+5.2 Beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer
---+95. Instellingen dienen de kredietaanvraag van de kredietnemer te analyseren om ervoor te zorgen …
---+96. Instellingen en kredietgevers moeten, in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving inzake …
---+97. In het geval van gedekte leningen mag de zekerheid op zich geen doorslaggevend criterium zijn …
---+98. Bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer om aan de uit de leningsovereenkomst …
---+99. Indien de kredietaanvraag door meer dan één kredietnemer wordt ingediend, dienen instellingen …
---+100. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …
---+101. Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende …
---+102. In deze afdeling worden de factoren gespecificeerd die relevant zijn voor de beoordeling of de …
---+103. Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of …
---+104. Als de looptijd van de lening zich uitstrekt tot na de verwachte datum van pensionering van de …
---+105. Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de …
---+106. Instellingen en kredietgevers houden bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer …
---+107. Als onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling voeren instellingen en kredietgevers een …
---+108. In het geval van leningen in vreemde valuta als bedoeld in artikel 4, punt 28, van Richtlijn …
---+109. Voor leningovereenkomsten die betrekking hebben op een onroerend goed waarin uitdrukkelijk …
---+110. Met betrekking tot andere door onroerend goed gedekte leningen dan die bedoeld in afdeling …
---+111. Indien het goed nog in aanbouw is en bedoeld is om na de voltooiing ervan een inkomen te …
---+112. Voor leningsovereenkomsten betreffende onroerend goed waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat …
---+113. In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen gevoeligheidsanalyses …
---+114. In deze afdeling worden de vereisten voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de …
---+115. Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of …
---+116. Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de …
---+117. In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen en kredietgevers …
---+118. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van …
---+119. Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in …
---+120. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk …
---+121. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen: a. de financiële …
---+122. Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden …
---+123. Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is aan de uit de leningsovereenkomst …
---+124. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de …
---+125. Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. …
---+126. Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan …
---+127. Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan een verhoogd risico in verband met …
---+128. Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde …
---+129. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte financiële prognoses …
---+130. Indien van toepassing dienen instellingen bij het verstrekken van leningen aan holdings de …
---+131. Bij de beoordeling van de financiële positie van de kredietnemers moeten instellingen de …
---+132. Instellingen beoordelen het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van kredietnemers, waaronder …
---+133. Instellingen beoordelen de kennis, ervaring en capaciteit van de kredietnemer om …
---+134. Instellingen beoordelen de haalbaarheid van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële …
---+135. Instellingen beoordelen de afhankelijkheid van de kredietnemer van belangrijke contracten …
---+136. Instellingen beoordelen of bij de kredietnemer sprake is van afhankelijkheid van een …
---+137. Instellingen beoordelen alle in pand gegeven zekerheden die ten behoeve van risicobeperking …
---+138. Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en …
---+139. Wanneer dit relevant is voor kredietbeslissingen, moeten instellingen het eigen vermogen en de …
---+140. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …
---+141. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van …
---+142. Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in …
---+143. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk …
---+144. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen: a. de financiële …
---+145. Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden …
---+146. Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan …
---+147. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de …
---+148. Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. …
---+149. Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan verhoogde risico's in verband met …
---+150. Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde …
---+151. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte prognoses realistisch en …
---+152. Instellingen moeten ook de capaciteit van de kredietnemer voor toekomstige winstgevendheid …
---+153. Instellingen moeten een beoordeling van de cash conversion cycle van de kredietnemer uitvoeren …
---+154. De instellingen beoordelen, in voorkomend geval, deze financiële parameters aan de hand van de …
---+155. Bij het verstrekken van leningen aan holdings dienen instellingen de financiële positie ervan …
---+156. Instellingen beoordelen de houdbaarheid en haalbaarheid van de financiële positie van de …
---+157. Bij deze gevoeligheidsanalyse moet rekening worden gehouden met alle algemene en …
---+158. Bij het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse van de terugbetalingscapaciteit van de …
---+159. Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van het bedrijfsmodel en de …
---+160. Instellingen moeten de kennis, de ervaring en het vermogen van de kredietnemer beoordelen om …
---+161. Instellingen moeten de haalbaarheid beoordelen van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële …
---+162. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de afhankelijkheid van de kredietnemer van …
---+163. Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van alle in pand gegeven zekerheden in het …
---+164. Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en …
---+165. Instellingen dienen het eigen vermogen en de kredietverbeteringen van de kredietnemer te …
---+166. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …
---+167. Indien de betalingsstromen in de gesyndiceerde leningtransacties of …
---+168. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …
---+169. De instellingen dienen de ervaring van de kredietnemer met betrekking tot het type, de omvang …
---+170. Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de inkomensgenerernde capaciteit van het …
---+171. Bij de beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer beoordelen …
---+172. Bij de beoordeling van de vooruitzichten voor wederverhuur moeten de instellingen rekening …
---+173. Wanneer aflossingsvrije leningen worden verstrekt voor zakelijk onroerend goed, dienen …
---+174. Ten behoeve van de gevoeligheidsanalyse in het kader van ongunstige marktomstandigheden en …
---+175. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …
---+176. De kredietwaardigheidsbeoordeling moet, in overeenstemming met de levenscyclus van de lening …
---+177. Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase moeten instellingen vaststellen dat de …
---+178. Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de …
---+179. Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de haalbaarheid van een eventuele verwachte …
---+180. Instellingen moeten bezoeken ter plaatse uitvoeren, in voorkomend geval vergezeld van een …
---+181. Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer dienen instellingen, indien …
---+182. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van de kredietnemers in geval van geleveragede …
---+183. Instellingen dienen een uitgebreide beoordeling uit te voeren van het vermogen van een …
---+184. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …
---+185. Instellingen moeten ook rekening houden met andere factoren, zoals vraag en aanbod op de markt …
---+186. In het geval van leningen aan de scheepsbouw moeten instellingen verifiëren dat de …
---+187. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …
---+188. Instellingen dienen de primaire bron van terugbetaling van de lening te beoordelen, d.w.z. de …
---+189. Instellingen moeten er zoveel mogelijk voor zorgen dat alle activa van het project en de …
---+190. Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase van het project moeten instellingen verifiëren dat …
---+191. Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de …
---+192. Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer, moeten de instellingen een …

5.2 Beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer

5.2.1 Algemene bepalingen voor de verstrekking van leningen aan consumenten

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
95. Instellingen dienen de kredietaanvraag van de kredietnemer te analyseren om ervoor te zorgen …

Instellingen dienen de kredietaanvraag van de kredietnemer te analyseren om ervoor te zorgen dat de aanvraag in overeenstemming is met de kredietrisicobereidheid, het kredietrisicobeleid, de kredietverleningscriteria en -limieten en relevante parameters van de instellingen, alsook met eventuele relevante macroprudentiële maatregelen die door de aangewezen macroprudentiële autoriteit worden toegepast.

96. Instellingen en kredietgevers moeten, in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving inzake …

Instellingen en kredietgevers moeten, in overeenstemming met de desbetreffende wetgeving inzake consumentenbescherming, een beoordeling uitvoeren van het vermogen en de vooruitzichten van de kredietnemer om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de leningsovereenkomst, met name met betrekking tot een beoordeling van de bron van de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de lening, zoals de aard, de looptijd en de rentevoet.

