+4.3 Specifieke richtsnoeren voor kredietinstellingen die IFRS 9 toepassen
---+86. In overeenstemming met punt 5.5.5 van IFRS 9 ‘moet een entiteit, indien op de verslagdatum het …
---+87. Kredietinstellingen moeten een actieve aanpak van de beoordeling en bepaling van de binnen …
---+88. IFRS 9 definieert een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten …
---+89. In punt B5.5.37 van IFRS 9 wordt geen definitie van wanbetaling gegeven, maar wordt vereist dat …
---+90. Overeenkomstig artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt een …
---+91. Bij de opstelling van de raming van het bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te …
---+92. Wanneer een kredietinstelling hoge kredietrisico's initieert (wat in het kader van dit punt …
---+93. Zelfs als een toename van het kredietrisico niet aanzienlijk wordt geacht, moet een …
---+94. Wanneer een collectieve beoordeling wordt uitgevoerd, moeten de posities binnen die groep …
---+95. Kredietposities mogen niet op een zodanige wijze worden gegroepeerd dat de tijdige …
---+96. Punt 5.5.4 van IFRS 9 stelt dat ‘de doelstelling van bijzondere waardeverminderingen is de te …
---+97. De reden voor deze benadering is dat de kredietwaardigheid van de tegenpartij, en dus de te …
---+98. Om na te gaan of een blootstelling een aanzienlijke toename van het kredietrisico heeft …
---+99. De procedures moeten de kredietinstellingen in staat stellen op een tijdige en holistische …
---+100. Zoals vermeld in punt B5.5.17 van IFRS 9 over de beoordeling van de aanzienlijke toenamen van …
---+101. Om voorzieningen in overeenstemming met de vereisten van IFRS 9 tijdig op te nemen, moeten …
---+102. Punt B5.5.2 van IFRS 9 stelt dat algemeen wordt verwacht dat te verwachten kredietverliezen …
---+103. Om op robuuste wijze aan de doelstelling van IFRS 9 te voldoen, moeten kredietinstellingen dus …
---+104. Kredietinstellingen moeten analysen van deze aard niet alleen verrichten in het kader van …
---+105. Kredietinstellingen moeten beschikken over een duidelijk beleid, met inbegrip van goed …
---+106. Bij het ontwikkelen van een aanpak van de bepaling van een aanzienlijke toename van het …
---+107. Kredietinstellingen moeten met name rekening houden met de volgende niet-uitputtende lijst van …
---+108. Bij de beoordeling of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een …
---+109. Nauwkeurige identificatie van kredietrisicobepalende factoren, en betrouwbaar bewijs van de …
---+110. Kredietinstellingen moeten verder kijken dan het aantal ‘graden’ dat een ratingverlaging met …
---+111. Kredietinstellingen moeten in aanmerking nemen dat er een aantal omstandigheden zijn waarin …
---+112. Kredietinstellingen moeten zich ook bewust zijn van het feit dat er sprake kan zijn van …
---+113. Kredietinstellingen moeten een grondige afweging maken en volledig rekening houden met de …
---+114. Wanneer een kredietinstelling oordeelt dat er sprake is van een aanzienlijke toename van het …
---+115. Wanneer een kredietinstelling aanzienlijke toenamen van het kredietrisico op een collectieve …
---+116. In overeenstemming met punt B5.5.1 van IFRS 9 betreffende de beoordeling van aanzienlijke …
---+117. In overeenstemming met punt B5.5.6 van IFRS 9 en punt IE39 van de richtsnoeren voor de …
---+118. ‘Aanzienlijk’ mag niet worden gelijkgesteld met statistische significantie, hetgeen betekent …
---+119. ‘Aanzienlijk’ moet ook niet worden beoordeeld uitgaande van de mate van invloed op de …
---+120. In overeenstemming met punt 5.5.9 van IFRS 9 berust de beoordeling van aanzienlijke toenamen …
---+121. Kredietinstellingen moeten de kwaliteit van hun aanpak van de beoordeling of het kredietrisico …
---+122. Kredietinstellingen moeten waken voor de mogelijkheid dat vertekening wordt geïntroduceerd die …
---+123. Punten 5.5.12 en B5.5.25-B5.5.27 van IFRS 9 bepalen de voorschriften voor de beoordeling van …
---+124. Kredietinstellingen moeten zorgen dat wijzigingen of heronderhandelingen de toenamen van het …
---+125. Om te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een …
---+126. Kredietposities die zijn overgedragen naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen …
---+127. IFRS 9 bevat een aantal praktische hulpmiddelen, bestemd voor het verlichten van de …
---+128. De onderstaande punten hebben betrekking op de volgende praktische hulpmiddelen: de informatie …
---+129. Kredietinstellingen moeten beperkt gebruikmaken van deze praktische hulpmiddelen omdat ze de …
---+130. Een kredietinstelling die gebruikmaakt van deze praktische hulpmiddelen moet de motiveringen …
---+131. In punt B5.5.15 van IFRS 9 is bepaald dat ‘een entiteit rekening moet houden met redelijke en …
---+132. In overeenstemming met punt 5.5.10 van IFRS 9 ´mag een entiteit ervan uitgaan dat het …
---+133. In dat kader moeten kredietinstellingen wijzigingen in de binnen twaalf maanden te verwachten …
---+134. Ter illustratie van de betekenis van een laag kredietrisico in punt B5.5.22 van IFRS 9, wordt …
---+135. Kredietinstellingen moeten beschikken over processen voor het beoordelen en beheren van het …
---+136. Elke verklaring dat het vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen wordt weerlegd op grond …
---+137. In dit verband moeten kredietinstellingen gebruikmaken van desbetreffende toekomstgerichte …
---+138. In de beperkte gevallen waarin achterstalligheidsinformatie het beste criterium is waarover …
|
4.3 Specifieke richtsnoeren voor kredietinstellingen die IFRS 9 toepassen
Deze paragraaf bevat richtsnoeren betreffende de aspecten van de eisen voor te verwachten kredietverliezen in de paragraaf over waardevermindering van IFRS 9 — (i) de verliesvoorziening voor een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen; (ii) de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico; en (iii) het gebruik van praktische hulpmiddelen — die andere verslaggevingskaders betreffende te verwachten kredietverliezen niet gemeen hebben en moeten worden bezien in samenhang met de andere paragrafen van deze richtsnoeren. 4.3.1 Verliesvoorziening voor een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
86. In overeenstemming met punt 5.5.5 van IFRS 9 ‘moet een entiteit, indien op de verslagdatum het …
|
In overeenstemming met punt 5.5.5 van IFRS 9 ‘moet een entiteit, indien op de verslagdatum het kredietrisico van een financieel instrument sinds eerste opname niet aanzienlijk is toegenomen, de verliesvoorziening voor dat financieel instrument waarderen op een bedrag gelijk aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen’. Kredietinstellingen moeten te verwachten kredietverliezen waarderen voor alle kredietposities en een nihilvoorziening moet zeldzaam zijn omdat ramingen van te verwachten kredietverliezen kansgewogen bedragen zijn die altijd de mogelijkheid moeten weerspiegelen dat een kredietverlies zal plaatsvinden (zie de punten 5.5.17 en 5.5.18 van IFRS 9). Een nihilvoorziening kan echter optreden, bijvoorbeeld voor volledig afgedekte leningen (hoewel de kredietinstellingen voorzichtig te werk moeten gaan bij het opstellen van ramingen van de waarde van zekerheden, omdat de waardering van zekerheden bij de totstandkoming tijdens de looptijd van de lening kan veranderen).
