperken, zoals beschreven in paragraaf 51(a), en een adequate aanpassing toe te passen, evenals een voorzichtigheidsmarge overeenkomstig paragraaf 4.4;
- (d) alle identificatienummers van debiteuren en blootstellingen die relevant zijn voor de berekening van de wanbetalingsgraad, rekening houdend met situaties waarin het identificatienummer in de loop der tijd is gewijzigd, met inbegrip van wijzigingen als gevolg van een herstructurering van blootstellingen.
|
|
71. Uitsluiting van waarnemingen van de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad mag alleen …
|
Uitsluiting van waarnemingen van de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad mag alleen in de volgende twee situaties plaatsvinden: - (a) debiteuren die ten onrechte zijn opgenomen in de gegevensverzameling van wanbetalingen, aangezien ze niet in gebreke zijn gebleven in de zin van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader gespecificeerd in de richtsnoeren inzake de toepassing van de definitie van wanbetaling door een debiteur overeenkomstig dat artikel, zouden niet moeten worden opgenomen in de noemer van de jaarlijkse wanbetalingsgraad;
- (b) debiteuren die ten onrechte zijn ondergebracht in het betrokken ratingmodel, aangezien ze niet binnen het toepassingsbereik van dat model vallen, dienen te worden uitgesloten van zowel de noemer als de teller van de jaarlijkse wanbetalingsgraad.
|
|
72. Instellingen dienen alle gegevensopschoningen overeenkomstig artikel 32, lid 3, onder b), van …
|
Instellingen dienen alle gegevensopschoningen overeenkomstig artikel 32, lid 3, onder b), van de TRN inzake de IRB-beoordelingsmethode te documenteren met betrekking tot de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad, en in het bijzonder: - (a) voor niet-retail-PD-modellen, een lijst van alle waarnemingen binnen de gegevensverzameling die zijn uitgesloten overeenkomstig paragraaf 71, met een motivering per geval;
- (b) voor retail-PD-modellen, informatie over het aantal en de redenen voor de overeenkomstig paragraaf 71 toegepaste uitsluitingen van waarnemingen.
5.3.2 Berekening van jaarlijkse wanbetalingsgraden
|
|
73. Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraden als bedoeld in punt (78) van artikel 4 …
|
Voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraden als bedoeld in punt (78) van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 dienen instellingen te zorgen voor het volgende: - (a) dat de noemer bestaat uit het aan het begin van de jaarlijkse waarnemingsperiode waargenomen aantal niet in gebreke gebleven debiteuren met een kredietverplichting; in dit verband heeft een kredietverplichting betrekking op het volgende:
- (i) alle balansposten, waaronder elk bedrag aan hoofdsom, rente en provisies; en
- (ii) alle niet in de balans opgenomen posten, waaronder door de instelling als garant afgegeven garanties.
- (b) dat de teller alle in de noemer opgenomen debiteuren omvat waarvoor geldt dat er tijdens de jaarlijkse waarnemingsperiode ten minste één gebeurtenis heeft plaatsgevonden waardoor wanbetaling is ontstaan.
|
|
74. Bij het onderbrengen van debiteuren of blootstellingen in klassen of groepen voor de berekening …
|
Bij het onderbrengen van debiteuren of blootstellingen in klassen of groepen voor de berekening van de jaarlijkse wanbetalingsgraad dienen instellingen bijsturingen in aanmerking te nemen, maar zouden ze in deze onderbrenging geen substitutie-effecten die het gevolg zijn van kredietrisicobeperking moeten weerspiegelen, noch voorzichtigheidsaanpassingen achteraf die zijn ingevoerd overeenkomstig deel 8.1. Wanneer de jaarlijkse wanbetalingsgraad wordt berekend per klasse of groep, dient de noemer betrekking te hebben op alle debiteuren die aan het begin van de waarnemingsperiode zijn ondergebracht in een ratingklasse of -groep. Wanneer de jaarlijkse wanbetalingsgraad wordt berekend op het niveau van de portefeuille, dient de noemer betrekking te hebben op alle debiteuren die aan het begin van de waarnemingsperiode zijn ondergebracht in het betrokken kalibratiesegment.
