+4.2 Detecteren en meten van ESG-risico’s
---+18. Als onderdeel van de minimumnormen voor het detecteren en meten van ESG-risico’s dienen de …
---+19. Om te waarborgen dat de ESG-risico’s op de juiste wijze worden gedetecteerd en beheerd, dienen …
---+20. Met betrekking tot milieurisico’s dienen de instellingen aan de hand van interne procedures en …
---+21. Met betrekking tot sociale en governancerisico’s dienen de interne procedures van instellingen …
---+22. Met betrekking tot de interacties tussen de verschillende categorieën van respectievelijk …
---+23. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in de invoering van deugdelijke …
---+24. De interne procedures van instellingen dienen te waarborgen dat instellingen de informatie …
---+25. De interne procedures van instellingen dienen voort te bouwen op zowel intern als extern …
---+26. Instellingen dienen na te gaan welke andere gegevensbronnen de analyse, het beheer en de …
---+27. Wanneer de kwaliteit of beschikbaarheid van gegevens in eerste instantie niet voldoende is om …
---+28. Bij grote ondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU dienen …
---+29. Voor blootstellingen met betrekking tot andere soorten tegenpartijen dan grote ondernemingen …
---+30. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in een combinatie van …
---+31. Op het niveau van blootstellingen dienen instellingen, in overeenstemming met de bepalingen in …
---+32. Met betrekking tot de beoordeling van milieurisico’s op blootstellingsniveau dienen de interne …
---+33. Wanneer de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van bepaalde criteria nog niet …
---+34. Met betrekking tot de beoordeling van de blootstelling aan sociale en governancerisico’s dienen …
---+35. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in methoden die zijn gebaseerd op …
---+36. Met betrekking tot niet-klimaatgerelateerde ESG-factoren dienen grote instellingen het volgende …
---+37. Met betrekking tot klimaatgerelateerde risico’s dienen de interne procedures van instellingen …
---+38. Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen scenario’s te gebruiken die …
---+39. Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen de passende reikwijdte van de …
---+40. Instellingen dienen hun methodologische keuzes te rechtvaardigen en te documenteren, met …
---+41. Instellingen dienen de verkregen inzichten uit de methoden voor de afstemming van …
---+42. Naast methoden op basis van blootstelling, sector of portefeuille of voor afstemming van …
|
4.2 Detecteren en meten van ESG-risico’s
4.2.1. Algemene beginselen
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
18. Als onderdeel van de minimumnormen voor het detecteren en meten van ESG-risico’s dienen de …
|
Als onderdeel van de minimumnormen voor het detecteren en meten van ESG-risico’s dienen de interne procedures van instellingen instrumenten en methodieken te omvatten om de ESG-risicofactoren en de transmissiekanalen naar de verschillende prudentiële risicocategorieën en maatstaven voor financiële risico’s te analyseren die van invloed zijn op de blootstellingen van de instelling, onder meer vanuit een toekomstgericht perspectief.
|
|
19. Om te waarborgen dat de ESG-risico’s op de juiste wijze worden gedetecteerd en beheerd, dienen …
|
Om te waarborgen dat de ESG-risico’s op de juiste wijze worden gedetecteerd en beheerd, dienen instellingen de potentiële impact van deze risico’s op de korte, middellange en lange termijn na te gaan. Bij het door instellingen gehanteerde niveau van detail en nauwkeurigheid van datapunten, kwantificeringsinstrumenten, methoden en indicatoren dient rekening te worden houden met de materialiteitsanalyse en de omvang en complexiteit van de instelling en dient over het algemeen een hoger niveau te worden gehanteerd voor de korte en middellange termijn. Langetermijnhorizonten dienen op zijn minst vanuit een kwalitatief perspectief te worden bekeken en strategische analyses en besluitvorming te ondersteunen.