|
|
87. Kredietinstellingen moeten een actieve aanpak van de beoordeling en bepaling van de binnen …
|
Kredietinstellingen moeten een actieve aanpak van de beoordeling en bepaling van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen volgen, waarmee veranderingen in het kredietrisico kunnen worden vastgesteld en daarmee de tijdige opname van die veranderingen in te verwachten kredietverliezen. In overeenstemming met Beginsel 6 moeten de ramingen van het bedrag en de looptijd van binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen het op ervaring gebaseerde oordeel inzake krediet van het hoger kader weerspiegelen en een onvertekende, kansgewogen raming van verwachten kredietverliezen vertegenwoordigen door een reeks mogelijke resultaten in aanmerking te nemen
|
|
88. IFRS 9 definieert een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten …
|
IFRS 9 definieert een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen als ‘het deel van te verwachten kredietverliezen tijdens de looptijd dat de te verwachten kredietverliezen vertegenwoordigt die voortvloeien uit wanbetalingsgebeurtenissen ten aanzien van een financieel instrument, die mogelijk zijn binnen de twaalf maanden na de verslagdatum'14 . In dit verband wordt de kredietinstellingen erop gewezen dat een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen niet alleen het bedrag is aan verwachte verliezen in de komende twaalf maanden; het zijn, in overeenstemming met punt B5.5.43 van IFRS 9, veeleer de verwachte kasstroomtekorten gedurende de looptijd van de kredietpositie of groep kredietposities als gevolg van verliesgebeurtenissen die in de komende twaalf maanden kunnen plaatsvinden. Kredietinstellingen wordt er ook op gewezen dat, in overeenstemming met punt 5.5.9 van IFRS 9, om te beoordelen of een financieel instrument moet worden overgedragen naar een waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, de verandering van het risico van wanbetaling over de verwachte looptijd van het financieel instrument in aanmerking moet worden genomen. In sommige omstandigheden maakt IFRS 9 het mogelijk om wijzigingen van het risico van wanbetaling in de volgende twaalf maanden te gebruiken voor het verrichten van deze beoordeling; dit is echter niet altijd nodig, en aandacht moet met name worden besteed aan de voorbeelden in punt B5.5.14 van IFRS 9.
14 Zie IFRS 9, bijlage A, gedefinieerde termen. 15 EBA heeft ontwerprichtsnoeren gepubliceerd voor de toepassing van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
|
|
89. In punt B5.5.37 van IFRS 9 wordt geen definitie van wanbetaling gegeven, maar wordt vereist dat …
|
In punt B5.5.37 van IFRS 9 wordt geen definitie van wanbetaling gegeven, maar wordt vereist dat kredietinstellingen wanbetalingen definiëren op een wijze die overeenstemt met de definitie die wordt gebruikt voor intern kredietrisicobeheer. Punt B5.5.37 van IFRS 9 bevat tevens een weerlegbaar vermoeden dat wanbetaling niet later dan na 90 achterstallige dagen plaatsvindt. Bij de vaststelling van een definitie van wanbetaling voor boekhoudkundige doeleinden, moeten kredietinstellingen worden geleid door de definitie die gebruikt wordt voor regelgevende doeleinden als bedoeld in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/201315 , waaronder zowel: - a. een kwalitatief criterium op basis waarvan ‘de kredietinstelling het onwaarschijnlijk acht dat de debiteur zijn kredietverplichtingen jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de instelling zal moeten overgaan tot maatregelen zoals de uitwinning van zekerheden’ (‘onwaarschijnlijkheid van betaling’-gebeurtenissen); als
- b. een objectieve indicator waarbij ‘de debiteur meer dan 90 dagen achterstallig is bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting jegens de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen’, wat overeenkomt met het weerlegbaar vermoeden van punt B5.5.37 van IFRS 9.
|
|
90. Overeenkomstig artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt een …
|
Overeenkomstig artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt een wanbetalingsgebeurtenis geacht te hebben plaatsgevonden met betrekking tot een specifieke debiteur wanneer aan een of beide van de criteria in de punten 4(a) en (b), is voldaan. In dit verband moeten de kredietinstellingen wanbetaling identificeren, overeenkomstig het ‘betaling onwaarschijnlijk’-criterium van de schuldenaar, vóór de blootstelling achterstallig wordt met het criterium van 90 achterstallige dagen. In overeenstemming met de benadering die voor de regelgeving wordt gevolgd, moet de lijst van elementen bedoeld in artikel 178, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als indicatie dat betaling onwaarschijnlijk is, worden uitgevoerd op een wijze die zorgt voor een tijdige detectie van ‘betaling onwaarschijnlijk’-gebeurtenissen die uiteindelijke kasstroomtekorten versnellen. Wat het criterium van punt 4(b) betreft, hoewel de bevoegde autoriteiten voor regelgevingsdoeleinden in het geval van de verplichtingen voor entiteiten in de openbare en detailhandelssector het cijfer van 90 dagen kunnen vervangen door maximaal 180 dagen voor verschillende producten, zoals zij passend achten voor de lokale omstandigheden (zie artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013), moet deze mogelijkheid niet worden bezien als een uitzondering op de toepassing van het 90-daagse weerlegbaar vermoeden van punt B5.5.37 van IFRS 9 voor die blootstellingen.
|
|
91. Bij de opstelling van de raming van het bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te …
|
Bij de opstelling van de raming van het bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen moeten kredietinstellingen rekening houden met redelijke en gefundeerde informatie, als bedoeld in de Definities en in Beginsel 6 van deze richtsnoeren, die gevolgen heeft voor het kredietrisico, met name toekomstgerichte informatie, met inbegrip van macro-economische factoren. Kredietinstellingen moeten hun op ervaring gebaseerde oordeel inzake krediet uitoefenen om zowel kwalitatieve als kwantitatieve informatie in aanmerking te nemen die van invloed kan zijn op de beoordeling van het kredietrisico van de kredietinstelling. IFRS 9 bepaalt dat een entiteit niet uitvoerig hoeft te zoeken naar informatie bij het bepalen van een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen. Kredietinstellingen moeten echter wel actief informatie opnemen die gevolgen kan hebben voor de raming van te verwachten kredietverliezen, en moeten geen relevante informatie uitsluiten of negeren die redelijkerwijs beschikbaar is.
