+6.2 Het effect van niet-volgestorte kredietprotectie
---+31. Instellingen kunnen het kredietrisicoverminderende effect van niet-volgestorte kredietprotectie …
---+32. Instellingen moeten een duidelijk beleid hebben voor de beoordeling van het effect van …
---+33. Niet-volgestorte kredietprotectie die niet voldoet aan de toelaatbaarheidseisen voor …
---+34. Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering …
---+35. Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering, kan …
---+36. Instellingen kunnen alleen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(ii) genoemde substitutiebenadering …
---+37. Wanneer instellingen voor de in paragraaf 31(a)(ii) respectievelijk 31(b) bedoelde …
---+38. Voor de toepassing van paragraaf 37 moeten instellingen, indien een bepaalde niet-volgestorte …
---+39. Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen en de debiteur …
---+40. Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen, moeten de …
---+41. Wanneer instellingen de risicoparameters in individuele gevallen aanpassen door rekening te …
---+42. Wanneer instellingen kiezen voor een van de in paragraaf 31(a) beschreven benaderingen en de …
---+43. Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het …
---+44. Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het …
---+45. Instellingen moeten het minimumrisicogewicht als volgt berekenen: (a) Wanneer de blootstelling …
---+46. Voor de toepassing van paragraaf 45 en voor het in aanmerking nemen van het effect van …
---+47. Met het oog op de inaanmerkingneming van het kredietrisicoverminderende effect van meerdere …
|
6.2 Het effect van niet-volgestorte kredietprotectie
6.2 Het effect van niet-volgestorte kredietprotectie
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
31. Instellingen kunnen het kredietrisicoverminderende effect van niet-volgestorte kredietprotectie …
|
Instellingen kunnen het kredietrisicoverminderende effect van niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen volgens een van de volgende methoden: - (a) aanpassing van de PD- of LGD-ramingen overeenkomstig artikel 160, lid 5, artikel 161, lid 3, en artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op basis van de door de instellingen vastgestelde criteria overeenkomstig artikel 183, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 door met name gebruik te maken van een van de volgende benaderingen:
- (i) ongeacht welke benadering wordt toegepast op vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever, aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen, met inbegrip van LGD in wanbetaling en ELBE, door bij het ramen van risicoparameters rekening te houden met de niet-volgestorte kredietprotectie zoals nader uitgewerkt in deze richtsnoeren (d.w.z. de modelleringsbenadering);
- (ii) wanneer vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever volgens de IRB-benadering behandeld (zouden) worden met of zonder eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren, door vervanging van zowel de PD- als LGD-risicoparameters van de onderliggende blootstelling door de overeenkomstige PD en LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever zoals nader uitgewerkt in deze richtsnoeren (d.w.z. de substitutiebenadering van risicoparameters);
- (iii) ongeacht welke benadering wordt toegepast op vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever, aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen, met inbegrip van LGD in wanbetaling en EL BE , door bij de toepassing van risicoparameters het proces voor de onderbrenging in klassen bij te sturen overeenkomstig artikel 172, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en deel 8.2 van de EBA-richtsnoeren inzake PD- en LGD-raming (d.w.z. de bijsturing);
- (b) indien de instelling de standaardbenadering voor vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever toepast en het kredietrisicoverminderende effect van de niet-volgestorte kredietprotectie niet in aanmerking neemt bij de PD- en LGD-ramingen overeenkomstig punt a), gebruik van het toepasselijke risicogewicht in de standaardbenadering overeenkomstig artikel 183, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (d.w.z. de substitutiebenadering van risicogewicht);
- (c) berekening van de risicogewogen posten overeenkomstig artikel 153, lid 3, artikel 154, lid 2, artikel 161, lid 4, en artikel 164, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (d.w.z. de double default-behandeling).
|
|
32. Instellingen moeten een duidelijk beleid hebben voor de beoordeling van het effect van …
|
Instellingen moeten een duidelijk beleid hebben voor de beoordeling van het effect van niet-volgestorte kredietprotectie op risicoparameters. Het beleid moet in overeenstemming zijn met hun praktijken inzake intern risicobeheer en met de vereisten van artikel 183, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de in deze richtsnoeren vervatte vereisten. Instellingen moeten in hun beleid duidelijk specificeren welke van de in paragraaf 31 omschreven specifieke methoden zij voor hun ratingsystemen gebruiken, en zij moeten dit beleid consequent in de tijd toepassen.