|
|
20. Met betrekking tot milieurisico’s dienen de instellingen aan de hand van interne procedures en …
|
Met betrekking tot milieurisico’s dienen de instellingen aan de hand van interne procedures en methodieken in staat te zijn om: - a. klimaatgerelateerde risico’s te kwantificeren, bijvoorbeeld door een inschatting te maken van de kans dat er financiële gevolgen die voortvloeien uit klimaatgerelateerde factoren optreden en in welke omvang;
- b. een goed inzicht te hebben in de financiële risico’s die mogelijk voortvloeien uit andere soorten milieurisico’s, zoals risico’s die voortvloeien uit de aantasting van de natuur, met inbegrip van biodiversiteitsverlies en het verlies van ecosysteemdiensten, of de slechte afstemming van activiteiten op acties die gericht zijn op bescherming, herstel en/of vermindering van negatieve effecten op de natuur;
- c. voor ten minste de korte en de middellange termijn en een bereik aan blootstellingen en portefeuilles belangrijke risico-indicatoren (KRI’s) vast te stellen, die worden bepaald in overeenstemming met de resultaten van de materialiteitsanalyse.
|
|
21. Met betrekking tot sociale en governancerisico’s dienen de interne procedures van instellingen …
|
Met betrekking tot sociale en governancerisico’s dienen de interne procedures van instellingen, gezien het aanvankelijke gebrek aan kwantitatieve informatie, te voorzien in methoden waarmee in eerste instantie een kwalitatieve beoordeling van de potentiële effecten van deze risico’s op de activiteiten van de instelling en de financiële risico’s waarmee zij wordt geconfronteerd, wordt gemaakt en geleidelijk meer geavanceerde kwalitatieve en kwantitatieve maatregelen worden ontwikkeld. Instellingen dienen hun aanpak gaandeweg te verbeteren conform de vooruitgang op het gebied van regelgeving, wetenschap, beschikbaarheid van gegevens en methodologie.
|
|
22. Met betrekking tot de interacties tussen de verschillende categorieën van respectievelijk …
|
Met betrekking tot de interacties tussen de verschillende categorieën van respectievelijk milieu, sociale en governancerisico’s dienen de interne procedures van instellingen te waarborgen dat elke risicocategorie eerst wordt beoordeeld met inachtneming van de specifieke kenmerken ervan, alvorens bij de meting van deze risico’s potentiële onderlinge verbanden of afhankelijkheden na te gaan. 4.2.2. Gegevensprocessen
|
|
23. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in de invoering van deugdelijke …
|
De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in de invoering van deugdelijke informatiebeheersystemen voor het detecteren, verzamelen, structureren en analyseren van de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling, het beheer en de monitoring van ESG-risico’s. Deze systemen dienen in de gehele instelling te worden geïmplementeerd als onderdeel van het algemene gegevensbeheer en de algemene IT-infrastructuur. Instellingen dienen hun werkwijzen regelmatig te evalueren om ervoor te zorgen dat deze blijven voldoen aan ontwikkelingen in het publieke domein (bijv. toegenomen beschikbaarheid van gegevens als gevolg van regelgevingsinitiatieven) en in de markt; ook dienen zij te beschikken over regelingen om de kwaliteit van gegevens te beoordelen en te verbeteren.
|
|
24. De interne procedures van instellingen dienen te waarborgen dat instellingen de informatie …
|
De interne procedures van instellingen dienen te waarborgen dat instellingen de informatie verzamelen en gebruiken die zij nodig hebben om de ESG-risico’s waaraan zij nu of in de toekomst via hun tegenpartijen kunnen worden blootgesteld, te beoordelen, te beheren en te monitoren, door te streven naar het verzamelen van gegevens van cliënten en activa op gepast gedetailleerd niveau.
|
|
25. De interne procedures van instellingen dienen voort te bouwen op zowel intern als extern …
|
De interne procedures van instellingen dienen voort te bouwen op zowel intern als extern beschikbare ESG-gegevens, onder meer door de door hun tegenpartijen openbaar gemaakte duurzaamheidsinformatie regelmatig te evalueren en te gebruiken, met name in overeenstemming met de in het kader van Richtlijn 2013/34/EU ontwikkelde Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportage of de vrijwillige rapportagestandaard voor niet-beursgenoteerde kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) overeenkomstig Mededeling (2023) 535 van de Commissie over het steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen9 .