|
|
92. Wanneer een kredietinstelling hoge kredietrisico's initieert (wat in het kader van dit punt …
|
Wanneer een kredietinstelling hoge kredietrisico's initieert (wat in het kader van dit punt niet mag worden opgevat als het tegenovergestelde van ‘lage kredietrisico's’ als omschreven in punt 5.5.10 van IFRS 9) en haar voorzieningen in eerste instantie op de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen waardeert, moet de kredietinstelling deze blootstellingen zorgvuldig controleren op aanzienlijke toenamen van het kredietrisico om te kunnen zorgen voor het tijdig verplaatsen van de blootstelling naar waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, om in aanmerking te nemen dat hoge kredietrisico's waarschijnlijk een grotere volatiliteit vertonen en een snellere verhoging van het kredietrisico ervaren.
|
|
93. Zelfs als een toename van het kredietrisico niet aanzienlijk wordt geacht, moet een …
|
Zelfs als een toename van het kredietrisico niet aanzienlijk wordt geacht, moet een kredietinstelling haar raming van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen aanpassen om een juiste afspiegeling te geven van veranderingen in het kredietrisico die hebben plaatsgevonden. Deze aanpassingen moeten worden gemaakt ruim vóór posities, hetzij afzonderlijk, hetzij collectief, worden verplaatst naar waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen en rekening houdend met eventuele migratie van kredietrisico die heeft plaatsgevonden.
|
|
94. Wanneer een collectieve beoordeling wordt uitgevoerd, moeten de posities binnen die groep …
|
Wanneer een collectieve beoordeling wordt uitgevoerd, moeten de posities binnen die groep voldoen aan de eisen van Beginsel 3 van deze richtsnoeren. In het bijzonder moet, wanneer informatie beschikbaar komt voor de kredietinstelling die erop wijst dat een verdere of andere segmentatie binnen een groep kredietposities wordt vereist, de groep worden onderverdeeld in subgroepen en moet de waardering van het bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen afzonderlijk voor elke subgroep worden bijgewerkt of, in het geval van voorbijgaande omstandigheden, een tijdelijke aanpassing worden toegepast (zie Beginsel 3 van deze richtsnoeren en zijn gedetailleerde eisen met betrekking tot het gebruik van tijdelijke aanpassingen). Indien informatie beschikbaar komt waaruit blijkt dat een specifieke subgroep een aanmerkelijke toename van het kredietrisico heeft ondervonden, dan moeten de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen ten aanzien van die subgroep worden opgenomen.
|
|
95. Kredietposities mogen niet op een zodanige wijze worden gegroepeerd dat de tijdige …
|
Kredietposities mogen niet op een zodanige wijze worden gegroepeerd dat de tijdige identificatie van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico wordt gemaskeerd (zie ook de Beginselen 3 en 4 van deze richtsnoeren voor aanvullende eisen met betrekking tot de groepering en collectieve beoordelingen van te verwachten kredietverliezen). 4.3.2 Beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico
|
|
96. Punt 5.5.4 van IFRS 9 stelt dat ‘de doelstelling van bijzondere waardeverminderingen is de te …
|
Punt 5.5.4 van IFRS 9 stelt dat ‘de doelstelling van bijzondere waardeverminderingen is de te verwachten kredietverliezen tijdens de looptijd op te nemen voor alle financiële instrumenten waarvoor er aanzienlijke toenamen van het kredietrisico sinds eerste opname hebben plaatsgevonden — beoordeeld op individuele of collectieve basis — rekening houdend met alle redelijke en gefundeerde informatie, met inbegrip van toekomstgerichte informatie’.
|
|
97. De reden voor deze benadering is dat de kredietwaardigheid van de tegenpartij, en dus de te …
|
De reden voor deze benadering is dat de kredietwaardigheid van de tegenpartij, en dus de te verwachten kredietverliezen bij eerste opname, in aanmerking wordt genomen bij de prijsstelling van het krediet. Hieruit volgt dus dat een verhoging van het kredietrisico na de instandkoming ervan niet volledig wordt gecompenseerd door de in rekening gebrachte rente, en dat de kredietinstellingen bijgevolg zorgvuldig moeten nagaan of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico16 . Indien dat het geval is, moet de kredietpositie worden onderworpen aan waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen.
16 IFRS 9 vereist dat entiteiten bij de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico een groot aantal factoren in aanmerking nemen, en de prijsstelling kan een van deze factoren zijn.
|
|
98. Om na te gaan of een blootstelling een aanzienlijke toename van het kredietrisico heeft …
|
Om na te gaan of een blootstelling een aanzienlijke toename van het kredietrisico heeft ondervonden en voor het waarderen van de vereiste binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen en de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, moeten de kredietinstellingen beschikken over gedegen governance, systemen en controles, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in deze richtsnoeren. Tenzij dit reeds is vastgesteld, moeten kredietinstellingen systemen toepassen die in staat zijn de grote hoeveelheid informatie te verwerken en systematisch te beoordelen, die nodig is om te beoordelen of bepaalde kredietposities of groepen kredietposities blijk geven van een aanzienlijke toename van het kredietrisico en voor het waarderen van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen wanneer dit het geval is. Moederondernemingen en dochterondernemingen waarop Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, moeten zorgen dat de aanpak in de hele groep consequent is. Dit omvat met name de invoering van processen die ervoor zorgen dat de prognoses van de economische omstandigheden in verschillende rechtsgebieden en economische sectoren worden herzien en goedgekeurd door het hoger kader van de kredietinstelling, en dat het proces, de controles en de economische veronderstellingen van de ontwikkeling van prognoses en de koppeling daarvan aan de verwachtingen van kredietverlies gelijk zijn binnen de groep. De noodzaak van consistentie moet niet worden opgevat als een eis dat de werkwijze in de hele groep identiek moet zijn. Integendeel, binnen een coherent kader kan er sprake zijn van verschillen tussen rechtsgebieden en producten, afhankelijk van bijvoorbeeld de beschikbaarheid van gegevens. Deze verschillen moeten goed gedocumenteerd en gemotiveerd zijn.
|
|
99. De procedures moeten de kredietinstellingen in staat stellen op een tijdige en holistische …
|
De procedures moeten de kredietinstellingen in staat stellen op een tijdige en holistische basis te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico na eerste opname van een kredietpositie, zodat een afzonderlijke positie, of een groep posities met soortgelijke kenmerken, wordt verplaatst naar het waarderen van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen zodra het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen, in overeenstemming met de eisen inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9.
|
|
100. Zoals vermeld in punt B5.5.17 van IFRS 9 over de beoordeling van de aanzienlijke toenamen van …
|
Zoals vermeld in punt B5.5.17 van IFRS 9 over de beoordeling van de aanzienlijke toenamen van het kredietrisico sinds eerste opname, moet bij deze vaststelling een breed scala aan informatie in aanmerking worden genomen. In grote lijnen gaat het om informatie over macro-economische omstandigheden en de economische sector en geografische regio die relevant zijn voor een bepaalde kredietnemer, of een groep kredietnemers met gedeelde kredietrisicokenmerken, in aanvulling op de strategische, operationele en andere kenmerken die specifiek zijn voor de kredietnemer. Een kritisch aspect is de vereiste afweging van alle redelijke en gefundeerde toekomstgerichte informatie die beschikbaar is zonder onnodige kosten en inspanningen (zie ook punt 131 van deze richtsnoeren over de informatie die moet worden gebruikt), naast informatie over de actuele omstandigheden en historische gegevens.