|
|
75. Instellingen zouden de jaarlijkse wanbetalingsgraad ook moeten berekenen voor de …
|
Instellingen zouden de jaarlijkse wanbetalingsgraad ook moeten berekenen voor de deelverzameling van debiteuren met een kredietverplichting die aan het begin van de desbetreffende waarnemingsperiode geen rating hadden, maar binnen het toepassingsgebied van het betrokken model vallen (“ontbrekende ratings”), ook als deze debiteuren op een conservatieve manier zijn ondergebracht in een ratingklasse of -groep voor de berekening van eigenvermogensvereisten. Debiteuren met ratings die zijn gebaseerd op ontbrekende of deels ontbrekende informatie of die zijn verouderd, maar door de instelling nog steeds geldig worden geacht, zouden niet als debiteuren met een ontbrekende rating moeten worden beschouwd.
|
|
76. Voor de toepassing van de paragrafen 73 tot en met 75 moet een debiteur worden opgenomen in de …
|
Voor de toepassing van de paragrafen 73 tot en met 75 moet een debiteur worden opgenomen in de noemer en, indien relevant, de teller, ook in geval van een migratie naar een ander(e) ratingklasse, ratinggroep, ratingmodel, ratingsysteem of benadering van de berekening van kapitaalvereisten binnen de waarnemingsperiode of wanneer de betrokken kredietverplichting in de waarnemingsperiode is verkocht, afgeschreven, terugbetaald of anderszins is gesloten. Instellingen dienen te analyseren of dergelijke migraties of verkopen van kredietverplichtingen een vertekening van de wanbetalingsgraad veroorzaken en, indien dit het geval is, dit tot uiting te laten komen in een adequate aanpassing en een adequate voorzichtigheidsmarge.
|
|
77. In elk geval dienen instellingen ervoor te zorgen dat elke in gebreke blijvende debiteur …
|
In elk geval dienen instellingen ervoor te zorgen dat elke in gebreke blijvende debiteur slechts één keer wordt meegeteld in de noemer en de teller van de jaarlijkse wanbetalingsgraad, ook wanneer de debiteur gedurende de betrokken periode van een jaar meer dan één keer in gebreke is gebleven.
|
|
78. Om een passende benadering van de berekening te kiezen, zoals vereist door paragraaf 80, zouden …
|
Om een passende benadering van de berekening te kiezen, zoals vereist door paragraaf 80, zouden instellingen de waargenomen wanbetalingsgraden binnen de historische waarnemingsperiode ten minste eenmaal per kwartaal moeten evalueren. 5.3.3 Berekening van de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad
|
|
79. Het waargenomen gemiddelde van de wanbetalingsgraden (“waargenomen gemiddelde …
|
Het waargenomen gemiddelde van de wanbetalingsgraden (“waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad”) dient te worden berekend voor elke ratingklasse of -groep, en daarnaast voor het soort blootstellingen dat door het betrokken PD-model wordt bestreken en voor relevante kalibratiesegmenten.
|
|
80. Om de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad te bereken, op basis van een gedocumenteerde …
|
Om de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad te bereken, op basis van een gedocumenteerde analyse, dienen instellingen een passende benadering te selecteren door te kiezen tussen een benadering met overlappende en een benadering met niet-overlappende tijdvensters van een jaar. De gedocumenteerde analyse zou in elk geval het volgende moeten omvatten: - (a) een analyse van mogelijke vertekeningen als gevolg van het percentage kortlopende en beëindigde contracten die tijdens de betrokken perioden van een jaar niet kunnen worden waargenomen;
- (b) een analyse van mogelijke vertekeningen als gevolg van de specifieke gekozen berekeningsdatums;
- (c) voor instellingen die gebruik maken van overlappende tijdvensters, een analyse van potentieel significante vertekeningen als gevolg van een impliciete te hoge weging van de overlappende tijdsperiode;
- (d) een analyse van potentieel significante vertekeningen als gevolg van seasoning effects in verband met de gekozen berekeningsdatums.
|
|
81. Voor de toepassing van de paragrafen 79 en 80 dienen instellingen de waargenomen gemiddelde …
|
Voor de toepassing van de paragrafen 79 en 80 dienen instellingen de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraden te berekenen als het rekenkundig gemiddelde van alle jaarlijkse wanbetalingsgraden als berekend overeenkomstig de paragrafen 73 tot en met 76. In geval van PD-modellen voor de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, kunnen instellingen de waargenomen gemiddelde wanbetalingsgraad berekenen als een gewogen gemiddelde van jaarlijkse wanbetalingsgraden wanneer een instelling geen even groot belang hecht aan historische gegevens omdat meer recente gegevens een betere voorspeller van de verliespercentages zijn overeenkomstig artikel 180, lid 2, onder e), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 5.3.4 Gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode
|
|
82. Voor het bepalen van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in artikel 180, lid 1, onder …
|
Voor het bepalen van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in artikel 180, lid 1, onder h), en artikel 180, lid 2, onder e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen waarnemingen over een langere periode dan vijf jaar relevant te worden geacht wanneer deze waarnemingen vereist zijn om ervoor te zorgen dat de historische waarnemingsperiode het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden van dat soort blootstellingen als bedoeld in artikel 49, lid 3, van de TRN inzake de IRB-beoordelingsmethode weerspiegelen.