|
|
33. Niet-volgestorte kredietprotectie die niet voldoet aan de toelaatbaarheidseisen voor …
|
Niet-volgestorte kredietprotectie die niet voldoet aan de toelaatbaarheidseisen voor garantiegevers en garanties als bedoeld in artikel 183, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deel 5.2 van deze richtsnoeren, mag niet in aanmerking worden genomen volgens de in paragraaf 31 vermelde methoden. Voor de LGD-raming moeten de kasstromen die worden ontvangen als gevolg van de uitoefening van niet in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie, worden behandeld alsof ze zijn ontvangen zonder gebruikmaking van niet-volgestorte kredietprotectie. Ongeacht deze behandeling dienen instellingen de informatie over de herkomst van met niet in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie verband houdende kasstromen te verzamelen en deze op passende wijze toe te wijzen. Instellingen dienen de niveaus van dergelijke kasstromen regelmatig te monitoren, evenals de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de betrokken soorten niet-volgestorte kredietprotectie. Indien nodig moeten instellingen adequate aanpassingen toepassen om vertekeningen in de PD- en LGD-ramingen te voorkomen.
|
|
34. Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering …
|
Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering, dienen zij in de LGD-ramingen aandacht te besteden aan de volgende elementen en deze indien relevant op voorzichtige wijze in aanmerking te nemen: - (a) valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de niet-volgestorte kredietprotectie;
- (b) de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn contractuele verplichting uit hoofde van de overeenkomst voor niet-volgestorte kredietprotectie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen;
- (c) een eventuele wanbetalingsstatus van de garantiegever en het daaruit voortvloeiende verminderde vermogen om de contractuele verplichting uit hoofde van de niet-volgestorte kredietprotectie na te komen.
|
|
35. Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering, kan …
|
Wanneer instellingen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(i) genoemde modelleringsbenadering, kan de niet-volgestorte kredietprotectie als risicofactor in het ratingsysteem in aanmerking worden genomen. Dit kan op de volgende manieren gebeuren: - (a) alleen aanpassing van de LGD-ramingen op basis van historische ervaring met betrekking tot het waargenomen risicoverminderende effect van de niet-volgestorte kredietprotectie op gerealiseerde LGD’s, met inbegrip van gerealiseerde invorderingen en materiële kosten die verband houden met de uitoefening van de niet-volgestorte kredietprotectie;
- (b) aanpassing van zowel de PD- als de LGD-ramingen, wanneer instellingen empirisch kunnen aantonen dat het bestaan van de niet-volgestorte kredietprotectie gevolgen heeft voor de kans op wanbetaling van de debiteur en dat de gelijktijdige aanpassing van zowel de PD- als de LGD-ramingen niet leidt tot dubbele telling van het effect van de niet-volgestorte kredietprotectie of tot een te lage raming van het verwachte verlies.
Een uitsluitende aanpassing van de PD-ramingen moet onder alle omstandigheden ongeschikt worden geacht.
|
|
36. Instellingen kunnen alleen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(ii) genoemde substitutiebenadering …
|
Instellingen kunnen alleen kiezen voor de in paragraaf 31(a)(ii) genoemde substitutiebenadering van risicoparameters indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: - (a) de niet-volgestorte kredietprotectie komt in aanmerking volgens de toepasselijke criteria voor niet-volgestorte kredietprotectie in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- (b) de instelling kan redelijkerwijs verwachten dat de directe kosten van de uitoefening van de niet-volgestorte kredietprotectie verwaarloosbaar zijn voor het door de niet-volgestorte kredietprotectie gedekte bedrag;
- (c) de garantiegever verkeert niet in de status van wanbetaling.
|
|
37. Wanneer instellingen voor de in paragraaf 31(a)(ii) respectievelijk 31(b) bedoelde …
|
Wanneer instellingen voor de in paragraaf 31(a)(ii) respectievelijk 31(b) bedoelde substitutiebenadering van risicoparameters of substitutiebenadering van risicogewicht kiezen, moeten zij: - (a) informatie over de kenmerken en prestaties van de debiteur en de blootstelling verzamelen en opslaan, en deze informatie gebruiken bij de raming van de kans op wanbetaling van de debiteur overeenkomstig de EBA-richtsnoeren inzake PD- en LGD-raming;
- (b) voor het beheer van interne risico’s, rechtstreekse vorderingen op garantiegevers en vorderingen gedekt door niet-volgestorte kredietprotectie die door dergelijke entiteiten is verleend, afzonderlijk in aanmerking nemen;
- (c) voor LGD-modellen een afzonderlijk toepassingsgebied definiëren en het risicogewicht van het type gegarandeerde vorderingen of delen van vorderingen waarvan de PD- en LGD-risicoparameters zijn gesubstitueerd of waaraan het risicogewicht door de garantiegever is toegewezen, afzonderlijk berekenen. Voor de gegarandeerde vorderingen of delen van vorderingen die in het toepassingsgebied van de substitutiebenadering van risicoparameters of de substitutiebenadering van risicogewicht zijn opgenomen, zijn instellingen niet verplicht om de LGD’s te ramen, uitgezonderd de LGD’s van de vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegevers wanneer zij de substitutiebenadering van risicoparameters hanteren.