|
|
101. Om voorzieningen in overeenstemming met de vereisten van IFRS 9 tijdig op te nemen, moeten …
|
Om voorzieningen in overeenstemming met de vereisten van IFRS 9 tijdig op te nemen, moeten kredietinstellingen: - a. gegevens en toekomstprognoses verzamelen voor de belangrijkste oorzaken van kredietrisico in hun kredietposities en portefeuilles; en
- b. het kredietrisico in elke kredietpositie of portefeuille op basis van deze gegevens en prognoses kunnen kwantificeren.
|
|
102. Punt B5.5.2 van IFRS 9 stelt dat algemeen wordt verwacht dat te verwachten kredietverliezen …
|
Punt B5.5.2 van IFRS 9 stelt dat algemeen wordt verwacht dat te verwachten kredietverliezen tijdens de looptijd worden opgenomen voordat een financieel instrument achterstallig wordt en dat ‘kredietrisico doorgaans aanzienlijk toeneemt voordat een financieel instrument achterstallig wordt of andere factoren betreffende het achterblijven die specifiek zijn voor de kredietnemer (zoals een wijziging of herstructurering) worden waargenomen’. De analysen van de kredietinstellingen moeten derhalve rekening houden met het feit dat de bepalende factoren voor kredietverliezen vaak al een geruime tijd (maanden of, in sommige gevallen, jaren) verslechteren voordat objectieve bewijzen van achterstalligheid in de aangetaste kredietposities te zien zijn. Kredietinstellingen moeten zich ervan bewust zijn dat achterstalligheidsgegevens over het algemeen zijn gebaseerd op resultaten uit het verleden en op zichzelf staand slechts zelden geschikt zijn voor de uitvoering van een benadering van te verwachten kredietverliezen. Bijvoorbeeld, in detailhandelportefeuilles leiden ongunstige ontwikkelingen in macro-economische factoren en de kenmerken van kredietnemers in het algemeen tot een verhoging van het niveau van kredietrisico lang voordat deze zichtbaar wordt in informatie over betalingsachterstand, zoals achterstalligheid.
|
|
103. Om op robuuste wijze aan de doelstelling van IFRS 9 te voldoen, moeten kredietinstellingen dus …
|
Om op robuuste wijze aan de doelstelling van IFRS 9 te voldoen, moeten kredietinstellingen dus ook rekening houden met de verbanden tussen macro-economische factoren en de kenmerken van kredietnemers voor de hoogte van het kredietrisico in een portefeuille op basis van redelijke en gefundeerde informatie. Daartoe moeten de kredietinstellingen beginnen met een gedetailleerde analyse van historische patronen en huidige ontwikkelingen, wat de identificatie van de relevantste kredietrisicobepalende factoren mogelijk maakt. Het op ervaring gebaseerde oordeel inzake krediet moet de integratie bevorderen van de huidige en voorspelde omstandigheden die wellicht invloed kunnen hebben op deze risicobepalende factoren, de verwachte kasstroomtekorten, en derhalve de te verwachte verliezen.
|
|
104. Kredietinstellingen moeten analysen van deze aard niet alleen verrichten in het kader van …
|
Kredietinstellingen moeten analysen van deze aard niet alleen verrichten in het kader van portefeuilles van afzonderlijke kleine kredieten, zoals creditcards, maar ook voor grote, afzonderlijk beheerde kredietposities. Zo moeten kredietinstellingen bij een lening voor groot zakelijk vastgoed rekening houden met de aanzienlijke gevoeligheid van de zakelijke vastgoedmarkt in vele rechtsgebieden voor de algemene macro-economische omgeving, en overwegen informatie te gebruiken zoals het niveau van de marktrente of leegstand om vast te stellen of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico.
|
|
105. Kredietinstellingen moeten beschikken over een duidelijk beleid, met inbegrip van goed …
|
Kredietinstellingen moeten beschikken over een duidelijk beleid, met inbegrip van goed ontwikkelde criteria voor wat een ‘aanzienlijke’ toename van het kredietrisico voor verschillende typen kredietposities vormt. Dergelijke criteria en de redenen waarom deze benaderingen en definities geschikt worden geacht, moeten worden vermeld in overeenstemming met IFRS 7 Financiële Instrumenten: Informatieverschaffing , punt 35F. Punt 5.5.9 van IFRS 9 vereist dat bij de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico ‘een entiteit moet gebruikmaken van de wijziging van het risico dat wanbetaling plaatsvindt gedurende de verwachte looptijd van het financieel instrument in plaats van de wijziging van het bedrag van te verwachten kredietverliezen’. Hiertoe moeten de kredietinstellingen deze beoordeling verrichten voor wat betreft het risico van het plaatsvinden van wanbetaling en niet van de te verwachten kredietverliezen (d.w.z. vóór de overweging van de gevolgen van de kredietrisicolimiterende maatregelen zoals zekerheden of garanties).
|
|
106. Bij het ontwikkelen van een aanpak van de bepaling van een aanzienlijke toename van het …
|
Bij het ontwikkelen van een aanpak van de bepaling van een aanzienlijke toename van het kredietrisico moeten kredietinstellingen rekening houden met elk van de zestien categorieën van de indicatoren in IFRS 9 (voor zover deze relevant zijn voor het te beoordelen financieel instrument), zoals uiteengezet in de punten B5.5.17(a)-(p); daarnaast moeten de kredietinstellingen overwegen of er sprake is van verdere informatie waarmee rekening moet worden gehouden. Dergelijke indicatoren (in zowel IFRS 9 als deze richtsnoeren) moeten niet als een ‘checklist’ worden beschouwd. Sommige kunnen wellicht relevanter zijn dan andere om te beoordelen of een bepaald type kredietpositie blijk geeft van een aanzienlijke toename van het kredietrisico. Tegelijkertijd moeten de kredietinstellingen met name voorkomen dat het risico van een aanzienlijke toename van het kredietrisico niet onmiddellijk wordt erkend wanneer het in feite reeds aanwezig is. In het bijzonder moeten de kredietinstellingen aanzienlijke toenamen van het kredietrisico niet beperken tot situaties waarin verwacht wordt dat een financieel instrument verminderd kredietwaardig wordt (d.w.z. de derde fase van de voorschriften inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9). In plaats daarvan kunnen schuldenaars een aanzienlijke toename van het kredietrisico vertonen, zonder het bewijs dat de betrokken kredietposities waarschijnlijk in waarde zullen verminderen. Het feit dat het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen, hoeft niet te betekenen dat wanbetaling waarschijnlijk is — alleen waarschijnlijker dan bij eerste opname. Dit punt wordt benadrukt door de symmetrie van het IFRS 9-model: het is mogelijk om kredietposities naar de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen te verplaatsen, maar vervolgens terug te plaatsen naar de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen indien niet langer aan de drempel van een aanzienlijke toename van het kredietrisico wordt voldaan.