97. In het geval van gedekte leningen mag de zekerheid op zich geen doorslaggevend criterium zijn …

In het geval van gedekte leningen mag de zekerheid op zich geen doorslaggevend criterium zijn voor de goedkeuring van een lening en de zekerheid kan de goedkeuring van een leningsovereenkomst op zich niet rechtvaardigen. Zekerheden moeten door de instelling worden beschouwd als noodoplossing in geval van wanbetaling of een wezenlijke verslechtering van het risicoprofiel, en niet als primaire bron van terugbetaling, met uitzondering van gevallen waarin in de leningsovereenkomst is bepaald dat de terugbetaling van de lening is gebaseerd op de verkoop van de als zekerheid verstrekte activa of van de verstrekte liquide zekerheden.

98. Bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer om aan de uit de leningsovereenkomst …

Bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer om aan de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te voldoen, moeten instellingen en kredietgevers rekening houden met relevante factoren die van invloed kunnen zijn op het huidige en toekomstige terugbetalingsvermogen van de kredietnemer, en moeten zij onbillijke gevolgen en een overmatige schuldenlast voorkomen. De factoren moeten andere financiële verplichtingen omvatten, hun resterende looptijd, hun rentetarieven en de uitstaande bedragen en het terugbetalingsgedrag, bijvoorbeeld bewijs van eventuele gemiste betalingen en de omstandigheden ervan, alsmede rechtstreeks relevante belastingen en verzekeringen, indien bekend.

99. Indien de kredietaanvraag door meer dan één kredietnemer wordt ingediend, dienen instellingen …

Indien de kredietaanvraag door meer dan één kredietnemer wordt ingediend, dienen instellingen en kredietgevers de kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren op basis van de gezamenlijke terugbetalingscapaciteit van de kredietnemers.

100. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …

Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen instellingen het door de garantie geboden beschermingsniveau te beoordelen en, in voorkomend geval, een kredietwaardigheidsbeoordeling van de garant uit te voeren, waarbij de relevante bepalingen van deze richtsnoeren worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de garant een natuurlijke persoon of een onderneming is.

101. Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende …

Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen, moeten instellingen en kredietgevers passende methoden en benaderingen vaststellen. Dit kunnen onder meer modellen zijn, zolang deze richtsnoeren worden nageleefd. De selectie van de geschikte en adequate methode moet worden gebaseerd op het risiconiveau, de omvang en het type van de lening.

5.2.2 Kredietverlening aan consumenten in verband met voor bewoning bestemd onroerend goed

102. In deze afdeling worden de factoren gespecificeerd die relevant zijn voor de beoordeling of de …

In deze afdeling worden de factoren gespecificeerd die relevant zijn voor de beoordeling of de kredietnemer de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kan nakomen, zoals bedoeld in artikel 18, lid 1, en artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2014/17/EU. Met betrekking tot leningsovereenkomsten die onder de nationale wetgeving tot omzetting van die richtlijn vallen, moeten instellingen en kredietgevers, naast de bepalingen van afdeling 5.2.1, de bepalingen van deze afdeling toepassen.

103. Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of …

Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of ander onregelmatig inkomen hebben, dienen instellingen en kredietgevers indien nodig redelijke vragen te stellen en redelijke stappen te ondernemen om de informatie over de bron van de terugbetalingscapaciteit te verifiëren.

104. Als de looptijd van de lening zich uitstrekt tot na de verwachte datum van pensionering van de …

Als de looptijd van de lening zich uitstrekt tot na de verwachte datum van pensionering van de kredietnemer, houden instellingen en kredietgevers naar behoren rekening met de toereikendheid van het waarschijnlijke inkomen van de kredietnemer en diens vermogen om de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen na pensionering te blijven nakomen.

105. Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de …

Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen niet is gebaseerd op een verwachte substantiële stijging van het inkomen van de kredietnemer, tenzij de documentatie voldoende bewijs levert voor een dergelijke stijging.

106. Instellingen en kredietgevers houden bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer …

Instellingen en kredietgevers houden bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer om de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen op redelijke wijze rekening met aangegane betalingsverplichtingen en andere niet-discretionaire uitgaven, zoals de actuele verplichtingen van de kredietnemer, met inbegrip van een passende onderbouwing en inaanmerkingneming van de uitgaven voor levensonderhoud.

107. Als onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling voeren instellingen en kredietgevers een …

Als onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling voeren instellingen en kredietgevers een gevoeligheidsanalyse uit waarin mogelijk negatieve gebeurtenissen in de toekomst aan bod komen, met inbegrip van een lager inkomen, een verhoging van de rentevoet in geval van leningsovereenkomsten met variabele rente, negatieve amortisatie van de lening, een hoge eindaflossing of uitgestelde betalingen van de hoofdsom of de rente.

108. In het geval van leningen in vreemde valuta als bedoeld in artikel 4, punt 28, van Richtlijn …

In het geval van leningen in vreemde valuta als bedoeld in artikel 4, punt 28, van Richtlijn 2014/17/EU moeten instellingen en kredietgevers bij de beoordeling van het vermogen van de kredietnemer om te voldoen aan de betalingsverplichtingen ook rekening houden met potentiële negatieve scenario's van de wisselkoers tussen de valuta van het inkomen van de kredietnemer en de valuta van de lening. Instellingen en crediteuren moeten ook rekening houden met en een beoordeling verrichten van alle afdekkingsstrategieën en bestaande afdekkingen, met inbegrip van natuurlijke afdekkingen, ter beperking van het wisselkoersrisico.

109. Voor leningovereenkomsten die betrekking hebben op een onroerend goed waarin uitdrukkelijk …

Voor leningovereenkomsten die betrekking hebben op een onroerend goed waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het onroerend goed niet mag worden gebruikt als verblijfplaats door de kredietnemer of een gezinslid (dat wil zeggen overeenkomsten met het oog op verhuur) als bedoeld in artikel 3, lid 3, onder b), van Richtlijn 2014/17/EU, moeten de instellingen en de crediteuren de in punt 5.2.3 vermelde criteria toepassen.

5.2.3 Andere gedekte leningen aan consumenten

110. Met betrekking tot andere door onroerend goed gedekte leningen dan die bedoeld in afdeling …

Met betrekking tot andere door onroerend goed gedekte leningen dan die bedoeld in afdeling 5.2.2 dienen de instellingen en de crediteuren naast de bepalingen van afdeling 5.2.1 de bepalingen van deze afdeling toe te passen.

111. Indien het goed nog in aanbouw is en bedoeld is om na de voltooiing ervan een inkomen te …

Indien het goed nog in aanbouw is en bedoeld is om na de voltooiing ervan een inkomen te verschaffen aan de eigenaar in de vorm van inkomsten uit huur of verkoop, moeten instellingen de ontwikkelingsfase en de fase na de voltooiing van de ontwikkeling beoordelen, wanneer het project wordt omgezet in een inkomen genererend eigendom. Ten behoeve van dergelijke kredietovereenkomsten dienen instellingen en kredietgevers te verifiëren dat:

  • a. de kredietnemer beschikt over een plausibel plan met betrekking tot het project, met inbegrip van een raming van alle kosten in verband met de ontwikkeling;
  • b. de kredietnemer toegang heeft tot architecten, ingenieurs en aannemers die aan de ontwikkeling zullen deelnemen;
  • c. de kredietnemer alle nodige vergunningen en certificaten voor de ontwikkeling heeft verkregen of deze in de toekomst zal kunnen verkrijgen naarmate het project vordert.
112. Voor leningsovereenkomsten betreffende onroerend goed waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat …

Voor leningsovereenkomsten betreffende onroerend goed waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het onroerend goed niet door de kredietnemer of een gezinslid mag worden gebruikt als woning (dat wil zeggen overeenkomsten met het oog op verhuur), moeten instellingen een beoordeling verrichten van de verhouding tussen de toekomstige huurinkomsten uit het onroerend goed en het vermogen van de kredietnemer om aan de verplichtingen te voldoen.