|
|
83. Om de representativiteit van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 voor …
|
Om de representativiteit van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden te beoordelen, dienen instellingen te beoordelen of de historische waarnemingsperiode een representatieve mix van goede en slechte jaren omvat, en dienen ze rekening te houden met al het volgende: - (a) de variabiliteit van alle waargenomen jaarlijkse wanbetalingsgraden;
- (b) het bestaan, ontbreken of veel voorkomen van jaarlijkse wanbetalingsgraden voor slechte jaren als weerspiegeld door economische indicatoren die relevant zijn voor de betrokken soort blootstellingen binnen de historische waarnemingsperiode;
- (c) significante veranderingen in de economische, wettelijke of zakelijke omgeving binnen de historische waarnemingsperiode.
|
|
84. Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 representatief is voor …
|
Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 representatief is voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden, dient de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode te worden berekend als het waargenomen gemiddelde van de jaarlijkse wanbetalingsgraden in die periode.
|
|
85. Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 niet representatief is …
|
Wanneer de historische waarnemingsperiode als bedoeld in paragraaf 82 niet representatief is voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden als bedoeld in artikel 49, lid 4, van de TRN inzake de IRB-beoordelingsmethode, zouden instellingen het volgende moeten toepassen: - (a) wanneer de historische waarnemingsperiode geen of onvoldoende slechte jaren omvat, dient het gemiddelde van de waargenomen jaarlijkse wanbetalingsgraden te worden aangepast om een gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode te ramen;
- (b) wanneer slechte jaren oververtegenwoordigd zijn in de historische waarnemingsperiode, kan het gemiddelde van de waargenomen jaarlijkse wanbetalingsgraden worden aangepast om een gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange termijn te ramen wanneer er een significante correlatie tussen economische indicatoren als bedoeld in paragraaf 83(b) en de beschikbare jaarlijkse wanbetalingsgraden bestaat.
Instellingen dienen ervoor te zorgen dat, als gevolg van de onder (a) en (b) bedoelde aanpassingen, de aangepaste gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden weerspiegelt.
|
|
86. In het uitzonderlijke geval waarin de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode lager …
|
In het uitzonderlijke geval waarin de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode lager is dan het gemiddelde van alle waargenomen jaarlijkse wanbetalingsgraden als gevolg van een aanpassing als bedoeld in paragraaf 85, dienen instellingen hun aangepaste gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode te vergelijken met de hoogste waarde van de volgende: - (a) het waargenomen gemiddelde van de jaarlijkse wanbetalingsgraden van de meest recente vijf jaar;
- (b) het waargenomen gemiddelde van alle beschikbare jaarlijkse wanbetalingsgraden.
Instellingen dienen de richting en omvang van de aanpassing te rechtvaardigen, waaronder de adequaatheid van de toegepaste voorzichtigheidsmarge, in overeenstemming met de vereisten van artikel 49, lid 4, onder b), van de TRN inzake de IRB-beoordelingsmethode en deel 4.4. Bovendien zouden ze, wanneer de aangepaste gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode lager is dan de hoogste van de twee onder (a) en (b) bedoelde waarden, specifiek moeten motiveren waarom deze twee waarden niet passend zijn. 5.3.5 Kalibratie van de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode
|
|
87. Instellingen dienen te beschikken over robuuste en welomschreven processen die zorgen voor een …
|
Instellingen dienen te beschikken over robuuste en welomschreven processen die zorgen voor een deugdelijke kalibratie, door al het volgende op te nemen in hun kalibratieproces: - (a) kwantitatieve kalibratietests per ratingklasse of -groep;
- (b) kwantitatieve kalibratietests op kalibratiesegmentniveau;
- (c) aanvullende kwalitatieve analyses, zoals deskundigenoordelen over de vorm van de resulterende verdeling van debiteuren, minimumaantallen debiteuren per klasse en vermijding van ongewenste concentraties in bepaalde klassen of groepen.