|
|
107. Kredietinstellingen moeten met name rekening houden met de volgende niet-uitputtende lijst van …
|
Kredietinstellingen moeten met name rekening houden met de volgende niet-uitputtende lijst van indicatoren voor de beoordeling van een aanzienlijke toename van het kredietrisico: - a. een besluit van het hoger kader van de kredietinstelling zodanig dat, indien een bestaande kredietpositie voor het eerst op de verslagdatum werd geïnitieerd, het element van de prijs van de kredietpositie dat representatief is voor het kredietrisico van de blootstelling aanzienlijk hoger zou zijn dan het was toen de lening in feite werd geïnitieerd, vanwege een toename van het kredietrisico van de specifieke kredietnemer of categorie kredietnemers sinds aanvang;
- b. een besluit van het hoger kader van de kredietinstelling ter versterking van de zekerheden en/of bijzondere eisen voor nieuwe kredietposities die vergelijkbaar zijn met de reeds geïnitieerde kredietposities, vanwege wijzigingen in het kredietrisico van die blootstellingen sinds eerste opname;
- c. een verlaging van de kredietwaardigheid van de kredietnemer door een erkend ratingbureau of binnen het interne ratingsysteem van een kredietinstelling;
- d. voor inbare kredietposities die onderhevig zijn aan individuele controle en herziening, een interne ratingsamenvatting/kredietkwaliteitsindicator die zwakker is dan bij eerste opname;
- e. verslechtering van de relevante determinanten van kredietrisico (bv. toekomstige kasstromen) voor een individuele debiteur (of groep debiteuren); en
- f. verwachting van wijzigingen als gevolg van financiële problemen, waaronder die welke kwalificeren als respijt in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 2015/227.
Hoewel de tenuitvoerlegging van IFRS 9 waar mogelijk de werkwijzen ten aanzien van het beheer van het kredietrisico moet weerspiegelen, zou dat in sommige gevallen niet passend zijn. Zo zou voor een kredietinstelling die de meeste kredietposities op dezelfde wijze beheert, ongeacht het kredietrisico, — slechts met uitzondering van bijzonder sterke of zwakke kredieten — de wijze waarop een kredietpositie wordt beheerd waarschijnlijk geen goede indicator zijn van de vraag of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico.
|
|
108. Bij de beoordeling of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een …
|
Bij de beoordeling of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een kredietpositie, moeten kredietinstellingen ook rekening houden met de volgende factoren die verband houden met de omgeving waarin een kredietinstelling of de kredietnemer actief is: - a. verslechtering van de macro-economische vooruitzichten die relevant zijn voor een bepaalde kredietnemer of een groep kredietnemers. Macro-economische beoordelingen moeten voldoende uitgebreid zijn om factoren op te nemen die relevant zijn voor soevereine, zakelijke, huishoudelijke en andere typen kredietnemers. Bovendien moeten ze alle relevante regionale verschillen in economische prestaties binnen een rechtsgebied aan de orde stellen17 ; evenals
- b. verslechtering van de vooruitzichten voor de sector of bedrijfstakken waarbinnen een kredietnemer actief is.
17 Zie Beginsel 6 van deze richtsnoeren voor de behandeling van toekomstgerichte informatie, met inbegrip van macro-economische factoren.
|
|
109. Nauwkeurige identificatie van kredietrisicobepalende factoren, en betrouwbaar bewijs van de …
|
Nauwkeurige identificatie van kredietrisicobepalende factoren, en betrouwbaar bewijs van de verbanden tussen die factoren en het niveau van het kredietrisico, moet als van cruciaal belang worden beschouwd, aangezien een schijnbaar kleine wijziging in een kwalitatief kenmerk van een lening potentieel een voorlopende indicator kan zijn van een grote toename van het risico van wanbetaling. Bovendien hangt de betekenis van een wijziging van het kredietrisico sinds eerste opname af van het risico van wanbetaling bij eerste opname, in overeenstemming met punt 5.5.9 van IFRS 9. In dit verband, wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van wijzigingen in de PD als middel ter identificatie van wijzigingen in het risico van wanbetaling, moet zij rekening houden met de betekenis van een bepaalde verandering in de PD, uitgedrukt in een verhouding (of de mate van fluctuatie) evenredig aan de PD bij eerste opname (d.w.z. een wijziging in de PD gedeeld door de PD bij eerste opname) , mede gelet op punt B5.5.11 van IFRS 9. Niettemin moet ook rekening worden gehouden met de breedte van de wijziging van de PD zelf (d.w.z. de PD op de waarderingsdatum verminderd met de PD bij eerste opname).
|
|
110. Kredietinstellingen moeten verder kijken dan het aantal ‘graden’ dat een ratingverlaging met …
|
Kredietinstellingen moeten verder kijken dan het aantal ‘graden’ dat een ratingverlaging met zich meebrengt omdat de wijziging van de PD voor een beweging van één graad niet lineair hoeft te zijn (bijvoorbeeld de kans op wanbetaling gedurende vijf jaar van een blootstelling met een BB-rating is ongeveer drie keer die van een blootstelling met een BBB-rating, op basis van actuele gegevens en analysen die van toepassing zijn op bepaalde rechtsgebieden). Bovendien, omdat het belang van een mutatie van één graad zou afhangen van de granulariteit van het ratingsysteem van een bank, — en dus de ‘breedte’ van elke graad — moet een passende initiële segmentatie worden vastgesteld om te zorgen dat een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een afzonderlijke kredietpositie of een groep kredietposities niet binnen een segment wordt gemaskeerd. In dit verband moeten kredietinstellingen ervoor zorgen dat de kredietratingsystemen een voldoende aantal graden omvatten om het kredietrisico op passende wijze te onderscheiden. Kredietinstellingen moeten zich ook bewust zijn van het feit dat een aanzienlijke toename van het kredietrisico kan plaatsvinden vóór de beweging in een kredietgraad.
|
|
111. Kredietinstellingen moeten in aanmerking nemen dat er een aantal omstandigheden zijn waarin …
|
Kredietinstellingen moeten in aanmerking nemen dat er een aantal omstandigheden zijn waarin een ongunstige mutatie in de factoren vermeld in de punten 107 en 108 hierboven niet hoeven te wijzen op een aanzienlijke toename van het kredietrisico. Het kan bijvoorbeeld het geval zijn dat de kans op wanbetaling van een kredietpositie met een AA-rating laag is en niet veel meer dan een met een AAA-rating. Er zijn echter zeer weinig kredietposities met een dergelijk blijkbaar laag kredietrisico en, zoals vermeld in punt 110, kan de gevoeligheid van de kans op wanbetaling voor ratingklassen sterk toenemen als de ratingkwaliteit afneemt.
|
|
112. Kredietinstellingen moeten zich ook bewust zijn van het feit dat er sprake kan zijn van …
|
Kredietinstellingen moeten zich ook bewust zijn van het feit dat er sprake kan zijn van omstandigheden waarin sommige factoren in een ongunstige richting bewegen, maar dat die kunnen worden gecompenseerd door verbetering in andere factoren (zie IFRS 9, richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging, voorbeeld 2). Gezien het belang van de detectie van een aanzienlijke toename van het kredietrisico, moeten kredietinstellingen echter voorzien in bestuurs- en controleprocedures die op betrouwbare wijze een oordeel kunnen valideren dat factoren die mogelijk ongunstige gevolgen voor het kredietrisico hebben, worden gecompenseerd door factoren die een gunstige invloed kunnen hebben.