113. In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen gevoeligheidsanalyses …

In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen gevoeligheidsanalyses uitvoeren om rekening te houden met mogelijke negatieve markt- en idiosyncratische gebeurtenissen in de toekomst die relevant zijn voor het betrokken soort en het doel van de lening. Bij deze gebeurtenissen kan het onder meer gaan om eens inkomensdaling, een stijging van de rentevoet in geval van leningsovereenkomsten met een variabele rente, negatieve amortisatie van de lening, een hoge eindaflossing of uitgestelde betalingen van de hoofdsom of de rente, of, indien relevant, verslechtering van de verkoopbaarheid van het onroerend goed, een stijging in de hoeveelheid leegstand en een verlaging van de huurprijzen voor soortgelijke panden. In voorkomend geval moeten instellingen en kredietgevers ook rekening houden met de gevolgen van het wisselkoersrisico, zoals bedoeld in punt 108.

5.2.4 Ongedekte leningen aan consumenten

114. In deze afdeling worden de vereisten voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de …

In deze afdeling worden de vereisten voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer, zoals bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2008/48/EG, nader omschreven. In verband met leningsovereenkomsten die vallen onder de nationale wetgeving tot omzetting van die richtlijn, moeten instellingen en kredietgevers naast de bepalingen van afdeling 5.2.1 de bepalingen van deze afdeling toepassen.

115. Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of …

Met name in het geval van kredietnemers die als zelfstandige werken of een seizoensgebonden of ander onregelmatig inkomen hebben, dienen instellingen en kredietgevers indien nodig redelijke vragen te stellen en redelijke stappen te ondernemen om de bron van de terugbetalingscapaciteit te beoordelen en verifiëren.

116. Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de …

Instellingen en kredietgevers dienen erop toe te zien dat het vermogen van de consument om de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen niet is gebaseerd op een verwachte substantiële stijging van het inkomen van de kredietnemer, tenzij de documentatie voldoende bewijs levert voor een dergelijke stijging.

117. In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen en kredietgevers …

In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen en kredietgevers, indien van toepassing, gevoeligheidsanalyses uitvoeren om rekening te houden met potentiële negatieve gebeurtenissen die specifiek zijn voor het betrokken soort lening en die in de toekomst kunnen plaatsvinden. In voorkomend geval moeten instellingen en kredietgevers ook rekening houden met de gevolgen van het wisselkoersrisico, zoals bedoeld in punt 108.

5.2.5 Kredietverlening aan micro- en kleine ondernemingen

118. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van …

Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van de kredietnemer om te voldoen aan de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Instellingen dienen ook de kredietaanvraag van de kredietnemer te analyseren om ervoor te zorgen dat de aanvraag in overeenstemming is met de kredietrisicobereidheid, het kredietrisicobeleid, de kredietverleningscriteria en -limieten en relevante parameters van de instelling, alsook met eventuele relevante macroprudentiële maatregelen die door de aangewezen macroprudentiële autoriteit worden toegepast.

119. Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in …

Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in aanmerking nemen alsook, indien van toepassing in het kader van de leningsovereenkomst, eventuele opbrengsten uit de verkoop van de activa indien deze de voornaamste bronnen van terugbetaling vormen.

120. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk …

Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk leggen op het realistische en duurzame toekomstige inkomen en de toekomstige kasstromen van de kredietnemer, en niet op beschikbare zekerheden. Een zekerheid mag op zich geen doorslaggevend criterium zijn voor de goedkeuring van een lening en de zekerheid kan de goedkeuring van een leningsovereenkomst op zich niet rechtvaardigen. Zekerheden moeten door de instelling worden beschouwd als noodoplossing in geval van wanbetaling of een wezenlijke verslechtering van het risicoprofiel, en niet als primaire bron van terugbetaling, met uitzondering van gevallen waarin in de leningsovereenkomst is bepaald dat de terugbetaling van de lening is gebaseerd op de verkoop van de als zekerheid verstrekte activa of van de verstrekte liquide zekerheden.

121. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen: a. de financiële …

Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen:

  • a. de financiële positie en het kredietrisico van de kredietnemer analyseren, zoals hieronder uiteengezet;
  • b. het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van de kredietnemer analyseren, zoals hieronder uiteengezet;
  • c. de kredietscore of interne rating van de kredietnemer vaststellen en beoordelen, indien van toepassing, in overeenstemming met het kredietrisicobeleid en de kredietrisicoprocedures;
  • d. alle financiële verplichtingen van de kredietnemer in aanmerking nemen, zoals opgenomen en onbenutte gecommitteerde faciliteiten met instellingen, met inbegrip van werkkapitaalfaciliteiten, kredietposities van de kredietnemer en het terugbetalingsgedrag van de kredietnemer in het verleden, alsmede andere verplichtingen die voortvloeien uit fiscale of andere overheidsinstanties of socialezekerheidsfondsen;
  • e. in voorkomend geval de structuur van de transactie beoordelen, met inbegrip van het risico van structurele achterstelling en daarmee samenhangende voorwaarden, zoals convenanten, en, indien van toepassing, garanties van derden en de structuur van de zekerheden.
122. Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden …

Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden met de specifieke kenmerken van de lening, zoals de aard, de looptijd en de rentevoet.

123. Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is aan de uit de leningsovereenkomst …

Om te beoordelen of de kredietnemer in staat is aan de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te voldoen, moeten instellingen passende methoden en benaderingen vaststellen. Dit kunnen onder meer modellen zijn, zolang deze richtsnoeren worden nageleefd. De selectie van de geschikte en adequate methode moet worden gebaseerd op het risiconiveau, de omvang en het type van de lening.

124. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de …

Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de beoordeling op individueel niveau en, in voorkomend geval, op groepsniveau uitvoeren in overeenstemming met de EBA-richtsnoeren inzake verbonden cliënten, met name wanneer de terugbetaling afhankelijk is van de kasstroom die afkomstig is van andere verbonden partijen. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten die verbonden is met centrale banken en overheden, met inbegrip van centrale, regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, moeten instellingen de individuele entiteit beoordelen.

125. Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. …

Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. handelsfinanciering, exportfinanciering) moeten instellingen rekening houden met de politieke, economische en juridische omgeving waarin de buitenlandse tegenpartij van de cliënt van de instelling actief is. Instellingen dienen een beoordeling te maken van het vermogen van de afnemer om middelen over te dragen, het vermogen van de leverancier om de order te leveren, met inbegrip van zijn vermogen om te voldoen aan de toepasselijke plaatselijke wettelijke vereisten, en de financiële capaciteit van de leverancier om mogelijke vertragingen bij de transactie af te handelen.

126. Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan …

Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan MSG-factoren, met name de milieufactoren en de gevolgen voor de klimaatverandering, en de geschiktheid van de door de kredietnemer vastgestelde risicobeperkende strategieën. Deze analyse moet worden uitgevoerd op basis van de leningnemer. In voorkomend geval kunnen de instellingen echter ook overwegen deze analyse op portefeuillebasis uit te voeren.

127. Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan een verhoogd risico in verband met …

Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan een verhoogd risico in verband met MSG-factoren worden blootgesteld, moeten instellingen overwegen om gebruik te maken van heatmaps die bijvoorbeeld de klimaatgerelateerde en milieurisico's van afzonderlijke economische (sub)sectoren uitlichten in een grafiek of op een schaalstelsel. Voor leningen of kredietnemers die een hoger MSG-risico inhouden, is een intensievere analyse van het feitelijke bedrijfsmodel van de kredietnemer vereist, met inbegrip van een evaluatie van de huidige en verwachte broeikasgasemissies, het marktklimaat, de MSG-vereisten van toezichthouders voor de betrokken ondernemingen en de waarschijnlijke effecten van de MSG-regelgeving op de financiële positie van de kredietnemer.

Analyse van de financiële positie van de kredietnemer

128. Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde …

Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen het volgende in overweging nemen:

  • a. zowel de huidige als de verwachte financiële positie, met inbegrip van de balansen, de bron van de terugbetalingscapaciteit om aan de contractuele verplichtingen te voldoen, waaronder mogelijke negatieve gebeurtenissen, en, in voorkomend geval, de kapitaalstructuur, het werkkapitaal, het inkomen en de kasstroom;
  • b. in voorkomend geval, het hefboomniveau van de kredietnemer, de verdeling van de dividenden en de feitelijke en verwachte/voorspelde kapitaaluitgaven, alsmede zijn cash conversion cycle in verband met de betrokken faciliteit;
  • c. in voorkomend geval, het blootstellingsprofiel tot aan het einde van de looptijd, met betrekking tot potentiële marktbewegingen, zoals blootstellingen luidende in vreemde valuta en blootstellingen die door middel van een aflossingsinstrument zijn gedekt;
  • d. indien van toepassing, de kans op wanbetaling op basis van een kredietscore of een interne risicoscore;
  • e. het gebruik van passende financiële, activatypespecifieke of producttypespecifieke maatstaven en indicatoren, in overeenstemming met hun kredietrisicobereidheid, - beleid en -limieten die zijn uiteengezet in overeenstemming met de afdelingen 4.2 en 4.3, met inbegrip van het in aanmerking nemen van de maatstaven in bijlage 3 voor zover die toepasselijk en passend zijn voor het specifieke kredietvoorstel.
129. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte financiële prognoses …

Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte financiële prognoses realistisch en redelijk zijn. Deze prognoses moeten ten minste gebaseerd zijn op de prognosticering van historische financiële gegevens. Instellingen beoordelen of deze prognoses in overeenstemming zijn met de economische en marktverwachtingen van de instelling. Als de instellingen wezenlijke bedenkingen hebben over de betrouwbaarheid van deze financiële prognoses, moeten zij hun eigen prognoses opstellen van de financiële positie en het terugbetalingsvermogen van de kredietnemers.

130. Indien van toepassing dienen instellingen bij het verstrekken van leningen aan holdings de …

Indien van toepassing dienen instellingen bij het verstrekken van leningen aan holdings de financiële positie ervan als een afzonderlijke entiteit (op geconsolideerd niveau) én als op zichzelf staande entiteit te beoordelen indien de holding zelf geen werkmaatschappij is of indien de instellingen geen garanties hebben van de werkmaatschappijen aan de holding.

131. Bij de beoordeling van de financiële positie van de kredietnemers moeten instellingen de …

Bij de beoordeling van de financiële positie van de kredietnemers moeten instellingen de duurzaamheid en haalbaarheid van de toekomstige terugbetalingscapaciteit beoordelen onder potentiële ongunstige omstandigheden die relevant zijn voor het soort en het doel van de lening en die zich tijdens de looptijd van de leningsovereenkomst kunnen voordoen. Deze gebeurtenissen kunnen onder meer bestaan uit een lager inkomen en minder andere kasinstroom, een verhoging van de rentevoet, negatieve afschrijvingen van de lening, uitgestelde betalingen van de hoofdsom of de rente, verslechtering van de markt- en exploitatie-omstandigheden voor de kredietnemer, en, indien relevant, veranderingen in de wisselkoersen.

Analyse van het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van de kredietnemer

132. Instellingen beoordelen het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van kredietnemers, waaronder …

Instellingen beoordelen het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van kredietnemers, waaronder met betrekking tot het doel van de lening.

133. Instellingen beoordelen de kennis, ervaring en capaciteit van de kredietnemer om …

Instellingen beoordelen de kennis, ervaring en capaciteit van de kredietnemer om bedrijfsactiviteiten, activa of investeringen in verband met de leningsovereenkomsten te beheren (bv. specifiek vastgoed voor een zakelijkonroerendgoedlening.

134. Instellingen beoordelen de haalbaarheid van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële …

Instellingen beoordelen de haalbaarheid van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële prognoses, in overeenstemming met de specifieke kenmerken van de sector waarin de kredietnemer actief is.

135. Instellingen beoordelen de afhankelijkheid van de kredietnemer van belangrijke contracten …

Instellingen beoordelen de afhankelijkheid van de kredietnemer van belangrijke contracten, klanten of leveranciers en de wijze waarop deze van invloed zijn op de opbouw van de kasstroom, met inbegrip van eventuele concentraties.

136. Instellingen beoordelen of bij de kredietnemer sprake is van afhankelijkheid van een …

Instellingen beoordelen of bij de kredietnemer sprake is van afhankelijkheid van een sleutelfiguur en stellen, indien nodig, samen met de kredietnemer mogelijke beperkende maatregelen vast.

Beoordeling van garanties en zekerheden

137. Instellingen beoordelen alle in pand gegeven zekerheden die ten behoeve van risicobeperking …

Instellingen beoordelen alle in pand gegeven zekerheden die ten behoeve van risicobeperking worden gebruikt in het kader van de vereisten voor zekerheden zoals vastgelegd in de risicobereidheid, het beleid en de procedures van de instelling inzake kredietrisico, met inbegrip van de waardering en de eigendom, en controleren alle relevante documentatie (bv. of het vastgoed in geschikte registers is geregistreerd).

138. Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en …

Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en schuldaflossingsovereenkomsten te beoordelen die worden gebruikt voor risicobeperking.

139. Wanneer dit relevant is voor kredietbeslissingen, moeten instellingen het eigen vermogen en de …

Wanneer dit relevant is voor kredietbeslissingen, moeten instellingen het eigen vermogen en de kredietverbeteringen van de kredietnemer beoordelen, zoals hypotheekverzekeringen, verplichtingsverbintenissen en terugbetalingsgaranties van externe bronnen.

140. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …

Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen instellingen het door de garantie geboden beschermingsniveau te beoordelen en, in voorkomend geval, een kredietwaardigheidsbeoordeling van de garant uit te voeren, waarbij de relevante bepalingen van deze richtsnoeren worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de garant een natuurlijke persoon of een onderneming is. De kredietwaardigheidsbeoordeling van de garant moet in verhouding staan tot de omvang van de garantie met betrekking tot de lening en het soort garant.

5.2.6 Kredietverlening aan middelgrote en grote ondernemingen

141. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van …

Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de huidige en toekomstige mogelijkheden van de kredietnemer om te voldoen aan de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Instellingen dienen ook de kredietaanvraag van de kredietnemer te analyseren om ervoor te zorgen dat de aanvraag in overeenstemming is met de kredietrisicobereidheid, het kredietrisicobeleid, de kredietverleningscriteria en -limieten en relevante parameters van de instelling, alsook met eventuele relevante macroprudentiële maatregelen die door de aangewezen macroprudentiële autoriteit worden toegepast.

142. Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in …

Instellingen moeten de kasstroom uit de gewone bedrijfsactiviteiten van de kredietnemer in aanmerking nemen alsook, indien van toepassing in het kader van de leningsovereenkomst, eventuele opbrengsten uit de verkoop van de activa indien deze de voornaamste bronnen van terugbetaling vormen.

143. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk …

Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer moeten instellingen de nadruk leggen op het realistische en duurzame toekomstige inkomen en de toekomstige kasstromen van de kredietnemer, en niet op beschikbare zekerheden. Een zekerheid mag op zich geen doorslaggevend criterium zijn voor de goedkeuring van een lening en de zekerheid kan de goedkeuring van een leningsovereenkomst op zich niet rechtvaardigen. Zekerheden moeten door de instelling worden beschouwd als noodoplossing in geval van wanbetaling of een wezenlijke verslechtering van het risicoprofiel, en niet als primaire bron van terugbetaling, met uitzondering van gevallen waarin in de leningsovereenkomst is bepaald dat de terugbetaling van de lening is gebaseerd op de verkoop van de als zekerheid verstrekte activa of van de verstrekte liquide zekerheden.

144. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen: a. de financiële …

Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen:

  • a. de financiële positie en het kredietrisico van de kredietnemer analyseren, zoals hieronder uiteengezet;
  • b. de organisatiestructuur, het bedrijfsmodel en de strategie van de kredietnemer analyseren, zoals hieronder uiteengezet;
  • c. de kredietscore of interne rating van de kredietnemer vaststellen en beoordelen, indien van toepassing, in overeenstemming met het kredietrisicobeleid en de kredietrisicoprocedures;
  • d. alle financiële verplichtingen van de kredietnemer in aanmerking nemen, zoals alle opgenomen en onbenutte gecommitteerde faciliteiten met instellingen, met inbegrip van werkkapitaalfaciliteiten, kredietposities van de kredietnemer en het terugbetalingsgedrag van de kredietnemer in het verleden, alsmede andere verplichtingen die voortvloeien uit fiscale of andere overheidsinstanties of socialezekerheidsfondsen;
  • e. de structuur van de transactie beoordelen, met inbegrip van het risico van structurele achterstelling en daarmee samenhangende voorwaarden, zoals convenanten, en, indien van toepassing, garanties van derden en de structuur van de zekerheden.
145. Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden …

Instellingen dienen bij de uitvoering van de kredietwaardigheidsbeoordeling rekening te houden met de specifieke kenmerken van de lening, zoals de aard, de looptijd en de rentevoet.

146. Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan …

Instellingen dienen een beoordeling te maken van de blootstelling van de kredietnemer aan MSG-factoren, met name de milieufactoren en de gevolgen voor de klimaatverandering, en de geschiktheid van de door de kredietnemer vastgestelde risicobeperkende strategieën.

147. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de …

Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten, moeten instellingen de beoordeling op individueel niveau en, in voorkomend geval, op groepsniveau uitvoeren in overeenstemming met de EBA-richtsnoeren inzake verbonden cliënten, met name wanneer de terugbetaling afhankelijk is van de kasstroom die afkomstig is van andere verbonden partijen. Indien de kredietnemer lid is van een groep verbonden cliënten die verbonden is met centrale banken en overheden, met inbegrip van centrale, regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen, moeten instellingen de individuele entiteit beoordelen.

148. Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. …

Voor kredietverleningsactiviteiten met grensoverschrijdende elementen (bv. handelsfinanciering, exportfinanciering) moeten instellingen rekening houden met de politieke, economische en juridische omgeving waarin de buitenlandse tegenpartij van de cliënt van de instelling actief is. Instellingen dienen een beoordeling te maken van de mogelijkheden van de afnemer om middelen over te dragen, het vermogen van de leverancier om de order te leveren, met inbegrip van zijn vermogen om te voldoen aan de toepasselijke plaatselijke wettelijke vereisten, en de financiële capaciteit van de leverancier om mogelijke vertragingen bij de transactie af te handelen.

149. Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan verhoogde risico's in verband met …

Om te bepalen welke kredietnemers direct of indirect aan verhoogde risico's in verband met MSG-factoren worden blootgesteld, moeten instellingen overwegen om gebruik te maken van heatmaps die bijvoorbeeld de klimaatgerelateerde en milieurisico's van afzonderlijke economische (sub)sectoren uitlichten in een grafiek of op een schaalstelsel. Voor leningen of kredietnemers die een hoger MSG-risico inhouden, is een intensievere analyse van het feitelijke bedrijfsmodel van de kredietnemer vereist, met inbegrip van een evaluatie van de huidige en verwachte broeikasgasemissies, het marktklimaat, de MSG-vereisten van toezichthouders voor de betrokken ondernemingen en de waarschijnlijke effecten van de MSG-regelgeving op de financiële positie van de kredietnemer.

Analyse van de financiële positie van de kredietnemer

150. Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde …

Met het oog op de analyse van de financiële positie in het kader van de voornoemde kredietwaardigheidsbeoordeling moeten instellingen het volgende in overweging nemen:

  • a. zowel de huidige als de verwachte financiële positie, met inbegrip van de balansen en de kapitaalstructuur, het werkkapitaal, het inkomen, de kasstroom en de bron van de terugbetalingscapaciteit om aan de contractuele verplichtingen te voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot de aflossing van schulden, onder meer in het geval van mogelijke ongunstige gebeurtenissen (zie ook de gevoeligheidsanalyse). De te analyseren posten omvatten onder meer, maar niet uitsluitend, de vrije kasstroom die beschikbaar is voor de schuldaflossing van de betrokken faciliteit;
  • b. netto operationele inkomsten en winstgevendheid, met name in verband met schulden waarover rente verschuldigd is;
  • c. het hefboomniveau van de kredietnemer, de verdeling van de dividenden en de feitelijke en verwachte/voorspelde kapitaaluitgaven, alsmede zijn cash conversion cycle in verband met de betrokken faciliteit;
  • d. het blootstellingsprofiel tot aan het einde van de looptijd, met betrekking tot potentiële marktbewegingen, zoals blootstellingen in vreemde valuta en blootstellingen die door middel van een aflossingsinstrument zijn gedekt;
  • e. indien van toepassing, de kans op wanbetaling op basis van een kredietscore of een interne risicoscore;
  • f. het gebruik van passende financiële, activatypespecifieke of producttypespecifieke maatstaven en indicatoren, in overeenstemming met hun kredietrisicobereidheid, - beleidsmaatregelen en -limieten die zijn uiteengezet in overeenstemming met de afdelingen 4.2 en 4.3, met inbegrip van de inaanmerkingneming van de maatstaven in bijlage 3 voor zover die toepasselijk en passend zijn voor het specifieke kredietvoorstel.
151. Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte prognoses realistisch en …

Instellingen dienen ervoor te zorgen dat de bij de analyse gebruikte prognoses realistisch en redelijk zijn en in overeenstemming zijn met de economische en marktverwachtingen van de instellingen. Als de instellingen wezenlijke bedenkingen hebben ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze financiële prognoses, moeten zij hun eigen prognoses opstellen van de financiële positie van de kredietnemers en deze, indien relevant, gebruiken om de door de kredietnemers verstrekte prognoses in twijfel te trekken.

152. Instellingen moeten ook de capaciteit van de kredietnemer voor toekomstige winstgevendheid …

Instellingen moeten ook de capaciteit van de kredietnemer voor toekomstige winstgevendheid beoordelen om het effect van de ingehouden winsten en dus het effect op het eigen vermogen te meten, met name in gevallen waarin de kredietnemer in de loop van de tijd geen positieve winsten heeft weten te behalen.