|
|
38. Voor de toepassing van paragraaf 37 moeten instellingen, indien een bepaalde niet-volgestorte …
|
Voor de toepassing van paragraaf 37 moeten instellingen, indien een bepaalde niet-volgestorte kredietprotectie de oorspronkelijke vordering niet volledig dekt, in staat zijn om het deel van de vordering dat niet onder die niet-volgestorte kredietprotectie valt, toe te wijzen aan de PD- en LGD-ramingen die van toepassing zijn op de oorspronkelijke vordering zonder het effect van die niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking te nemen. Bovendien moeten instellingen voor de berekening van de gerealiseerde LGD die van toepassing is op het deel van de vordering dat niet onder de niet-volgestorte kredietprotectie valt, de kasstromen en kosten op de volgende manier toerekenen: - (a) kasstromen die van de garantiegever worden ontvangen dienen te worden toegerekend aan het gegarandeerde deel van de vordering, terwijl kasstromen die afkomstig zijn uit een andere bron dienen te worden toegerekend aan het deel van de vordering dat niet door de niet-volgestorte kredietprotectie gedekt wordt. In het geval van vorderingen waarvoor ook volgestorte kredietprotectie is verleend, moeten de kasstromen die verband houden met de volgestorte kredietprotectie worden toegerekend aan het deel van de vordering dat door deze volgestorte kredietprotectie wordt gedekt, in overeenstemming met de richtsnoeren in paragraaf 46.
- (b) Indirecte kosten moeten aan de verschillende delen van de vordering worden toegerekend overeenkomstig de richtsnoeren in punt 113 van de EBA-richtsnoeren inzake PD- en LGD-ramingen.
- (c) Directe kosten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van de niet-volgestorte kredietprotectie, dienen te worden toegerekend aan het gegarandeerde deel van de vorderingen, terwijl de overige directe kosten dienen te worden toegerekend aan het deel van de vordering dat niet onder de niet-volgestorte kredietprotectie valt. In het geval van vorderingen waarvoor ook volgestorte kredietprotectie is verleend, dienen de directe kosten die verband houden met de realisatie van de volgestorte kredietprotectie te worden toegerekend aan het gegarandeerde deel van de vordering, in overeenstemming met de richtsnoeren in paragraaf 46.
|
|
39. Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen en de debiteur …
|
Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen en de debiteur in gebreke is gebleven, geldt het volgende: - (a) Het risicogewicht van het gegarandeerde deel van de vordering moet gelijk zijn aan dat van de vergelijkbare rechtstreekse vordering op de niet in gebreke gebleven garantiegever.
- (b) Het verwachte verlies van het gegarandeerde deel van de vordering moet gelijk zijn aan dat van de vergelijkbare rechtstreekse vordering op de niet in gebreke gebleven garantiegever.
- (c) Wanneer de garantiegever een niet-wanbetalingsstatus behoudt, wordt met betrekking tot het gegarandeerde deel van de vordering geacht sprake te zijn van wanbetaling voor de berekening van een IRB-tekort of -overschot overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en deel 8.4 van de EBA-richtsnoeren inzake PD- en LGD-raming.
|
|
40. Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen, moeten de …
|
Wanneer instellingen voor de substitutiebenadering van risicoparameters kiezen, moeten de andere kwantitatieve validatie-instrumenten als bedoeld in artikel 185, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 een vergelijking omvatten van het verwachte verlies van de vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever met de waargenomen verliespercentages van de onderliggende vorderingen of delen van vorderingen op in gebreke gebleven debiteuren die vóór het moment van wanbetaling als gegarandeerd werden beschouwd.
|
|
41. Wanneer instellingen de risicoparameters in individuele gevallen aanpassen door rekening te …
|
Wanneer instellingen de risicoparameters in individuele gevallen aanpassen door rekening te houden met de niet-volgestorte kredietprotectie met gebruikmaking van bijsturingen overeenkomstig paragraaf 31(a)(iii), moeten instellingen kunnen aantonen dat het op grond van de aard en kenmerken van de niet-volgestorte kredietprotectie niet mogelijk is de in paragraaf 31(a)(i), 31(a)(ii) of 31(b) beschreven methoden toe te passen om rekening houden met het risicoverminderende effect van de niet-volgestorte kredietprotectie.