9 COM (2023) 535 - Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s - Steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen
|
|
26. Instellingen dienen na te gaan welke andere gegevensbronnen de analyse, het beheer en de …
|
Instellingen dienen na te gaan welke andere gegevensbronnen de analyse, het beheer en de monitoring van ESG-risico’s doeltreffend zouden ondersteunen, zoals informatie die wordt verkregen via contacten met cliënten en tegenpartijen als onderdeel van nieuwe en bestaande zakelijke relaties, of gegevens van derden. Wanneer instellingen gebruikmaken van diensten van derden om toegang te krijgen tot ESG-gegevens, dienen zij erop toe te zien dat zij voldoende inzicht hebben in de door de gegevensaanbieders gebruikte bronnen, gegevens en methoden, waaronder de potentiële beperkingen ervan.
|
|
27. Wanneer de kwaliteit of beschikbaarheid van gegevens in eerste instantie niet voldoende is om …
|
Wanneer de kwaliteit of beschikbaarheid van gegevens in eerste instantie niet voldoende is om tegemoet te komen aan de behoeften op het gebied van risicobeheer, dienen instellingen deze lacunes en de potentiële gevolgen daarvan te beoordelen. Instellingen dienen corrigerende maatregelen, waaronder het gebruik van schattingen of benaderingen op basis van bijvoorbeeld kenmerken op sectoraal en/of regionaal niveau, te nemen en vast te leggen en waar mogelijk aanpassingen door te voeren om rekening te houden met specifieke aspecten van de tegenpartij. Instellingen dienen ernaar te streven het gebruik van schattingen en benaderingen in de loop van de tijd te verminderen naarmate de beschikbaarheid en de kwaliteit van ESG-gegevens verbeteren.
|
|
28. Bij grote ondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU dienen …
|
Bij grote ondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU dienen instellingen te overwegen om, indien van toepassing, de volgende datapunten te verzamelen of te verkrijgen: - a. Voor milieurisico’s:
- i. de geografische locatie van belangrijke activa (bijv. productielocaties) en de blootstelling aan milieurisico’s (bijv. risico’s in verband met temperatuur, wind, water of vaste massa), met een vereist niveau van detail voor een passende fysieke risicoanalyse, evenals de beschikbaarheid van verzekeringen;
- ii. de huidige en, indien beschikbaar, beoogde emissies van broeikasgassen van groep 1, 2 en 3 in absolute waarden en, waar relevant, in intensiteitswaarden;
- iii. de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hetzij met betrekking tot economische inputfactoren of op inkomstenbasis;
- iv. de vraag naar en/of het verbruik van energie en water, hetzij met betrekking tot economische inputfactoren of op inkomstenbasis;
- v. de mate van energie-efficiëntie bij blootstellingen aan vastgoed en de schuldaflossingscapaciteit van de tegenpartij;
- vi. de huidige en verwachte financiële gevolgen van de risico’s en kansen op milieugebied op de financiële positie, financiële prestaties en kasstromen van de tegenpartij;
- vii. de strategische plannen voor de transitie, met inbegrip van het transitieplan voor het tegengaan van klimaatverandering, openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn (EU) 2022/2464, indien beschikbaar;
- b. Voor sociale en governancerisico’s:
- i. afstemming op de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de Verklaring inzake de fundamentele beginselen en rechten op het werk van de Internationale Arbeidsorganisatie;
- ii. de negatieve materiële gevolgen voor eigen werknemers, werknemers in de waardeketen, getroffen gemeenschappen en consumenten/eindgebruikers, met inbegrip van informatie over zorgvuldigheidsinspanningen of -processen om dergelijke gevolgen te voorkomen en te herstellen.
|
|
29. Voor blootstellingen met betrekking tot andere soorten tegenpartijen dan grote ondernemingen …
|
Voor blootstellingen met betrekking tot andere soorten tegenpartijen dan grote ondernemingen dienen instellingen: - a. de datapunten te bepalen die nodig zijn voor het detecteren, meten en beheren van ESG-risico’s, waarbij de in paragraaf 28 verstrekte lijst bij die beoordeling in aanmerking dient te worden genomen;
- b. waar dit nodig is om lacunes in de gegevens op te vullen, gebruik te maken van deskundig oordeel, kwalitatieve gegevens, beoordelingen op portefeuilleniveau en benaderingen in overeenstemming met paragraaf 27.