153. Instellingen moeten een beoordeling van de cash conversion cycle van de kredietnemer uitvoeren …

Instellingen moeten een beoordeling van de cash conversion cycle van de kredietnemer uitvoeren om de tijd te meten die nodig is om de investering in voorraden en andere inputs in contanten om te zetten in contanten via de verkoop van zijn specifieke goederen en diensten. Instellingen moeten in staat zijn om inzicht te krijgen in de cash conversion cyclus van een kredietnemer om de behoefte aan werkkapitaal te ramen en terugkerende kosten te bepalen, teneinde de lopende capaciteit voor de terugbetaling van de kredietfaciliteiten in de loop van de tijd te beoordelen.

154. De instellingen beoordelen, in voorkomend geval, deze financiële parameters aan de hand van de …

De instellingen beoordelen, in voorkomend geval, deze financiële parameters aan de hand van de parameters en limieten die zijn vastgelegd in hun kredietrisicobereidheid, kredietrisicobeleid en -limieten in overeenstemming met de afdelingen 4.2 en 4.3.

155. Bij het verstrekken van leningen aan holdings dienen instellingen de financiële positie ervan …

Bij het verstrekken van leningen aan holdings dienen instellingen de financiële positie ervan als een afzonderlijke entiteit (op geconsolideerd niveau) én als op zichzelf staande entiteit te beoordelen indien de holding zelf geen werkmaatschappij is of indien de instellingen geen garanties hebben van de werkmaatschappijen aan de holding.

Gevoeligheidsanalyse bij de kredietwaardigheidsbeoordeling

156. Instellingen beoordelen de houdbaarheid en haalbaarheid van de financiële positie van de …

Instellingen beoordelen de houdbaarheid en haalbaarheid van de financiële positie van de kredietnemer en de toekomstige terugbetalingscapaciteit onder potentiële ongunstige omstandigheden die zich tijdens de looptijd van de leningsovereenkomst kunnen voordoen. Daartoe moeten instellingen een gevoeligheidsanalyse met een enkelvoudige of meervoudige factor uitvoeren, waarbij markt- en idiosyncratische gebeurtenissen of een combinatie daarvan in aanmerking worden genomen.

157. Bij deze gevoeligheidsanalyse moet rekening worden gehouden met alle algemene en …

Bij deze gevoeligheidsanalyse moet rekening worden gehouden met alle algemene en activacategorie en productspecifieke aspecten die van invloed kunnen zijn op de kredietwaardigheid van de kredietnemer.

158. Bij het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse van de terugbetalingscapaciteit van de …

Bij het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse van de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer in negatieve toekomstige omstandigheden moeten instellingen rekening houden met de volgende gebeurtenissen die het meest relevant zijn voor de specifieke omstandigheden en het bedrijfsmodel van de kredietnemer: idiosyncratische gebeurtenissen:

  • a. een ernstige maar aannemelijke daling van de inkomsten of de winstmarges van een kredietnemer;
  • b. een ernstige maar aannemelijke gebeurtenis op het gebied van operationele verliezen;
  • c. het optreden van ernstige, maar aannemelijke beheersproblemen;
  • d. het falen van belangrijke handelspartners, klanten of leveranciers;
  • e. ernstige maar aannemelijke imagoschade;
  • f. een ernstige maar aannemelijke uitstroom van liquiditeit, veranderingen in de financiering of een toename van de leverage op het balanstotaal van een kredietnemer;
  • g. ongunstige ontwikkelingen in de prijs van activa waaraan de kredietnemer voornamelijk is blootgesteld (bijvoorbeeld als grondstof of eindproduct) en valutarisico's;

marktgebeurtenissen:

  • h. een ernstige maar aannemelijke macro-economische neergang;
  • i. een ernstige maar aannemelijke neergang in de economische sectoren waarin de kredietnemer en zijn klanten actief zijn;
  • j. een aanzienlijke wijziging van het politieke, regelgevende en geografische risico;
  • k. een ernstige maar aannemelijke stijging van de financieringskosten, bv. een stijging van de rentevoet met 200 basispunten voor alle kredietfaciliteiten van de kredietnemer.

Analyse van het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van de kredietnemer

159. Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van het bedrijfsmodel en de …

Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategie van kredietnemers, onder meer met betrekking tot het doel van de lening.

160. Instellingen moeten de kennis, de ervaring en het vermogen van de kredietnemer beoordelen om …

Instellingen moeten de kennis, de ervaring en het vermogen van de kredietnemer beoordelen om bedrijfsactiviteiten, activa of investeringen in verband met de leningsovereenkomsten te beheren (bv. specifiek vastgoed voor de zakelijkonroerendgoedlening).

161. Instellingen moeten de haalbaarheid beoordelen van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële …

Instellingen moeten de haalbaarheid beoordelen van het bedrijfsplan en bijbehorende financiële prognoses, in overeenstemming met de specifieke kenmerken van de sector waarin de kredietnemer actief is.

162. Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de afhankelijkheid van de kredietnemer van …

Instellingen moeten een beoordeling verrichten van de afhankelijkheid van de kredietnemer van belangrijke contracten, klanten of leveranciers en de wijze waarop deze van invloed zijn op de opbouw van de kasstroom, met inbegrip van eventuele concentraties. Beoordeling van garanties en zekerheden

163. Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van alle in pand gegeven zekerheden in het …

Instellingen dienen een beoordeling te verrichten van alle in pand gegeven zekerheden in het kader van de vereisten voor zekerheden zoals uiteengezet in de risicobereidheid, het beleid en de procedures van de instelling inzake kredietrisico, met inbegrip van de waardering en de eigendom, en controleren alle relevante documentatie (bv. of het vastgoed in geschikte registers is geregistreerd).

164. Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en …

Instellingen dienen eventuele garanties, convenanten, negatieve onderpandclausules en schuldaflossingsovereenkomsten te beoordelen die worden gebruikt voor risicobeperking. Instellingen moeten ook in aanmerking nemen of de waarde van de zekerheid op enigerlei wijze gecorreleerd is met het bedrijf van de kredietnemer of zijn capaciteit om kasstroom te genereren.

165. Instellingen dienen het eigen vermogen en de kredietverbeteringen van de kredietnemer te …

Instellingen dienen het eigen vermogen en de kredietverbeteringen van de kredietnemer te beoordelen, zoals hypotheekverzekeringen, verplichtingsverbintenissen en terugbetalingsgaranties van externe bronnen.

166. Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen …

Indien een leningsovereenkomst enige vorm van garanties van derden inhoudt, dienen instellingen het door de garantie geboden beschermingsniveau te beoordelen en, in voorkomend geval, een kredietwaardigheidsbeoordeling van de garant uit te voeren, waarbij de relevante bepalingen van deze richtsnoeren worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de garant een natuurlijke persoon of een onderneming is. De kredietwaardigheidsbeoordeling van de garant moet in verhouding staan tot de omvang van de garantie met betrekking tot de lening en het soort garant.

167. Indien de betalingsstromen in de gesyndiceerde leningtransacties of …

Indien de betalingsstromen in de gesyndiceerde leningtransacties of projectfinancieringstransacties via een externe partij bij de transacties lopen, bijvoorbeeld een aangewezen agent, instellingen (of gemandateerde lead arrangers of hun aangewezen agenten), moet de soliditeit van de agent worden beoordeeld. Voor grensoverschrijdende leningen en projectfinancieringstransacties moet de agent de enige verstrekker zijn van eventuele garanties, kredietbrieven of soortgelijke documenten die namens de leverancier bij de transactie zijn afgegeven.