|
|
42. Wanneer instellingen kiezen voor een van de in paragraaf 31(a) beschreven benaderingen en de …
|
Wanneer instellingen kiezen voor een van de in paragraaf 31(a) beschreven benaderingen en de berekende schattingen een lager risicogewicht opleveren dan het risicogewicht dat van toepassing zou zijn op een vordering zonder kredietrisicolimitering die in alle overige opzichten identiek is, kan het definitieve risicogewicht niet lager zijn dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever, overeenkomstig artikel 161, lid 3, en artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (d.w.z. dat het minimumrisicogewicht van toepassing is).
|
|
43. Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het …
|
Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het minimumrisicogewicht in gevallen waarin instellingen geen toestemming van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 hebben gekregen om gebruik te maken van eigen LGD-ramingen voor vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever, dienen instellingen de in artikel 161, lid 1, van die verordening vastgestelde LGD-waarden te gebruiken om de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever af te leiden.
|
|
44. Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het …
|
Voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het minimumrisicogewicht luidt de waarde van niet-volgestorte kredietprotectie als volgt: - (a) De waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie moet worden bepaald overeenkomstig artikel 233 en artikel 239, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In de aangepaste waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie moet mogelijke looptijdmismatch in aanmerking worden genomen overeenkomstig artikel 239, lid 3, van die verordening, terwijl de looptijd van vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever dezelfde moet zijn als die van de vordering op de debiteur.
- (b) Indien de resterende blootstellingswaarde na het instellen van een vordering tegen de debiteur en, indien van toepassing, andere vormen van kredietrisicolimitering door de niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, dienen instellingen de waarde van de protectie op voorzichtige wijze te schatten op basis van ervaringen uit het verleden.
- (c) De waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie die voldoet aan de vereisten van artikel 215, lid 1, onder a), tweede alinea, of artikel 215, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan het maximumbedrag zijn dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen in geval van wanbetaling of niet-betaling door de kredietnemer of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen.
|
|
45. Instellingen moeten het minimumrisicogewicht als volgt berekenen: (a) Wanneer de blootstelling …
|
Instellingen moeten het minimumrisicogewicht als volgt berekenen: - (a) Wanneer de blootstelling gedekt is door meer dan één niet-volgestorte kredietprotectie die elk een ander deel van de blootstelling omvatten, dienen instellingen het minimumrisicogewicht te berekenen als het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de risicogewichten van vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op elk van de garantiegevers.
- (b) Wanneer de blootstelling gedekt is door meer dan één niet-volgestorte kredietprotectie waarvan er twee of meer bescherming bieden aan hetzelfde deel van de blootstelling, dienen instellingen het minimumrisicogewicht voor dat deel van de blootstelling te berekenen als het laagste van de risicogewichten van elke vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever. Bij de berekening van elk risicogewicht kan in de LGD van vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op elk van de garantiegevers rekening worden houden met het effect van de andere bestaande niet-volgestorte kredietprotectie.
- (c) Wanneer een deel van de blootstelling niet onder niet-volgestorte kredietprotectie valt, moeten instellingen aan dat deel van de blootstelling het risicogewicht toewijzen dat van toepassing is op deze vordering op de debiteur zonder niet-volgestorte kredietprotectie; in dat geval wordt het minimumrisicogewicht berekend als het naar blootstelling gewogen gemiddelde van het risicogewicht dat van toepassing is op het deel van de blootstelling dat onder de niet-volgestorte kredietprotectie valt en het risicogewicht dat van toepassing is op het resterende deel van de blootstelling.
- (d) Bij de berekening van het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht overeenkomstig de punten (a) en (c) moet elk risicogewicht afzonderlijk worden berekend en gewogen op basis van het toepasselijke deel van de blootstellingswaarde.
|
|
46. Voor de toepassing van paragraaf 45 en voor het in aanmerking nemen van het effect van …
|
Voor de toepassing van paragraaf 45 en voor het in aanmerking nemen van het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken overeenkomstig de in paragraaf 31 beschreven benaderingen, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: - (a) Instellingen moeten een duidelijk beleid hebben inzake de toewijzing, volgorde en inaanmerkingneming van volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie dat in overeenstemming is met het interne invorderings- en incassoproces.