|
|
113. Kredietinstellingen moeten een grondige afweging maken en volledig rekening houden met de …
|
Kredietinstellingen moeten een grondige afweging maken en volledig rekening houden met de discretionaire beslissingen van het leidinggevend orgaan of hoger kader van een kredietinstelling die wijzen op een wijziging in het kredietrisico. Bijvoorbeeld, indien vanwege zorgen over het kredietrisico een beslissing wordt genomen om de controle op een kredietnemer of categorie kredietnemers te intensiveren, is het onwaarschijnlijk dat de besluitvormers een dergelijke maatregel zouden hebben genomen als de toename van het kredietrisico niet als belangrijk beschouwd werd.
|
|
114. Wanneer een kredietinstelling oordeelt dat er sprake is van een aanzienlijke toename van het …
|
Wanneer een kredietinstelling oordeelt dat er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor sommige, maar niet alle kredietposities ten opzichte van een tegenpartij — bijvoorbeeld wegens de verschillen in de timing van wanneer de leningen werden verstrekt — moet zij ervoor zorgen dat alle kredietposities worden geïdentificeerd wanneer er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico.
|
|
115. Wanneer een kredietinstelling aanzienlijke toenamen van het kredietrisico op een collectieve …
|
Wanneer een kredietinstelling aanzienlijke toenamen van het kredietrisico op een collectieve basis (bv. detailhandel) vaststelt, moeten de definities van de portefeuilles regelmatig worden herzien om te zorgen dat de kredietposities daarbinnen de risicokenmerken blijven delen met betrekking tot hun reactie op kredietrisicobepalende factoren. Veranderende economische omstandigheden kunnen hergroepering vereisen.
|
|
116. In overeenstemming met punt B5.5.1 van IFRS 9 betreffende de beoordeling van aanzienlijke …
|
In overeenstemming met punt B5.5.1 van IFRS 9 betreffende de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico sinds eerste opname op een collectieve basis, moeten kredietinstellingen in gevallen waarin duidelijk is dat binnen een groep kredietposities sommige kredietposities te kampen hebben met een aanzienlijke toename van het kredietrisico, een onderdeel of een percentage van de groep kredietposities verplaatsen naar waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, hoewel het niet mogelijk is deze te identificeren op basis van individuele kredietposities (zie IFRS 9, illustratief voorbeeld 5).
|
|
117. In overeenstemming met punt B5.5.6 van IFRS 9 en punt IE39 van de richtsnoeren voor de …
|
In overeenstemming met punt B5.5.6 van IFRS 9 en punt IE39 van de richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van IFRS 9 moet, als het niet mogelijk is om op basis van gedeelde kredietrisicokenmerken een specifieke subgroep van kredietposities te identificeren waarvoor het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen, een passend deel van de totale groep worden onderworpen aan waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen.
|
|
118. ‘Aanzienlijk’ mag niet worden gelijkgesteld met statistische significantie, hetgeen betekent …
|
‘Aanzienlijk’ mag niet worden gelijkgesteld met statistische significantie, hetgeen betekent dat de beoordelingsbenadering niet uitsluitend gebaseerd moet zijn op kwantitatieve analyse. Voor portefeuilles die bestaan uit een groot aantal afzonderlijke kleine kredieten, alsmede een uitgebreide reeks desbetreffende historische gegevens, kan het mogelijk zijn om ‘aanzienlijke’ toenamen van het kredietrisico gedeeltelijk te identificeren met behulp van statistische technieken. Voor andere kredietposities is dat wellicht niet haalbaar.
|
|
119. ‘Aanzienlijk’ moet ook niet worden beoordeeld uitgaande van de mate van invloed op de …
|
‘Aanzienlijk’ moet ook niet worden beoordeeld uitgaande van de mate van invloed op de jaarrekening van een kredietinstelling. Het identificeren en vermelden van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico moet worden uitgevoerd, ook als het onwaarschijnlijk is dat een toename van het kredietrisico gedefinieerd in termen van de kans op wanbetaling invloed heeft op de gemaakte voorziening — bijvoorbeeld omdat de blootstelling meer dan volledig door zekerheden is gedekt — om kredietinstellingen in staat te stellen dergelijke toenamen te identificeren en te vermelden die van belang zijn voor gebruikers die inzicht willen krijgen in de ontwikkelingen van het intrinsieke kredietrisico van de kredietposities van een kredietinstelling.
|
|
120. In overeenstemming met punt 5.5.9 van IFRS 9 berust de beoordeling van aanzienlijke toenamen …
|
In overeenstemming met punt 5.5.9 van IFRS 9 berust de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico op een vergelijking van het kredietrisico ten aanzien van blootstellingen op de verslagdatum ten opzichte van het kredietrisico bij eerste opname. Punt BC 5.161 van IFRS 9 en illustratief voorbeeld 6 zijn voorbeelden van de toepassing van dit beginsel in de norm in plaats van een uitzondering op dat beginsel. Dit voorbeeld duidt erop dat kredietinstellingen een maximaal kredietrisico kunnen vaststellen voor bepaalde portefeuilles bij eerste opname dat zou leiden tot verplaatsing van die portefeuille naar waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen wanneer het kredietrisico dat maximumniveau overschrijdt. Deze vereenvoudiging is uitsluitend relevant wanneer blootstellingen voldoende fijnmazig zijn gesegmenteerd, zodat een kredietinstelling kan aantonen dat de analyse overeenstemt met de beginselen van IFRS 9. In het bijzonder moeten kredietinstellingen kunnen aantonen dat een aanzienlijke toename van het kredietrisico niet heeft plaatsgevonden voor posten in de portefeuille voordat de maximale kredietgraad werd bereikt.
|
|
121. Kredietinstellingen moeten de kwaliteit van hun aanpak van de beoordeling of het kredietrisico …
|
Kredietinstellingen moeten de kwaliteit van hun aanpak van de beoordeling of het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen, nauwgezet herzien. Het leidinggevend orgaan of het hoger kader van een kredietinstelling moet overwegen of er aanvullende factoren zijn die moeten worden meegenomen bij de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico die de kwaliteit van hun benadering zouden verbeteren.
|
|
122. Kredietinstellingen moeten waken voor de mogelijkheid dat vertekening wordt geïntroduceerd die …
|
Kredietinstellingen moeten waken voor de mogelijkheid dat vertekening wordt geïntroduceerd die zou verhinderen dat aan de doelstellingen van IFRS 9 wordt voldaan. In gevallen waarin kredietinstellingen aannemen dat hun aanpak van de uitvoering mogelijk een vertekening heeft geïntroduceerd, moeten zij hun beoordeling voor geïdentificeerde vertekening wijzigen en er aldus voor zorgen dat aan de doelstelling van deze norm wordt voldaan (zie met name IFRS 9, punten B5.5.1-B5.5.6).