4.2.3. Belangrijkste kenmerken van referentiemethoden voor het detecteren en meten van ESG-risico’s
|
|
30. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in een combinatie van …
|
De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in een combinatie van risicobeoordelingsmethoden, waaronder methoden op basis van blootstelling, sector, portefeuille of scenario, zoals beschreven in de paragrafen 31 tot en met 42. De combinatie van methoden dient zodanig te worden opgezet dat instellingen de ESG-risico’s voor alle betrokken tijdsperioden op samenhangende wijze kunnen beoordelen. In het bijzonder dienen instellingen ten minste op blootstelling gebaseerde methoden te gebruiken om een beeld te krijgen van de invloed van ESG-risico’s op het risicoprofiel en de winstgevendheid van hun tegenpartijen op korte termijn, dienen zij op sector, portefeuille of scenario gebaseerde methoden te gebruiken ter ondersteuning van het planningsproces voor de middellange termijn en de vaststelling van risicolimieten en risicobereidheid om de instelling naar haar strategische doelstellingen te leiden, en dienen zij met behulp van op scenario’s gebaseerde methoden hun gevoeligheid voor ESG-risico’s over verschillende tijdsspannen, waaronder de lange termijn, te beoordelen. - a. Op blootstelling gebaseerde methoden
|
|
31. Op het niveau van blootstellingen dienen instellingen, in overeenstemming met de bepalingen in …
|
Op het niveau van blootstellingen dienen instellingen, in overeenstemming met de bepalingen in de paragrafen 126 en 146 van de EBA-richtsnoeren inzake de initiëring en monitoring van leningen, te beschikken over interne procedures om de blootstelling van de activiteiten en belangrijke activa van hun tegenpartijen aan ESG-factoren te beoordelen, met name milieufactoren en het effect van klimaatverandering, evenals de geschiktheid van de risicobeperkende maatregelen. Daartoe dienen instellingen erop toe te zien dat ESG-factoren, in het bijzonder milieufactoren, naar behoren worden weerspiegeld in hun interne risicoclassificatieprocedures, in aanmerking worden genomen bij de algehele beoordeling van het risico op wanbetaling van een kredietnemer en, indien de materialiteit ervan dit rechtvaardigt, worden ingebed in de risico-indicatoren, de interne kredietscore- of ratingmodellen en de waardering van zekerheden.
|
|
32. Met betrekking tot de beoordeling van milieurisico’s op blootstellingsniveau dienen de interne …
|
Met betrekking tot de beoordeling van milieurisico’s op blootstellingsniveau dienen de interne procedures van instellingen een reeks risicofactoren en criteria te omvatten die zowel de fysieke als de transitierisicofactoren in aanmerking nemen. Voor grote instellingen omvat dit, indien van toepassing, ten minste het volgende: - a) de mate van kwetsbaarheid voor milieurisico’s, rekening houdend met de geografische locatie van de belangrijkste activa van de tegenpartij of de garant of van de fysieke zekerheden die de blootstellingen dekken, waarbij zowel naar de op de balans opgenomen blootstellingen als naar de niet op de balans opgenomen blootstellingen dient te worden gekeken;
- b) de mate van kwetsbaarheid voor transitierisico’s, rekening houdend met relevante technologische ontwikkelingen, de impact van geldende of toekomstige milieuregelgeving die van invloed is op de sector waarin de tegenpartij actief is, de huidige en eventuele beoogde broeikasgasemissies van de tegenpartij in absolute waarden en, indien relevant, in intensiteitswaarden, de impact van veranderende marktvoorkeuren en, in het geval van blootstelling in residentieel of commercieel vastgoed, het niveau van energie-efficiëntie in combinatie met de schuldaflossingscapaciteit van de tegenpartij;
- c) de blootstelling van het bedrijfsmodel en/of de toeleveringsketen van de tegenpartij aan kritieke verstoringen als gevolg van milieufactoren, zoals de impact van biodiversiteitsverlies, waterstress of vervuiling;
- d) de blootstelling van de tegenpartij aan risico’s op gebied van reputatie of rechtszaken, rekening houdend met voltooide, lopende of dreigende rechtszaken in verband met milieukwesties;
- e) de (geplande) looptijd of termijnstructuur van de blootstelling of het activum;
- f) risicobeperkende factoren, zoals dekking van particuliere of publieke verzekeringen, bijvoorbeeld op basis van toepasselijke nationale regelingen voor rampen of soortgelijke kaders, en het vermogen van de tegenpartij om weerbaarheid tegen transitie- en fysieke risico’s te waarborgen, onder meer door middel van toekomstgerichte transitieplanning.