5.2.7 Kredietverlening met betrekking tot zakelijk onroerend goed

168. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …

Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van zakelijkonroerendgoedleningen moeten instellingen, naast de algemene bepalingen inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6, de in deze afdeling uiteengezette specifieke criteria toepassen. Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van kredietnemers in geval van leningen voor zakelijk onroerend goed die worden gebruikt door de kredietnemer die eigenaar is van het vastgoed voor de uitoefening van zijn bedrijf, hoeven de instellingen alleen de in de afdelingen 5.2.5 en 5.2.6 beschreven criteria toe te passen.

169. De instellingen dienen de ervaring van de kredietnemer met betrekking tot het type, de omvang …

De instellingen dienen de ervaring van de kredietnemer met betrekking tot het type, de omvang en de geografische ligging van het zakelijk onroerend goed te beoordelen en te verifiëren. Wanneer de kredietnemer een special purpose vehicle is dat door een andere entiteit wordt gesponsord, moeten instellingen de ervaring van de entiteit die als sponsor optreedt beoordelen met betrekking tot het type, de omvang en de geografische ligging van het zakelijk onroerend goed.

170. Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de inkomensgenerernde capaciteit van het …

Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de inkomensgenerernde capaciteit van het onroerend goed en een beoordeling van het vooruitzicht van herfinanciering. Deze beoordelingen moeten de vastgelegde looptijd van de zakelijkonroerendgoedlening in aanmerking nemen in het kader van de betrokken kredietaanvraag.

171. Bij de beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer beoordelen …

Bij de beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer beoordelen instellingen, indien van toepassing:

  • a. de houdbaarheid van de kasstroom;
  • b. de kwaliteit van de huurders, het effect van veranderingen in de lopende huurinkomsten op het aflossingsschema, de leasetermijnen, de looptijden en de voorwaarden, en de betalingsgeschiedenis van de huurder indien deze reeds bestaat;
  • c. de vooruitzichten voor wederverhuur, de voor de aflossing van de lening vereiste kasstromen in overeenstemming met de leningsovereenkomst indien er behoefte is aan wederverhuur, indien van toepassing, de prestaties van het actief bij een economische neergang, en de schommelingen in de huuropbrengsten in de loop der tijd, om het bestaan van een al te gecomprimeerde opbrengst te beoordelen;
  • d. de noodzakelijke kapitaaluitgaven voor het onroerend goed gedurende de looptijd van de lening.
172. Bij de beoordeling van de vooruitzichten voor wederverhuur moeten de instellingen rekening …

Bij de beoordeling van de vooruitzichten voor wederverhuur moeten de instellingen rekening houden met de vraag van huurders voor het onroerend goed, rekening houdend met het aanbod van vergelijkbaar vastgoed, de voorwaarden en specificaties van het onroerend goed, de ligging van het onroerend goed en de nabijheid van de relevante infrastructuur waarop het onroerend goed is aangesloten.

173. Wanneer aflossingsvrije leningen worden verstrekt voor zakelijk onroerend goed, dienen …

Wanneer aflossingsvrije leningen worden verstrekt voor zakelijk onroerend goed, dienen instellingen de kasstroom van het onroerend goed te beoordelen ter ondersteuning van een niveau van aflossing dat overeenkomt met de verwachte economische levensduur van het onroerend goed, om de hoofdsom en de rente te kunnen aflossen in geval van een stijging van de loan-to-value (LTV) van het onroerend goed, of van een regelmatig LTV-niveau op de relevante markt. Instellingen moeten een dergelijke analyse ook in aanmerking nemen wanneer kredietnemers aanvullende kredietverbeteringen hebben, bv. af te stoten activa die binnen een redelijke termijn juridisch afdwingbaar zijn.

174. Ten behoeve van de gevoeligheidsanalyse in het kader van ongunstige marktomstandigheden en …

Ten behoeve van de gevoeligheidsanalyse in het kader van ongunstige marktomstandigheden en idiosyncratische gebeurtenissen houden instellingen naast de in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6 gespecificeerde gebeurtenissen rekening met het volgende, voor zover van toepassing:

  • a. wederverhuur, met inbegrip van een wijziging in de huurprijzen, de huurperiode in relatie tot de aflossingskosten gedurende de looptijd van de lening, een stijging van de leegstand, onderhouds- en renovatiekosten, huurvrije periode en verhuurinducement;
  • b. risico's en vertragingen in verband met herfinanciering;
  • c. het risico van kapitaaluitgaven;
  • d. andere relevante criteria.

5.2.8 Kredietverlening voor vastgoedontwikkeling

175. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …

Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van kredietverlening voor vastgoedontwikkeling moeten instellingen, naast de algemene bepalingen inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6, de in deze afdeling uiteengezette specifieke bepalingen toepassen.

176. De kredietwaardigheidsbeoordeling moet, in overeenstemming met de levenscyclus van de lening …

De kredietwaardigheidsbeoordeling moet, in overeenstemming met de levenscyclus van de lening, zowel de ontwikkelingsfase omvatten, met inbegrip van de stadia ervan, indien relevant, als de fase na de voltooiing van de ontwikkeling, wanneer het project wordt omgezet in een zakelijkonroerendgoedlening. Deze laatste fase moet worden beoordeeld als zakelijkonroerendgoedlening, overeenkomstig de bepalingen van deze richtsnoeren.

177. Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase moeten instellingen vaststellen dat de …

Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase moeten instellingen vaststellen dat de kredietnemer:

  • a. beschikt over een plausibel ondernemingsplan, met inbegrip van een motivering voor de ontwikkeling en een prognose van alle kosten die verband houden met de ontwikkeling die door een onafhankelijke deskundige is geverifieerd;
  • b. toegang heeft tot architecten, ingenieurs en aannemers voor de ontwikkeling van het onroerend goed;
  • c. in de toekomst alle noodzakelijke vergunningen en certificaten voor de ontwikkeling heeft verkregen of kan verkrijgen naarmate het project vordert en vóór de uitbetaling ervan.
178. Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de …

Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de ontwikkeling rekening wordt gehouden met reserveringen voor kostenoverschrijdingen. Geplande reserveringen moeten in de kredietlimiet of in het eigen vermogen worden opgenomen. Instellingen dienen het niveau van de kasreserves en het liquiditeitsprofiel van de kredietnemer te beoordelen om ervoor te zorgen dat de kredietnemer in staat is niet-geplande reserveringen voor kostenoverschrijdingen en vertragingen, in voorkomend geval, te financieren boven het bedrag voor onvoorziene uitgaven.

179. Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de haalbaarheid van een eventuele verwachte …

Instellingen moeten een beoordeling uitvoeren van de haalbaarheid van een eventuele verwachte prognose van de nettoverkoop, zowel wat de waarde als wat de omvang van de verkoop en de tijdlijnen betreft.

180. Instellingen moeten bezoeken ter plaatse uitvoeren, in voorkomend geval vergezeld van een …

Instellingen moeten bezoeken ter plaatse uitvoeren, in voorkomend geval vergezeld van een voldoende gekwalificeerd persoon, om de voornaamste onderdelen van de locatie, met inbegrip van de toegang en de specifieke kenmerken van de locatie, te verifiëren, en moeten een samenvatting bewaren van het bezoek aan de locatie in het dossier van de kredietnemer.

181. Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer dienen instellingen, indien …

Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer dienen instellingen, indien relevant (bv. in geval van margin calls), een beoordeling te maken van de kapitaalverschaffers in het project, met bijzondere aandacht voor de beoordeling van hun financiële positie, relevante deskundigheid en ervaring met soortgelijke projecten, alsook de afstemming van belangen tussen de kapitaalverschaffers en de instellingen die leningen verstrekken aan hetzelfde project.

5.2.9 Transacties met hefboomwerking

182. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van de kredietnemers in geval van geleveragede …

Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van de kredietnemers in geval van geleveragede transacties, dienen instellingen naast de algemene bepalingen inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling zoals beschreven in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6, rekening te houden met een eventuele buitensporige hefboomwerking, gedefinieerd als een verhouding: totale schuld ten opzichte van winst vóór interest, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (EBITDA). Transacties met buitensporige hefboomwerking moeten uitzonderlijk blijven (en moeten in overeenstemming zijn met de risicobereidheid van een instelling) en deel uitmaken van de kredietdelegatie en het kader voor de escalatie van het risicobeheer van een instelling.

183. Instellingen dienen een uitgebreide beoordeling uit te voeren van het vermogen van een …

Instellingen dienen een uitgebreide beoordeling uit te voeren van het vermogen van een kredietnemer om schulden binnen een redelijke termijn af te lossen of tot een houdbaar schuldenniveau terug te brengen.

5.2.10 Scheepsfinanciering

184. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …

Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van scheepsfinanciering moeten instellingen, naast de algemene bepalingen inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6, de in deze afdeling uiteengezette specifieke criteria toepassen. De instellingen moeten met name het volgende beoordelen:

  • a. de verhouding tussen de inkomsten en de kosten (exploitatiekosten, met inbegrip van verzekering, lonen, onderhoud, smeermiddelen en rentekosten) van het vaartuig;
  • b. de verhouding tussen de actuele leeftijd van het vaartuig en zijn verwachte nuttige levensduur;
  • c. de kenmerken van de vloot van de kredietnemer in verhouding tot de totale populatie van de vloot (de omvang van de nieuwe bouwactiviteiten, het aantal vaartuigen dat is opgelegd, het aantal vaartuigen dat voor elk segment is gesloopt en de leeftijd van de vaartuigen bepalen de overcapaciteit en beïnvloeden de vrachttarieven);
  • d. de waardering van vaartuigen met of zonder haircuts (indien deze als bron voor terugbetaling worden opgenomen), om de verkoopkosten, de tijdswaarde van geld en de onzekerheden met betrekking tot de liquiditeit en verhandelbaarheid van het actief weer te geven, tenzij afzonderlijke waarderingen niet mogelijk zijn indien vaartuigen worden geëxploiteerd als onderdeel van een grotere vloot met veel verschillende soorten inkomsten.
185. Instellingen moeten ook rekening houden met andere factoren, zoals vraag en aanbod op de markt …

Instellingen moeten ook rekening houden met andere factoren, zoals vraag en aanbod op de markt van het betrokken type vaartuig, de huidige en toekomstige handelspatronen voor het betrokken type vaartuig, de eis dat de lening geen regres heeft of dat een garanties moet zijn verstrekt, of een charter voor de lange termijn met een aanvaardbare eindgebruiker heeft, en indien de scheepseigenaar andere zekerheden kan verstrekken, zoals opdrachten voor charter- en verzekeringen, rechten van aandelen en geldelijke zekerheid of hypotheken op andere activa, zoals onroerend goed en zusterschepen.

186. In het geval van leningen aan de scheepsbouw moeten instellingen verifiëren dat de …

In het geval van leningen aan de scheepsbouw moeten instellingen verifiëren dat de kredietnemer:

  • a. beschikt over een plausibel ondernemingsplan, met inbegrip van een motivering voor de ontwikkeling en een prognose van alle betrokken kosten die door een onafhankelijke deskundige is geverifieerd;
  • b. toegang heeft tot marine architecten, ingenieurs en scheepsbouwaannemers;
  • c. alle nodige vergunningen en certificaten voor de ontwikkeling heeft verkregen of deze in de toekomst kan verkrijgen naarmate het project vordert.

5.2.11 Projectfinanciering

187. Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van …

Bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van kredietnemers in het geval van projectfinanciering moeten instellingen, naast de algemene bepalingen inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in afdeling 5.2.5 en afdeling 5.2.6, de in deze afdeling uiteengezette specifieke criteria in acht nemen.

188. Instellingen dienen de primaire bron van terugbetaling van de lening te beoordelen, d.w.z. de …

Instellingen dienen de primaire bron van terugbetaling van de lening te beoordelen, d.w.z. de inkomsten die door de gefinancierde activa (het project) worden gegenereerd. Instellingen moeten een beoordeling maken van de kasstromen die verband houden met het project, met inbegrip van toekomstige inkomstengenererende capaciteit zodra het project is voltooid, rekening houdend met eventuele toepasselijke regulerende of wettelijke beperkingen (bv. prijsregulering, rendementsregulering, opbrengsten die het voorwerp zijn van take-or-pay-contracten, milieuwetgeving en voorschriften die van invloed zijn op de winstgevendheid van een project).

189. Instellingen moeten er zoveel mogelijk voor zorgen dat alle activa van het project en de …

Instellingen moeten er zoveel mogelijk voor zorgen dat alle activa van het project en de huidige en toekomstige kasstroom en rekeningen worden verpand aan de instelling die de leningen verstrekt, of aan de agent/overnemer in het geval van een gesyndiceerde transactie/club deal. Indien voor het project een special purpose vehicle wordt opgezet, moeten de aandelen van dat special purpose vehicle aan de instelling worden verpand, zodat de instelling of de agent indien nodig het bedrijf kan overnemen. In gevallen van gesyndiceerde transacties/club deals moeten overeenkomsten tussen kredietgevers de toegang van elke kredietgever tot de verpande middelen en activa regelen.

190. Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase van het project moeten instellingen verifiëren dat …

Bij de beoordeling van de ontwikkelingsfase van het project moeten instellingen verifiëren dat de kredietnemer:

  • a. beschikt over een plausibel ondernemingsplan, met inbegrip van een motivering voor de ontwikkeling en een prognose van alle kosten die verband houden met de ontwikkeling die door een onafhankelijke deskundige is geverifieerd;
  • b. toegang heeft tot architecten, ingenieurs en aannemers voor het project;
  • c. alle nodige vergunningen en certificaten voor de ontwikkeling heeft verkregen of deze in de toekomst kan verkrijgen naarmate het project vordert.
191. Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de …

Instellingen moeten ervoor zorgen dat bij de berekening van de kosten in verband met de ontwikkeling, zoals verstrekt door de kredietnemer, rekening wordt gehouden met reserveringen voor kostenoverschrijdingen. Dergelijke geplande reserveringen moeten in de kredietlimiet of in het eigen vermogen worden opgenomen. Instellingen dienen het niveau van de kasreserves en het liquiditeitsprofiel van de kredietnemer of kapitaalverschaffers te beoordelen om ervoor te zorgen dat ze in staat zijn niet-geplande reserveringen voor kostenoverschrijdingen en vertragingen, in voorkomend geval, te financieren boven het bedrag voor onvoorziene uitgaven.

192. Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer, moeten de instellingen een …

Naast de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer, moeten de instellingen een beoordeling maken van de kapitaalverschaffers in het project, waarbij de aandacht in het bijzonder dient uit te gaan naar de beoordeling van hun financiële positie, relevante deskundigheid, ervaring met soortgelijke projecten en hun vermogen en bereidheid om het project gedurende de looptijd van het project te ondersteunen.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/