|
|
88. Instellingen dienen de kalibratiesteekproef voor elk kalibratiesegment op te slaan en te …
|
Instellingen dienen de kalibratiesteekproef voor elk kalibratiesegment op te slaan en te omschrijven in de documentatie van het PD-model. Om de naleving van artikel 180, lid 1, onder a), en artikel 180, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 te waarborgen, dienen instellingen een passend evenwicht te vinden tussen de vergelijkbaarheid van de kalibratiesteekproef met de toepassingsportefeuille wat betreft de debiteuren- en transactiekenmerken en de representativiteit ervan voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden als bedoeld in deel 5.3.4.
|
|
89. Instellingen dienen de kalibratie uit te voeren nadat ze rekening hebben gehouden met mogelijke …
|
Instellingen dienen de kalibratie uit te voeren nadat ze rekening hebben gehouden met mogelijke bijsturingen die zijn toegepast bij de onderbrenging van debiteuren in klassen of groepen, en vóór de toepassing van een voorzichtigheidsmarge of drempels voor PD-ramingen als bedoeld in artikel 160, lid 1, en artikel 163, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Wanneer een rangschikkingsmethode of bijsturingsbeleid in de tijd is gewijzigd, dienen instellingen de effecten van deze wijzigingen op de frequentie en de reikwijdte van bijsturingen te analyseren en op passende wijze in aanmerking te nemen.
|
|
90. Het proces van het groeperen van gerangschikte debiteuren of blootstellingen in klassen of …
|
Het proces van het groeperen van gerangschikte debiteuren of blootstellingen in klassen of groepen, met name wanneer instellingen deze groepering uitvoeren door het vaststellen van intervallen van scorewaarden die een weerspiegeling vormen van een vooraf omschreven PD-niveau dat aan een klasse of een modelschaal is toegekend, kan tijdens de kalibratie worden uitgevoerd.
|
|
91. Rekening houdend met de beschikbaarheid van gegevens, de structuur van het model en de …
|
Rekening houdend met de beschikbaarheid van gegevens, de structuur van het model en de portefeuille, en de bedrijfseisen, dienen instellingen een passende methode voor het uitvoeren van de kalibratie te kiezen, met inachtneming van de volgende beginselen: - (a) instellingen kunnen kiezen voor een van de volgende soorten kalibratie:
- (i) een kalibratie overeenkomstig artikel 180, lid 1, onder a), of artikel 180, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- (ii) een kalibratie overeenkomstig artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in combinatie met artikel 180. lid 1, onder a) of artikel 180, lid 2, onder a), van die verordening indien gebruik wordt gemaakt van een continue ratingschaal;
- (b) Voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken en voor blootstellingen in aandelen waarbij een instellingen gebruik maakt van de in artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven PD/LGD-benadering, kunnen instellingen kiezen voor een van de volgende soorten kalibratie:
- (i) een kalibratie op basis van een mapping naar de door een externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) of een vergelijkbare organisatie toegepaste ratingschaal overeenkomstig artikel 180, lid 1, onder f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 ;
- (ii) voor een statistisch voorspellingsmodel voor wanbetaling, in overeenstemming met deel 4 van de TRN inzake de IRB-beoordelingsmethode, wanneer de PD's worden geraamd als eenvoudige gemiddelden van PD-ramingen voor individuele debiteuren of blootstellingen in een gegeven klasse of groep overeenkomstig artikel 180, lid 1, onder g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, een kalibratie op het niveau van passende kalibratiesegmenten van de betrokken PD-ramingen;
- (c) Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen kunnen instellingen kiezen voor een kalibratie op basis van totale verliezen en LGD's overeenkomstig artikel 180, lid 2, onder b) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- (d) Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen kunnen instellingen kiezen voor een kalibratie op basis van totale verliezen en LGD's overeenkomstig artikel 180, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
|
|
92. Om PD-ramingen als bedoeld in paragraaf 91 te bepalen, dient bij de kalibratie te worden …
|
Om PD-ramingen als bedoeld in paragraaf 91 te bepalen, dient bij de kalibratie te worden uitgegaan van: - (a) de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode op het niveau van een klasse of groep, in welk geval instellingen aanvullende kalibratietests op het niveau van het kalibratiesegment dienen uit te voeren; ofwel
- (b) de gemiddelde wanbetalingsgraad over een lange periode op het niveau van een kalibratiesegment, in welk geval instellingen aanvullende kalibratietests op het niveau van de desbetreffende klassen of groepen dienen uit te voeren of, wanneer ze gebruik maken van directe PD-ramingen overeenkomstig artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op een niveau dat passend is voor de toepassing van het waarschijnlijkheidsmodel.