|
|
33. Wanneer de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van bepaalde criteria nog niet …
|
Wanneer de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van bepaalde criteria nog niet beschikbaar zijn, zoals voor kleinere zakelijke tegenpartijen, dienen instellingen de stappen te volgen die worden beschreven in de paragrafen 26, 27 en 29.
|
|
34. Met betrekking tot de beoordeling van de blootstelling aan sociale en governancerisico’s dienen …
|
Met betrekking tot de beoordeling van de blootstelling aan sociale en governancerisico’s dienen instellingen zorgvuldigheidsprocedures te implementeren die zijn gericht op de beoordeling van de financiële gevolgen van sociale en governancefactoren en de kwetsbaarheid van het bedrijfsmodel van de tegenpartij voor deze factoren, waarin rekening wordt gehouden met de naleving door de zakelijke tegenpartij van de in paragraaf 28, punt b), onder i) vermelde sociale en governancenormen, de blootstelling van de tegenpartij aan risico’s op rechtszaken als gevolg van sociale of governancekwesties, alsmede met de toepasselijke wetgeving in het rechtsgebied waar de tegenpartij actief is. - b. Methoden op basis van sector of portefeuille of voor afstemming van portefeuilles
|
|
35. De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in methoden die zijn gebaseerd op …
|
De interne procedures van instellingen dienen te voorzien in methoden die zijn gebaseerd op sectoren en portefeuilles, in het bijzonder heatmaps die de ESG-risico’s van afzonderlijke economische (sub)sectoren uitlichten in een grafiek of op een schaalstelsel als bedoeld in de paragrafen 127 en 149 van de EBA-richtsnoeren inzake het initiëren en monitoren van leningen. De methoden van instellingen dienen zodanig te zijn dat zij op basis van bepalende factoren voor ESG-risico’s hun portefeuilles in kaart kunnen brengen en eventuele concentraties in een of meer typen ESG-risico’s kunnen detecteren.
|
|
36. Met betrekking tot niet-klimaatgerelateerde ESG-factoren dienen grote instellingen het volgende …
|
Met betrekking tot niet-klimaatgerelateerde ESG-factoren dienen grote instellingen het volgende te ontwikkelen: - a) methoden voor het identificeren van sectoren die in hoge mate afhankelijk zijn van, of een significante impact hebben op, ecosysteemdiensten, evenals instrumenten om de financiële gevolgen te meten van de aantasting van de natuur en van de acties die zijn gericht op het beschermen, herstellen en/of verminderen van negatieve gevolgen voor de natuur;
- b) benaderingen om de positieve of negatieve impact van hun portefeuilles op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelen van de VN te meten en potentiële gerelateerde financiële risico’s te evalueren.
|
|
37. Met betrekking tot klimaatgerelateerde risico’s dienen de interne procedures van instellingen …
|
Met betrekking tot klimaatgerelateerde risico’s dienen de interne procedures van instellingen te voorzien in het gebruik van ten minste één methode voor de afstemming van portefeuilles om op sectorale basis te beoordelen in hoeverre de portefeuilles van de instelling op klimaattrajecten en/of -benchmarkscenario’s zijn afgestemd. Instellingen dienen ook te overwegen de afstemming te beoordelen op het niveau van tegenpartijen, bijvoorbeeld door de broeikasgasemissie-intensiteit van een bepaalde tegenpartij te vergelijken met een toepasselijke sectorale benchmark.