|
|
123. Punten 5.5.12 en B5.5.25-B5.5.27 van IFRS 9 bepalen de voorschriften voor de beoordeling van …
|
Punten 5.5.12 en B5.5.25-B5.5.27 van IFRS 9 bepalen de voorschriften voor de beoordeling van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico voor kredietposities waarvan de contractuele kasstromen zijn heronderhandeld of gewijzigd. Met name voor wijzigingen die niet leiden tot verwijdering uit de balans in overeenstemming met IFRS 9 moet een entiteit beoordelen of het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen door (a) het risico van wanbetaling op de verslagdatum op basis van de gewijzigde overeenkomst te vergelijken met (b) het risico van wanbetaling bij eerste opname op basis van de oorspronkelijke, ongewijzigde contractuele voorwaarden.
|
|
124. Kredietinstellingen moeten zorgen dat wijzigingen of heronderhandelingen de toenamen van het …
|
Kredietinstellingen moeten zorgen dat wijzigingen of heronderhandelingen de toenamen van het kredietrisico niet maskeren, waardoor de te verwachten kredietverliezen zouden worden onderschat en de overdracht naar de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen wordt vertraagd voor debiteuren wier kredietrisico aanzienlijk is verslechterd, of ongewenst zou leiden tot een verplaatsing van een waardering van tijdens de looptijd terug naar de waardering van binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen.
|
|
125. Om te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een …
|
Om te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico voor een gewijzigde kredietpositie, moeten kredietinstellingen kunnen aantonen en moeten zij bij het opstellen van de ramingen van te verwachten kredietverliezen in aanmerking nemen dat dergelijke wijzigingen of heronderhandelingen het vermogen van de kredietinstelling om rente en aflossingen te innen, is verslechterd of hersteld, vergeleken met de situatie bij eerste opname. Er moet ook aandacht worden besteed aan de inhoud van gewijzigde contractuele kasstromen, alsmede de gevolgen van de wijzigingen voor het toekomstige kredietrisico van de kredietpositie (rekening houdend met het kredietrisico van de debiteur). Factoren waarmee rekening moet worden gehouden omvatten, maar zijn niet beperkt tot de vraag: - a. of de wijziging van of heronderhandeling over de contractvoorwaarden en de daaruit voortvloeiende kasstromen economisch voordelig is voor de debiteur vergeleken met de oorspronkelijke, ongewijzigde contractuele voorwaarden, en de wijze waarop de aanpassing economische invloed heeft op het vermogen van de debiteur om de schuld terug te betalen;
- b. of factoren kunnen worden vastgesteld ter ondersteuning van de beoordeling door de kredietinstelling van het vermogen van de debiteur om de schuld terug te betalen, met inbegrip van omstandigheden die leiden tot de wijziging, en de vooruitzichten van de debiteur als gevolg van de wijzigingen, gezien de huidige omstandigheden, macro-economische prognoses, en de vooruitzichten voor de sector/bedrijfstak waarin de debiteur actief is, het bedrijfsmodel van de debiteur en het bedrijfsplan (management) van de debiteur dat de verwachtingen van de debiteur van zijn toekomstige prestaties, financiële veerkracht en kasstromen beschrijft; en
- c. of het bedrijfsplan van de debiteur haalbaar en realiseerbaar is en overeenstemt met het terugbetalingsschema van de rente en hoofdsom in het kader van de aangepaste contractuele voorwaarden van de kredietpositie.
|
|
126. Kredietposities die zijn overgedragen naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen …
|
Kredietposities die zijn overgedragen naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen die vervolgens worden heronderhandeld of gewijzigd, en niet van de balans zijn verwijderd, moeten niet terug worden verplaatst naar de waardering van de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen, tenzij er voldoende bewijs is dat het kredietrisico gedurende de looptijd van de blootstelling niet aanzienlijk is toegenomen vergeleken met dat bij eerste opname. Bijvoorbeeld, wanneer een kredietinstelling verschillende concessies toekent, zoals renteverlagingen of uitstel van kapitaalaflossingen, aan debiteuren die in financiële moeilijkheden verkeren, kan de kredietpositie kenmerken vertonen van een lager kredietrisico, ook al verkeert de debiteur in de praktijk nog steeds in financiële moeilijkheden zonder realistische vooruitzichten om de geplande aflossingen gedurende de resterende looptijd van de blootstelling te voldoen. Overeenkomstig punt B5.5.27 van IFRS 9 ‘kan bewijs dat aan de criteria voor de opname van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen niet langer wordt voldaan bestaan uit een overzicht van actueel en tijdig betalingsgedrag ten opzichte van de gewijzigde overeenkomst. Meestal moet een klant consequent goed betalingsgedrag gedurende een periode kunnen aantonen voordat het kredietrisico kan worden geacht te zijn gedaald. Bijvoorbeeld, een geschiedenis van gemiste of onvolledige betalingen wordt gewoonlijk niet gewist door eenvoudigweg één betaling op tijd te doen na een wijziging van de contractuele voorwaarden’. 4.3.3 Gebruik van praktische hulpmiddelen
|
|
127. IFRS 9 bevat een aantal praktische hulpmiddelen, bestemd voor het verlichten van de …
|
IFRS 9 bevat een aantal praktische hulpmiddelen, bestemd voor het verlichten van de uitvoeringslast voor een breed scala van ondernemingen met het oog op het feit dat IFRS 9 wordt gebruikt door verschillende entiteiten, met inbegrip van entiteiten buiten de banksector.
|
|
128. De onderstaande punten hebben betrekking op de volgende praktische hulpmiddelen: de informatie …
|
De onderstaande punten hebben betrekking op de volgende praktische hulpmiddelen: de informatie waarmee een entiteit rekening moet houden bij de waardering van te verwachten kredietverliezen; de uitzondering voor ‘lage’ kredietrisico's; en het weerlegbaar vermoeden van 30 achterstallige dagen.
|
|
129. Kredietinstellingen moeten beperkt gebruikmaken van deze praktische hulpmiddelen omdat ze de …
|
Kredietinstellingen moeten beperkt gebruikmaken van deze praktische hulpmiddelen omdat ze de mogelijkheid hebben een aanzienlijke vertekening te introduceren en omdat — gezien hun activiteiten — de kosten van het verkrijgen van de desbetreffende informatie wellicht geen 'onnodige kosten of inspanningen' met zich meebrengen. Kredietinstellingen moeten overwegen of aanpassingen moeten worden gemaakt bij het gebruik van praktische hulpmiddelen om te voorkomen dat daardoor vertekening optreedt, aangezien zij in aanmerking moeten nemen dat IFRS 9 bedoeld is om een raming te maken van te verwachten kredietverliezen om een onvertekend en kansgewogen bedrag weer te geven dat is vastgesteld door beoordeling van een reeks mogelijke resultaten (IFRS 9, punt 5.5.17).