|
|
93. Ongeacht welke van de in paragraaf 92 bedoelde benaderingen door instellingen wordt gekozen …
|
Ongeacht welke van de in paragraaf 92 bedoelde benaderingen door instellingen wordt gekozen, dienen instellingen het potentiële effect van de gekozen kalibratiemethode op het gedrag van PD-ramingen in de tijd te beoordelen.
|
|
94. Om PD-ramingen te bepalen op basis van een mapping naar een externe ratingschaal als bedoeld in …
|
Om PD-ramingen te bepalen op basis van een mapping naar een externe ratingschaal als bedoeld in paragraaf 91(b) ((i)), dienen instellingen de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraden te baseren op een tijdreeks die representatief is voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van de wanbetalingsgraden voor de klassen en groepen van de gegeven portefeuille.
|
|
95. Wanneer instellingen PD-ramingen afleiden uit de ramingen van verliezen en LGD's overeenkomstig …
|
Wanneer instellingen PD-ramingen afleiden uit de ramingen van verliezen en LGD's overeenkomstig artikel 161, lid 2, en artikel 180, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen ze gebruik te maken van een referentiegegevensverzameling die alle gerealiseerde verliezen op alle wanbetalingen omvat die zijn vastgesteld tijdens de historische waarnemingsperiode als gespecificeerd overeenkomstig deel 6.3.2.1, alsmede van relevante verliesdeterminanten.
|
|
96. Om gebruik te maken van directe PD-ramingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten …
|
Om gebruik te maken van directe PD-ramingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dienen instellingen aan te tonen dat de theoretische aannamen van het waarschijnlijkheidsmodel dat ten grondslag ligt aan de ramingsmethode in voldoende mate worden bevestigd in de praktijk en dat de gemiddelde wanbetalingsgraad over de lange termijn wordt behouden. In het bijzonder zou moeten worden voldaan aan alle gegevens- en representativiteitsvereisten, waaronder die van artikel 174, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en zou de definitie van wanbetaling moeten worden toegepast overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Onder geen enkele omstandigheid mogen continue PD's worden gebruikt of mogen wanbetalingsgraden worden versoepeld om een gebrek aan gegevens, een lage discriminatoire capaciteit of andere tekortkomingen in het proces van het onderbrengen in ratingklassen of ramen van PD's te compenseren, of om de eigenvermogensvereisten te verlagen.
|
|
97. Instellingen kunnen blootstellingen die door hetzelfde PD-model worden bestreken opsplitsen in …
|
Instellingen kunnen blootstellingen die door hetzelfde PD-model worden bestreken opsplitsen in zoveel verschillende kalibratiesegmenten als nodig is, waarbij een of meer deelverzamelingen van deze blootstellingen een significant ander risiconiveau hebben. Daartoe dienen instellingen gebruik te maken van relevante segmenteringsdeterminanten en dienen ze het gebruik en het bereik van kalibratiesegmenten te motiveren en te documenteren.
|
|
98. Wanneer scoremethoden worden gebruikt, zouden instellingen ervoor moeten zorgen dat: (a) …
|
Wanneer scoremethoden worden gebruikt, zouden instellingen ervoor moeten zorgen dat: - (a) wanneer er een verandering in de gebruikte scoremethode plaatsvindt, ze beoordelen of het noodzakelijk is om de scores van debiteuren of blootstellingen te herberekenen op basis van de oorspronkelijke gegevensverzameling, in plaats van gebruik te maken van scores die zijn berekend op basis van eerdere versies van de scoremethode, en, wanneer een dergelijke herberekening niet mogelijk is, dat ze potentiële effecten beoordelen en die effecten in aanmerking nemen middels een passende verhoging van de voorzichtigheidsmarge op hun PD-ramingen;
- (b) wanneer artikel 180, lid 1, onder g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is, de PD-ramingen die zijn afgeleid als een eenvoudig gemiddelde van individuele PD-ramingen adequaat zijn voor de desbetreffende klassen, door op deze ramingen kalibratietests op het niveau van klassen toe te passen op basis van jaarlijkse wanbetalingsgraden die representatief zijn voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van wanbetalingsgraden.
|
|
99. De kalibratie mag de rangorde van debiteuren of blootstellingen binnen een kalibratiesegment …
|
De kalibratie mag de rangorde van debiteuren of blootstellingen binnen een kalibratiesegment niet beïnvloeden anders dan binnen elke klasse of groep.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|