|
|
38. Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen scenario’s te gebruiken die …
|
Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen scenario’s te gebruiken die wetenschappelijk onderbouwd zijn, relevant zijn voor de sectoren van economische activiteit en de geografische locatie van hun blootstellingen, actueel zijn en afkomstig zijn van nationale, EU- of internationale organisaties zoals nationale milieuagentschappen, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie, het Internationaal Energieagentschap, het netwerk voor vergroening van het financiële systeem en de internationale Werkgroep inzake klimaatverandering. Sectorale decarbonisatietrajecten dienen in overeenstemming te zijn met de toepasselijke beleidsdoelstelling, zoals de EU-doelstelling om in 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken en in 2030 de emissies te verminderen met 55 % ten opzichte van het niveau van 1990, of een nationale doelstelling indien van toepassing.
|
|
39. Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen de passende reikwijdte van de …
|
Voor de toepassing van paragraaf 37 dienen instellingen de passende reikwijdte van de beoordelingen van de afstemming van hun portefeuilles en de mate van verfijning van de gebruikte methoden te bepalen op basis van de kenmerken van hun portefeuilles, de resultaten van hun materialiteitsanalyse en de omvang en complexiteit ervan. Grote instellingen waarvan effecten op een gereglementeerde markt binnen de Unie worden verhandeld, dienen rekening te houden met de lijst van sectoren die is opgenomen in template 3 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2453 van de Commissie10 . Kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen kunnen representatieve steekproeven van blootstellingen in hun portefeuilles gebruiken om een beoordeling van de afstemming van portefeuilles uit te voeren.
10 Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2453 van de Commissie van 30 november 2022 tot wijziging van de in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/637 vastgestelde technische uitvoeringsnormen wat betreft de openbaarmaking van ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L 324 van 19.12.2022, blz. 1).
|
|
40. Instellingen dienen hun methodologische keuzes te rechtvaardigen en te documenteren, met …
|
Instellingen dienen hun methodologische keuzes te rechtvaardigen en te documenteren, met inbegrip van de keuze van scenario(’s) en het basisjaar, de selectie van sectoren en, voor kleine en niet-complexe instellingen en andere niet-grote instellingen, het vaststellen van een representatieve steekproef van blootstellingen, evenals elke significante wijziging in de methode in de loop van de tijd. Wanneer de benodigde gegevens voor het meten van afstemming ontbreken, dienen instellingen de stappen te volgen die zijn beschreven in de paragrafen 26, 27 en 29.
|
|
41. Instellingen dienen de verkregen inzichten uit de methoden voor de afstemming van …
|
Instellingen dienen de verkregen inzichten uit de methoden voor de afstemming van klimaatportefeuilles in aanmerking te nemen om: - a. de klimaatgerelateerde transitierisico’s te beoordelen en te monitoren die voortvloeien uit een ontoereikende afstemming van tegenpartijen en/of portefeuilles op de regelgevingsdoelstellingen en trajecten van de EU, de lidstaat of het derde land in overeenstemming met toepasselijke klimaatdoelen, en de potentiële daaraan gerelateerde financiële risico’s;
- b. hun besluitvormingsproces te baseren op de formulering en implementatie van hun risicobereidheid, bedrijfsstrategie en transitieplanning, onder meer wat betreft de prioritering van contacten met bepaalde tegenpartijen.
- c. Op scenario’s gebaseerde methoden
|
|
42. Naast methoden op basis van blootstelling, sector of portefeuille of voor afstemming van …
|
Naast methoden op basis van blootstelling, sector of portefeuille of voor afstemming van portefeuilles dienen de interne procedures van instellingen te voorzien in het gebruik van analyses op scenariobasis om in verschillende scenario’s hun veerkracht tegen ESG-risico’s te testen, te beginnen met klimaatgerelateerde risico’s11 .
11 Aan punt d) van de opdracht in artikel 87 bis, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU zal worden tegemoetgekomen door de ontwikkeling van aanvullende EBA-richtsnoeren inzake scenarioanalyse voor het testen van de veerkracht van instellingen ten aanzien van ecologische, sociale en governancefactoren.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|