|
|
130. Een kredietinstelling die gebruikmaakt van deze praktische hulpmiddelen moet de motiveringen …
|
Een kredietinstelling die gebruikmaakt van deze praktische hulpmiddelen moet de motiveringen voor het gebruik daarvan duidelijk documenteren. De bedoelde informatie
|
|
131. In punt B5.5.15 van IFRS 9 is bepaald dat ‘een entiteit rekening moet houden met redelijke en …
|
In punt B5.5.15 van IFRS 9 is bepaald dat ‘een entiteit rekening moet houden met redelijke en gefundeerde informatie die beschikbaar is zonder onnodige kosten en inspanningen´ en dat ‘een entiteit niet uitvoerig hoeft te zoeken naar informatie bij het bepalen of het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen sinds eerste opname’. Kredietinstellingen moeten deze verklaringen niet beperkend bezien en moeten systemen en processen ontwikkelen die gebruikmaken van alle redelijke en gefundeerde informatie die relevant is voor de groep kredietposities of afzonderlijke posities, die nodig is om te komen tot een kwalitatief hoogwaardige, degelijke en consequente uitvoering van de boekhoudkundige voorschriften. Extra kosten en operationele lasten hoeven echter niet te worden ingevoerd indien zij niet bijdragen tot een kwalitatief hoogwaardige tenuitvoerlegging van IFRS 9. Vrijstelling vanwege ‘laag kredietrisico’
|
|
132. In overeenstemming met punt 5.5.10 van IFRS 9 ´mag een entiteit ervan uitgaan dat het …
|
In overeenstemming met punt 5.5.10 van IFRS 9 ´mag een entiteit ervan uitgaan dat het kredietrisico van een financieel instrument niet aanzienlijk is toegenomen sinds eerste opname indien wordt bepaald dat het financiële instrument op de verslagdatum een laag kredietrisico heeft´. Hoewel de kredietinstellingen aldus de mogelijkheid hebben om voor blootstellingen met een ‘laag kredietrisico’ niet te beoordelen of het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen sinds eerste opname, moet het gebruik van deze vrijstelling beperkt blijven. Kredietinstellingen moeten met name tijdig een beoordeling uitvoeren van aanzienlijke toenamen van het kredietrisico voor alle kredietposities.
|
|
133. In dat kader moeten kredietinstellingen wijzigingen in de binnen twaalf maanden te verwachten …
|
In dat kader moeten kredietinstellingen wijzigingen in de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen altijd opnemen via de voorziening wanneer er geen sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico en kredietposities overdragen naar de waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, indien er sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico. Ter verwezenlijking van een kwalitatief hoogwaardige tenuitvoerlegging van IFRS 9 moet elk gebruik van de vrijstelling vanwege laag kredietrisico gepaard gaan met duidelijke aanwijzingen dat het kredietrisico op de verslagdatum voldoende laag ligt dat een aanzienlijke toename van het kredietrisico sinds eerste opname niet had kunnen plaatsvinden.
|
|
134. Ter illustratie van de betekenis van een laag kredietrisico in punt B5.5.22 van IFRS 9, wordt …
|
Ter illustratie van de betekenis van een laag kredietrisico in punt B5.5.22 van IFRS 9, wordt in punt B5.5.23 van IFRS 9 een instrument met een externe ‘investment grade’-rating als voorbeeld genoemd. Niet alle kredietposities met een ‘investment grade’-rating van een ratingbureau worden echter automatisch als een laag kredietrisico beschouwd. Kredietinstellingen moeten op de eerste plaats vertrouwen op hun eigen kredietrisicobeoordelingen om het kredietrisico van een kredietpositie te beoordelen, en niet uitsluitend of automatisch vertrouwen op ratings van ratingbureaus (indien deze beschikbaar zijn). Niettemin vereisen optimistische interne ratings, vergeleken met externe ratings, een aanvullende analyse en rechtvaardiging door het leidinggevend orgaan of het hoger kader van een kredietinstelling. Weerlegbaar vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen
|
|
135. Kredietinstellingen moeten beschikken over processen voor het beoordelen en beheren van het …
|
Kredietinstellingen moeten beschikken over processen voor het beoordelen en beheren van het kredietrisico om te garanderen dat aanzienlijke toenamen van het kredietrisico worden geïdentificeerd lang voordat blootstellingen achterstallig worden. Hoewel het gebruik van het weerlegbaar vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen als voorzorgsmaatregel in overeenstemming met IFRS 9 naast andere, vroegere indicatoren, niet wordt uitgesloten voor de beoordeling van een aanzienlijke toename van het kredietrisico, moeten kredietinstellingen voorkomen dat ze het gebruiken als de primaire indicator voor de overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen.
|
|
136. Elke verklaring dat het vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen wordt weerlegd op grond …
|
Elke verklaring dat het vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen wordt weerlegd op grond van dat er geen sprake is van een aanzienlijke toename van het kredietrisico, moet vergezeld gaan van een grondige analyse waaruit duidelijk blijkt dat de 30 achterstallige dagen geen verband houden met een aanzienlijke toename van het kredietrisico18 . In deze analyse moet rekening worden gehouden met zowel huidige als toekomstgerichte redelijke en gefundeerde informatie die ertoe kan leiden dat toekomstige kasstroomtekorten verschillen van historische ervaring.
18 Zo is het in sommige rechtsgebieden gebruikelijk dat kredietnemers aflossingen van bepaalde blootstellingen uitstellen, maar de geschiedenis toont aan dat deze betalingen volledig worden terugverdiend in de daaropvolgende maanden.
|
|
137. In dit verband moeten kredietinstellingen gebruikmaken van desbetreffende toekomstgerichte …
|
In dit verband moeten kredietinstellingen gebruikmaken van desbetreffende toekomstgerichte informatie die redelijk en gefundeerd is om te analyseren of er sprake is van een materiële band tussen deze informatie en kredietrisicobepalende factoren. Kredietinstellingen moeten geen gebruikmaken van het weerlegbaar vermoeden van meer dan 30 achterstallige dagen indien zij hebben aangetoond dat de toekomstgerichte informatie geen materiële band had met de kredietrisicobepalende factor of dat dergelijke informatie niet beschikbaar is zonder onnodige kosten of inspanningen.
|
|
138. In de beperkte gevallen waarin achterstalligheidsinformatie het beste criterium is waarover …
|
In de beperkte gevallen waarin achterstalligheidsinformatie het beste criterium is waarover een kredietinstelling beschikt om te bepalen wanneer blootstellingen moeten worden overgedragen naar de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezencategorie, moeten kredietinstellingen bijzondere aandacht besteden aan hun waardering van de voorziening voor binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen om ervoor te zorgen dat te verwachten kredietverliezen op passende wijze worden vastgelegd in overeenstemming met de waarderingsdoelstelling van IFRS 9. Bovendien moeten kredietinstellingen er rekening mee houden dat aanzienlijk vertrouwen op informatie uit het verleden vertekening zal introduceren in de uitvoering van een verslaggevingsmodel betreffende de te verwachten kredietverliezen en dat zij ervoor moeten zorgen dat wordt voldaan aan de doelstellingen van de IFRS 9-voorschriften inzake bijzondere waardevermindering (d.w.z. het weergeven van te verwachten kredietverliezen die beantwoorden aan de verklaarde waarderingsdoelstellingen en het vastleggen van alle aanzienlijke toenamen van het kredietrisico).
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|