- (b) Instellingen mogen het effect van een en dezelfde kredietrisicolimitering niet twee keer in aanmerking nemen; zo mag bijvoorbeeld bij de toerekening van de volgestorte kredietprotectie aan het deel van de vordering dat onder de niet-volgestorte kredietprotectie valt en het deel dat daar niet onder valt, de volgestorte kredietprotectie niet dubbel in aanmerking worden genomen.
- (c) Instellingen dienen de benaderingen consequent toe te passen; zodat
- (i) het niet is toegestaan om het deel van de vordering dat onder een bepaalde niet-volgestorte kredietprotectie valt, in twee delen op te splitsen en vervolgens de substitutiebenadering van risicoparameters of de substitutiebenadering van risicogewicht op één deel toe te passen en de modelleringsbenadering op het andere deel.
- (ii) instellingen in het geval van meerdere regelingen inzake niet-volgestorte kredietprotectie die (deels) hetzelfde deel van de vordering omvatten, passende criteria dienen vast te stellen om te bepalen welke niet-volgestorte kredietprotectie zij gebruiken voor de substitutie van de risicoparameters. Deze criteria moeten worden beschreven in de interne beleidslijnen van de instellingen voor de aanpassing van de PD- en LGD-ramingen overeenkomstig paragraaf 38. Onverminderd punt i), mogen instellingen wel het deel van de vordering dat onder een bepaalde niet-volgestorte kredietprotectie valt in twee delen opsplitsen, en vervolgens de substitutiebenadering van risicoparameters op één deel toepassen en het effect van het resterende deel van die niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking te nemen door de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters op de andere bestaande niet-volgestorte kredietprotectie; met name het risicoverminderende effect van het resterende deel van die niet-volgestorte kredietprotectie kan in aanmerking worden genomen in de LGD van vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op andere bestaande garantiegevers overeenkomstig paragraaf 47.
|
|
47. Met het oog op de inaanmerkingneming van het kredietrisicoverminderende effect van meerdere …
|
Met het oog op de inaanmerkingneming van het kredietrisicoverminderende effect van meerdere kredietprotectieregelingen die als gevolg van de toewijzing door de instelling overeenkomstig paragraaf 46 hetzelfde deel van een vordering omvatten, kunnen instellingen een van de in paragraaf 31(a) genoemde benaderingen hanteren. Met name voor de toepassing van de substitutiebenadering van risicoparameters en de berekening van het minimumrisicogewicht moeten instellingen de volgende methoden gebruiken om de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever, waaronder het risicoverminderende effect van de extra kredietprotectie, af te leiden: - (a) Wanneer vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever binnen het toepassingsgebied van een ratingsysteem vallen waarvoor de instelling geen voorafgaande toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen te gebruiken overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dient de instelling de LGD-waarden van artikel 161, lid 1, van die verordening te gebruiken, waarin indien relevant rekening is gehouden met de volgestorte kredietprotectie door toepassing van de desbetreffende vereisten in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van die verordening.
- (b) Wanneer vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever binnen het toepassingsgebied van een ratingsysteem vallen waarvoor de instelling voorafgaande toestemming heeft gekregen om eigen LGD-ramingen te gebruiken overeenkomstig artikel 143, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dient de instelling gebruik te maken van de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever die het effect van extra volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie omvat. Als instellingen niet in staat zijn deze extra kredietprotectie in aanmerking te nemen bij de raming van de LGD van vergelijkbare rechtstreekse vorderingen op de garantiegever:
| (i) | dienen | zij, indien de LGD van ongedekte vorderingen op de garantiegever |
lager is dan of gelijk is aan de LGD van ongedekte vorderingen op de debiteur, LGD-ramingen van de vordering op de debiteur te gebruiken waarin rekening is gehouden met het effect van de extra kredietprotectie; of | (ii) hoger instellingen | dienen is - - | zij, indien de LGD van ongedekte vorderingen op de garantiegever dan de LGD van ongedekte vorderingen op de debiteur, of indien niet in staat zijn een dergelijke vergelijking uit te voeren: voor zakelijke garantiegevers ofwel gebruik te maken van de toepasselijke LGD-waarden zoals bepaald in artikel 161, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waarin indien relevant rekening is gehouden met de volgestorte kredietprotectie door toepassing van de desbetreffende vereisten in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van die verordening, of van de LGD-raming die van toepassing is op ongedekte vorderingen op de garantiegever. De keuze tussen deze twee opties moet in overeenstemming zijn met het soort blootstelling met betrekking tot de garantiegever; voor particuliere/kleine garantiegevers gebruik te maken van de LGD-raming die van toepassing is op ongedekte vorderingen op de garantiegever. |
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
- EBA - Published by the European Banking Authority at https://www.eba.europa.eu/
|